In memoriam door Wim Koops

Op 18 januari 2008 overleed op zevenenzeventigjarige leeftijd ten gevolge van een slopende ziekte de oud-uitgever en boekenman drs. J. de Groot. Dat zijn leven zich in deze maatschappelijke richting zou ontwikkelen lag geenszins voor de hand.

Gepubliceerd in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2008-2009(2010)

Jan de Groot werd geboren op 20 januari 1930 in Groningen, de stad waar hij zijn hele leven zou wonen en werken. Met stad en provincie Groningen en haar geschiedenis zou hij zich altijd verbonden blijven voelen. Als de middelste van drie jongens groeide hij op in een sociaal-democratisch gezin en in een socialistische omgeving, in de stadswijk De Hoogte aan de noordkant van de stad. De wijk was in de jaren 1917 tot 1920 gebouwd als een wat geïsoleerd gelegen tuindorp met ‘goedkoope woningen’, waarvan de bewoners een saamhorige gemeenschap vormden.

Hij groeide op in een gezin dat het in de crisistijd van de jaren dertig met zijn grote werkloosheid bijzonder moeilijk had. Zijn vader was vaak zonder werk of te werk gesteld in de werkverschaffing, zodat armoede troef was. De Groots latere strijdlust en zijn gevoel voor rechtvaardigheid en zeker zijn onvoorwaardelijke keuze voor het socialisme van de sdap met zijn idealen, vonden daarin voor een deel hun oorsprong.

Het jongetje Jan de Groot bleek goed te kunnen leren, en het was aan zijn onderwijzer op de lagere school te danken dat hij kon ‘doorleren’ en naar het Heymanslyceum ging. Omdat daar thuis minder goed gelegenheid voor was, bracht hij voor het maken van zijn huiswerk vele middagen door in de huiskamer van zijn oom en tante Stokhorst, overtuigde socialisten, die ook van invloed zijn geweest op zijn belangstelling en ontwikkeling. In 1949 behaalde hij zonder vertaging en met goed gevolg het einddiploma.

Gezien zijn grote leergierigheid en dorst naar kennis wekt het geen verbazing dat, op zoek naar een geschikte werkkring, zijn voorkeur uitging naar de wereld van het boek. Hij solliciteerde daarom naar een baan bij het gerenommeerde bedrijf J.B. Wolters’ Uitgeversmaatschappij, destijds de grootste uitgeverij in ons land en met zijn bijbehorende drukkerij een der belangrijkste werkgevers in de stad Groningen. Hij werd aangenomen en kwam terecht als jongste medewerker op de productieafdeling van de uitgeverij. Die functie sloot helemaal aan bij zijn belangstelling en hij voelde zich daar volkomen op zijn plaats.

Door zijn toewijding en gestaag groeiende kennis van zaken, zijn systematische werkwijze en praktische instelling verwierf hij zich daar al spoedig een vaste positie. Zijn goed ontwikkelde taalgevoel en grote taalvaardigheid, zijn streven naar perfectie, precisie, oog voor het relevante – en soms ook wel het minder relevante – detail, waren kwaliteiten die hem in zijn werk al direct te stade kwamen. Graag liet hij anderen in zijn kennis delen; hij was een geboren didacticus, vandaar ook zijn liefde, zijn passie, voor het schoolboek als leerboek.

Toen ik in november 1955 bij deze uitgeverij in dienst trad, belast met de zorg voor de uitgaven in de sector middelbaar, voorbereidend hoger en universitair onderwijs – een uitgebreid gebied – kreeg ik De Groot als naaste medewerker; dat was voor mij een gelukkige omstandigheid. Ik leerde hem kennen als een talentvolle, energieke en volstrekt betrouwbare jongeman, met wie ik het van het begin af goed kon vinden. Hij verrichtte zijn werk consciëntieus en met ambitie.

Zijn belangstelling voor in het bijzonder de moderne en klassieke talen en hun letterkunde en voor de geschiedenis, vooral de Nederlandse, kwam hem daarbij goed van pas en werd er ook weer door gevoed. Dat wij die belangstelling deelden was niet alleen voor onze werkverhouding gunstig, maar leidde op den duur ook tot het ontstaan van een hartelijke vriendschap.

Bijna tien jaar werkten wij nauw samen. Het fonds van J.B. Wolters was in die tijd aan vernieuwing toe, methodisch op bepaalde onderdelen, vooral echter in zijn degelijke, maar ouderwets aandoende uiterlijk. Een gelukkig toeval wilde dat de bekende typografe Susanne Heynemann begin 1956 in Groningen kwam wonen en bereid bleek zich vast aan J.B. Wolters te verbinden om het fonds een ‘face-lifting’ te geven.

Het was een ingrijpende, grootschalige operatie die in fasen moest verlopen. Er moest worden begonnen met lopende methoden van een andere band of omslag te voorzien en tegelijkertijd voor nieuwe boeken en methoden een passende vormgeving te ontwerpen, gericht op een zo helder en aangenaam mogelijke kennisoverdracht volgens haar principe: een goed leerboek is een boek waaruit men goed kan leren. Die taak heeft Susanne Heynemann in een reeks van jaren inventief, vakbekwaam en met inlevingsvermogen in de specifieke vereisten, met zichtbaar resultaat succesvol uitgevoerd.

Ook De Groot heeft daarin een wezenlijk aandeel gehad. In een boekje van en over haar als typografe heeft hij een beschouwing aan haar werk voor J.B. Wolters en Wolters-Noordhoff gewijd.

Hij was een boekenman met een grote liefde voor het boek in al zijn aspecten. Niet alleen had hij daadwerkelijke belangstelling voor de inhoud, maar eveneens voor de vormgeving, uiteraard in het bijzonder van het school- en studieboek. In tal van kleinere publicaties in tijdschriften en ook in voordrachten heeft hij herhaaldelijk dat onderwerp aan de orde gesteld. Zijn omvangrijke doctoraalscriptie over de betekenis van schoolboeken was een diepgravend onderzoek naar de relatie tussen schoolboeken en uitgeverij, onderwijs en overheid, die hij tevens als een afzonderlijke publicatie liet verschijnen.

Het verbaasde mij uiteraard allerminst dat hij met zijn intellectuelle kwaliteiten en drang naar kennis, zijn ambitie en doorzettingsvermogen, begon aan de studie voor de acte Nederlands mo-a en kans zag deze naast zijn dagelijkse werkzaamheden met veel succes te voltooien, en evenmin dat het daarbij niet bleef. Maar voor welke richting zou hij nu kiezen?

Voor de studie voor de acte Nederlands mo-b, waar zijn examinator prof. Van Haeringen op had aangedrongen, of een universitaire studie die toch meer aan zijn innerlijke voorkeur beantwoordde? Voor de universitaire studie Nederlands of geschiedenis was toen echter eerst nog een aanvullend staatsexamen Latijn en Grieks noodzakelijk, wat hem zeker nog meer dan een extra jaar zou kosten.

Na rijp beraad viel de keuze uiteindelijk op de studie sociologie. Het was een zware opgave, want het vergde ook het volgen van colleges overdag; en dat kwam naast zijn in omvang en gewicht toenemende hoofdtaak bij J.B. Wolters, nog meer nadat ik in de herfst van 1964 mijn functie als onderdirecteur bij de uitgeverij had verwisseld voor die van bibliothecaris van de Rijksuniversiteit Groningen. En niet te vergeten, hij was intussen in de eerste plaats hoofd van een groot en bloeiend gezin.

Toen na het einde van de Tweede Wereldoorlog het verenigingsleven weer op gang kwam werd Jan de Groot reeds in december 1945 eerst lid van de Jeugdbond voor Onthouding (jvo)-zoals hij zelf zei:’ om geen andere reden dan dat je anders niet kon deelnemen aan een cursus Esperanto, waar ik m’n zinnen op had gezet’ – en een jaar later van de weer opgerichte Arbeiders Jeugd Centrale (ajc). In 1945 ook had hij Dina Nijdam leren kennen, wat ouder dan hij, tegen wie hij hoog opzag om haar kwaliteiten.

Op hen beiden heeft de ajc met haar verheven idealisme en aspiraties, haar streven naar persoonlijke ontplooiing door culturele ontwikkeling en politieke vorming een diepgaande invloed uitgeoefend, hoewel niet zonder kritiek van hun kant. Zij trouwden in 1955, kregen drie zonen en een dochter en vormden een gelukkig gezin. Maatschappelijk ging het hen geleidelijk in toenemende mate goed. Zijn carrière verliep als gezegd voorspoedig èn – vervulling van een vurige wens – hij was begonnen met een universitaire studie.

Naast zijn grote werkdrift en kennis van taal beschikte hij over een zuiver taalgevoel dat hem steeds goed van pas kwam. Hij had een hoge opvatting van taal als uitdrukkingsmiddel, hetgeen zich ook uitte in zijn passie voor woordenboeken. Hij was onverbiddelijk: taal- en spellingfouten bij anderen, ook bij veel auteurs van J.B. Wolters, werden terstond genadeloos aangewezen en verbeterd.

Goed schrijven en goed lezen waren voor hem essentieel. Hij schreef er zelfs een boekje over met de programmatische titel Schrijven – en gelezen worden, oorspronkelijk in 1968 verschenen als een geschenk voor de relaties van Wolters-Noordhoff. Het was een praktisch werkje dat veel werd gebruikt en vervolgens als handelseditie nog vier oplagen zou beleven. Zoiets was een kolfje naar zijn hand.

Inmiddels was hij hoofd van de afdeling moderne talen geworden en dat bood hem de mogelijkheid zelf nieuwe lesmethoden te beïnvloeden. In 1972 volgde zijn benoeming tot directeur van de uitgeverij Wolters-Noordhoff. Dat was voor hem de bekroning van zijn loopbaan als uitgever. In deze leidende functie kon hij zijn didactische opvattingen over de juiste lesmethoden nog breder en beter in praktijk omzetten. Het was zijn overtuiging dat school- en studieboeken door hun functie van informatiedragers van leerstof een beproefd middel tot cultuuroverdracht waren en daar handelde hij naar.

Als boekenmaker overzag hij het hele proces van manuscript tot voltooid boek: de kwaliteit van de inhoud en het taalgebruik, de didactische opzet en bruikbaarheid in de praktijk, de productie en de vormgeving, de verspreiding en de afzet, alles had zijn volle aandacht.

Met succes leidde hij dit grote bedrijf tot er juist op het hoogtepunt van zijn carrière in zijn privéleven een dramatische omslag kwam. Zijn vrouw werd ernstig ziek, raakte door vroegtijdig dementeren ontredderd en vergde steeds meer zorg. Jarenlang heeft hij het tragische verloop van haar ziekte liefdevol begeleid en gedragen, maar uiteindelijk was hij er zelf niet meer tegen opgewassen, zodat hij in 1984 zijn werk tijdelijk moest neerleggen.

Des te meer betekende de afronding van zijn weer opgevatte universitaire studie in juni 1988 een nieuwe bekroning, toen hij, tegelijk met zijn oudste zoon Coos, de bul van doctorandus in de sociologie in ontvangst kon nemen: nu de afsluiting van de langdurige, niet gemakkelijke combinatie van gelijktijdig werken en studeren, bezegeld met een academische titel. Zijn vrouw zou tenslotte in 1992 overlijden.

Wel bleef hij op velerlei terreinen actief werkzaam, maar hij zou niet meer in zijn oude functie terugkeren bij het, na een nieuwe fusie, nu geheten concern Wolters-Kluwer. Binnen en buiten dat concern vervulde hij nog een aantal taken, als adviseur van de directie van de uitgeverij Jacob Dijkstra en als lid en voorzitter van de Groep Educatieve Uitgeverijen van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond.

Langzamerhand nam zijn leven weer een normale loop. Er ontstond een relatie met Renée Weber, met wie hij tal van gelukkige jaren heeft beleefd, die hem rust gaf en steeds tot grote steun is geweest en hem tot zijn moeilijke einde heeft bijgestaan.

Bevrijd van de dagelijkse taak ontplooide hij een grote productiviteit als boekenman, nu als particulier. Met de ajc was hij zich persoonlijk altijd verbonden blijven voelen, thans met de kring van haar oud-leden. Om de herinnering aan haar verleden levend te houden, schreef hij tal van korte artikelen over personen en gebeurtenissen, zowel in het landelijke Mededelingenblad van Oud-ajcers als in Contact, het blad van de Oud-ajc-groep Groningen en zette hij zich sterk in voor de publicaties van de Stichting Onderzoek Oud-ajc. In dit kader moet ook zijn al vroeg ontstane bewondering voor het werk van de begaafde grafisch ontwerpster Fré Cohen worden gezien.

Pragmatisch van aard en zelf een goed spreker, hield hij netvan bevlogen redenaars als Troelstra en Koos Vorrink, maar meer van praktische doeners, de ‘bouwers’, zoals W.H. Vliegen en F.M. Wibaut en de Groningers H.A. Schaper en E. Rugge.

Veel van zijn geschriften handelden over uitgevers en hun boeken. Hij schetste het ontstaan en de lotgevallen van uitgaven. maar wees telkens ook nadrukkelijk op de belangrijke rol van de uitgever daarin. In zijn boekje over E.B. ter Horst Jr., directeur van Wolters rond 1900, schreef hij: ‘Voorwaarden voor succes kunnen het in de uitgeverij moeilijk stellen zonder initiatieven van een inspirerend persoon met visie, durf, inventiviteit en een zeker vermogen tot “vormgeving” aan abstracte denkbeelden.’ Het was zijn eigen credo.

Sinds 1995 publiceerde hij een reeks door hem zelf geschreven boekjes, die hij bij de jaarwisseling toezond aan familie, vrienden en relaties, op gedegen eigen speurwerk berustend, zorgvuldig en leesbaar geformuleerd en in een slank formaat vormgegeven door een eigen grafisch ontwerpster, zijn dochter Jannie. Het gold als een eer tot de kring van ontvangers te behoren. De onderwerpen, meestal gekoppeld aan een gedenkdatum – daar was hij heel inventief in – zocht en vond hij in de eerste plaats in uitgaven van zijn uitgeverijen, J.B. Wolters en Wolters Noordhoff en verder in enkele bijzondere uitgaven van de Arbeiderspers, bijvoorbeeld Het Boek voor de Jeugd en het socialistische familietijdschrift Wij, ons werk, ons leven, altijd in relatie met zijn eigen ervaringen. Vaak boden zij nieuwe gezichtspunten.

Zo toonde hij in een artikel over schoolboeken in oorlogstijd aan dat in het geruchtmakende geval van De Vooys-Stuiveling, Schets van de Nederlandse letterkunde zowel de auteur als de bewerker geen enkele blaam trof. In het boekje over E.B. ter Horst Jr. stelde hij vast dat Nog bij moeder, het eerste van de boekjes over Ot en Sien, niet was geschreven door de bekende onderwijsvernieuwer Jan Ligthart, maar door de niet zo bekende onderwijzer H. Scheepstra, leraar aan de Rijkskweekschool in Groningen. En tevens dat het initiatief voor de uitgave bij de uitgever had gelegen, die ook de illustrator C. Jetses als derde van het driemanschap had benaderd.

In dit verband verdient eveneens nog vermelding zijn mooie, doorwrochte levensbericht in het Jaarboek vande Maatschappij der Nederlandse letterkunde van dr. J.B. Drewes, die een voortreffelijke bewerker is geweest van Koenen, Handwoordenboek der Nederlandse Taal. Een van zijn laatste bijdragen was een beschouwing over de herinneringen van J.H.A. Schaper, een van de oprichters van de sdap in 1894, Een halve eeuw van strijd, waarvan de twee delen in 1933 en 1935 werden uitgegeven door J.B. Wolters’ Uitgeversmaatschappij N.V., Groningen-Batavia. Zijn socialisme en zijn uitgeverij: so was de cirkel rond.

Hij las veel – met het potlood of de pen en de schaar bij de hand – waarderend, noterend en corrigerend; hij schreef en redigeerde graag: als auteur, redacteur, kritisch lezer en corrector van manuscripten die hem die moeite waard leken. Hij deed dat met genoegen èn uit plichtsbesef. In het zeer omvangrijke boekvan zijn vriend Jan Meilof, Een wereld licht en vrij, over het culturele werk van de AJC, bedankt deze hem voor zijn jarenlange kritische en inspirerende begeleiding en voor zijn hulp bij ingewikkelde formuleringen, en voor het feit dat hij de eindredactie van het hele boek op zich had genomen. Tallozen hebben van zijn bereidwilligheid tot commentaar, redactie en correctie geprofiteerd – en soms meer dan dat.

Een slopende ziekte die hem onverwacht trof en aan het einde zijn leven heeft geteisterd, tastte wel zijn lichaam aan maar niet zijn geest. Hij droeg zijn lot moedig, beoordeelde zijn situatie nuchter en rationeel, wel telkens met hoop op uitstel, maar zijn krachten namen snel af. Tot het laatst probeerde hij echter zoveel mogelijk de regie in handen te houden.

Wij hadden veel contact, spraken gewoonlijk over uitgaven en uitgeven, over culturele, historische, sociaal-politieke onderwerpen en gebeurtenissen die onze gemeenschappelijke belangstelling hadden, maar de laatste tijd ook over de toekomst van zijn eigen bibliotheek. Hij wilde dat die goed terecht zou komen en gaf mij allerlei instructies en opdrachten.

Tot zijn verdriet was hij niet meer in staat zijn voornemen uit te voeren voor het jaar 2008 weer een boekje – het zou het tiende in de reeks worden – te schrijven en te produceren, maar hij ontwikkelde nog wel een ander plan, dat hij als gewoonlijk niet wilde onthullen. J.B. Wolters bleef tot het einde centraal staan in zijn belevingswereld, en het bericht dat de leiding van Wolters-Kluwer had besloten de educatieve uitgeverij Wolters-Noordhoff af te stoten maar de naam J.B. Wolters om commerciële reden voor het concern te behouden deed hem veel pijn.

De gedachte dat die naam als educatieve uitgever zou verdwijnen – in de stad Groningen nog wel – en dat het bedrijf daar voortaan alleen onder de naam van het veel kleinere Noordhoff zou voortbestaan, kon hij, evenals ik, moeilijk verdragen. Dat bracht hem ertoe om een bijzondere, origineel vormgegeven nieuwjaarskaart te maken met een zeer doordachte eenheid van tekst en illustratie, waarin zijn diepe teleurstelling over deze betreurenswaardige gang van zaken duidelijk tot uitdrukking kwam.

Behalve producent was De Groot ook consument. Hij had een omvangrijke bibliotheek, afgestemd op zijn brede belangstelling. Maar naast lezer was hij een echte verzamelaar. Het was een genoegen te zien hoe hij een boek in de hand nam, het aandachtig keurend bekeek, de band of het omslag streelde, het opende, weer opkeek en dan zijn duidelijk oordeel gaf over de kwaliteit van de uitvoering of de inhoud.

Geleidelijk aan, zonder ophef, had hij een aanzienlijke verzameling boeken met bijzondere banden bijeengebracht, met een scherp oog voor kwaliteit en met kennis van zaken gekozen, uit de negentiende eeuw, maar voornamelijk het einde van die en de eerste decennia van de volgende eeuw, de periode van de renaissance van de Nederlandse boekdrukkunst, Art Nouveau en Art Deco. Dat betrof in de eerste plaats een prachtige afgeronde collectie kinder- en jeugdboeken. Die collectie van circa 800 delen die bijeen moet blijven, heeft hij met veel andere werken uit die periode geschonken aan het Drents Museum. Daar vormt zij een zeer waardevolle aanvulling op de kort daarvoor verworven collectie Aardse met haar circa 4000 Art Nouveau en Art Deco banden en omslagen. Mede hierdoor beschikt het Drents Museum nu over een der meest complete verzamelingen Nederlandse boekdrukkunst uit de periode 1885-1935.

Zowel in zijn beroep als uitgever en ook als particulier heeft hij steeds intensief gebruik gemaakt van de Universiteitsbibliotheek waarmee hij een nauwe band onderhield. Lang was hij ook bestuurslid van de Vereniging Vrienden van de Universiteitsbibliotheek. In het verleden had hij al veel boeken geschonken, maar na zijn dood werd daar nog eens een aanzienlijke collectie negentiende-eeuwse boeken met bijzondere banden aan toegevoegd.

Op de foto boven dit levensbericht staat hij op het Academieplein tussen het oude pand van J.B. Wolters (nu van de Open Universiteit), de Universiteitsbibliotheek en het Academiegebouw: drie plaatsen die in hoge mate zijn leven hebben bepaald.

Vastgesteld kan worden dat Jan de Groot iemand was die veel tot stand heeft gebracht en voor velen van betekenis is geweest. Hij heeft het niet altijd gemakkelijk gehad en was ook niet altijd gemakkelijk, niet voor zichzelf en niet voor anderen. Hij was een man met een ordenend en organiserend vermogen – soms iets te veel – die graag alles zelf onder controle wilde houden en die algemeen waardering en respect genoot, ook omdat hij volstrekt integer was.

Hij overleed op 18 januari 2008, twee dagen voor zijn achtenzeventigste verjaardag. Met hem en gedreven mens en hartstochtelijk boekenman heengegaan: dienaar en bedienaar van het gedrukte woord. Behalve in de herinnering zal hij in zijn uitgaven en geschriften voortleven.

Wim Koops

Bij het schrijven van dit levensbericht is mede gebruik gemaakt van de publicaties In memoriam Jan de Groot 1930-2008, met de toespraken die werden gehouden tijdens de afscheidsplechtigheid in het crematorium te Groningen (dus toch nog een ‘tiende deeltje’) en Bedumerweg 106. Herinneringen van Johan en Carolus [zijn beide broers], uit 2003.

Voornaamste geschriften

  • ‘Taal en teken toen en nu.’ In: Ik blijf werken. Orgaan van de bedrijfsvereniging J.B. Wolters’ Uitgeversmaatschappij N.V. Groningen. Jubileumnummer 1836-1961. Groningen 1961, p. 91-94.
  • Schrijven-en gelezen worden. Groningen 1968.
  • ‘Mijn grootste blunder, of: Het vuur dat.’ In: Jan Meilof, Riek Spanjer-de Ruyter en Jan de Groot (red.), De ajc… Dat waren wij. Herinneringen van oud-leden. Haarlem 1985, p. 54-56.
  • Schoolboeken tussen uitgeverij, onderwijs en overheid. Groningen 1988.
  • ‘“Een zonderling leerboek van den heer Verdenius”. Deining over een Duitse literatuurgeschiedenis in de jaren dertig.’ In: L.J. Engels e.a. (red.), Bibliotheek, wetenschap en cultuur. Opstellen aangeboden aan Mr. W.R.H. Koops bij zijn afscheid als bibliothecaris der Rijksuniversiteit te Groningen. Groningen 1990, p. 433-454.
  • J. de Groot en F.R.H. Smit, ‘De uitgeverijen J.B. Wolters, P. Noordhoff en Wolters-Noordhoff.’ In: P.H. Broekhuizen e.a. (red.), Van boerenerf tot bibliotheek. Historisch, bouwhistorisch en archeologisch onderzoek van het voormalig Wolters-Noordhoff complex te Groningen. Groningen 1992, p. 33-63.
  • Schoolboeken in bezettingstijd, een terugblik. Groningen 1995.
  • Bosatlas; ‘nationaal monument’. P.R. Bos anderhalve eeuw na zijn geboortejaar herdacht. Groningen 1996.
  • M.J. Koenen en zijn Handwoordenboek. Een herdenking in tweevoud. Groningen 1997.
  • Susanne Heynemann en het schoolboek. In: Susanne Heynemann, Typografe. Den Haag/ Groningen 1998, p. 128-138.
  • ‘Kun je nog zingen, zing dan mee!’ als lieu de mémoire. Groningen 1998.
  • ‘Jacobus Bernardus Drewes 1907-1994.’ In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden. Leiden 1999, p. 85-93.
  • ‘Ad en de Stichting Onderzoek ajc’ In; Jan de Groot, Joost de Moor en Cok Pels (red.), ‘En nooit groeien de einders dicht.’ Ad van Moock 1915-1996, een levensschets. Haarlem 1999, p. 48-52.
  • ‘Het Boek voor de Jeugd’, een goudmijn uit de jaren dertig. Groningen 1999.
  • ‘Wij, ons werk, ons leven’, een geïllustreerd sociaal-democratisch familieblad, 1935-1942 Groningen 2000.
  • Jaren van vriendschap. Een terugblik op de Arbeiders Jeugd Centrale (ajc), 1918-1959. Groningen 2003.
  • E.B. ter Horst Jr: (1865-1905), uitgever van Ot en Sien. Groningen 2004.
  • ‘De Notenkraker’. Korte schets van een ‘politiek-satyriek weekblad’, 1907-1936. Groningen 2006.
  • ‘De “Herinneringen” van J.H. Schaper.’ In: Edwin Bloemsaat, Liesbeth Bloemsaat-Voerknecht en Jan de Groot (red.), Een Beeld van een Boekenclub. Opstellen over verzamelen en lezen. Groningen 2007, p. 48-58.
Share on facebook
Share on twitter
Share on email