Jan de Groot | 1930 - 2008

De Centrale, financier van de ‘rode familie’

Honderd jaar geleden, op 13 februari 1904, werd in Den Haag een nieuwe levensverzekeringsmaatschappij opgericht, die officieel de naam ‘De Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank’ meekreeg, maar met de roepnaam ‘De Centrale’ bekendheid verwierf.

De oprichting van De Centrale was in het begin van de twintigste eeuw allesbehalve zonder problemen verlopen. De leiding van SDAP (1894) en NVV (1905) was in het begin niet zo ingenomen met het plan van een nog niet eens meerderjarige jongeman, Nehemia de Lieme, om zich aan levensverzekering te gaan wagen. Hij had z’n ‘kantoortje’ nota bene op de bovenverdieping van het huis van z’n ouders. Wat moest dat worden? Dat de jeugdige zakenman, ofschoon zelf eerder sociaal voelend liberaal dan socialist, te kennen had gegeven met zijn klantenwerving te willen aanleunen tegen de ‘rode familie’ mocht niet op de instemming van Troelstra rekenen: ‘Geen kapitalistisch gedoe in onze gelederen, met alle financiële en morele ellende van dien’, oordeelde hij. Ook Wibaut toonde zich sceptisch. Het politieke argument om ‘tegen’ te zijn was, dat zo’n particuliere onderneming de strijd voor goede wettelijke regelingen voor pensioen, ziekte, enz. als taak van de overheid zou dreigen te ontkrachten.

Maar toen De Centrale 25 jaar bestond –nog steeds onder leiding van De Lieme, die tot zijn dood in 1940 de touwtjes strak in handen hield- dacht de hele ‘rode familie’ er wel anders over. Het ijveren voor betere sociale voorzieningen had van De Centrale geen last ondervonden, integendeel, en ‘kapitalistisch gedoe’ was waarachtig geen kenmerk van het ondernemingsbeleid geweest. Troelstra erkende ruiterlijk: ‘Hulde aan u allen die dit groote werk hebt tot stand gebracht en met name uwen bekwamen en energieken directeur De Lieme, wiens groote verdiensten door steeds meerderen worden erkend en gewaardeerd.’ En R.Stenhuis, de voorzitter van het NVV, had in Het Jonge Volk van 20 april 1923 toegegeven, dat zónder De Centrale het NVV en de SDAP, na het gebleken succes, niet zo royaal hadden kunnen zijn, en dat dan de AJC nog zeker jaren op de bouw van de Paasheuvel had moeten wachten.

Hoe vleiend dit alles voor De Lieme ook was, hij heeft er een eer in gesteld om de hardnekkige pogingen van SDAP en NVV zich van een plaats in de Raad van Commissarissen te verzekeren consequent te blokkeren. Kennelijk was hij de tegenwerking in de beginfase nog niet vergeten. En bovendien wilde hij schenker en begunstigden ieder hun eigen rol laten spelen, dus zelfstandig blijven. In beleidszaken inspraak gunnen aan zijn eigen mensen behoorde overigens evenmin tot zijn eigenschappen, zoals Philip van Praag kon getuigen: de latere hoogleraar was van 1937 tot 1946 bij De Centrale werkzaam (‘met onderbreking’, zoals hij onderkoeld opmerkte).

Wat was nu de oorzaak van dit gewijzigde standpunt van partij en vakbeweging en wat maakte De Centrale, vergeleken met anderen in dezelfde branche, nu zo bijzonder? Dit: dat De Centrale, toen het waagstuk aan de kinderziektes was ontgroeid, géén gewone ‘kapitalistische” verzekering bleek te zijn geworden, maar de arbeidersbeweging tot steun wilde zijn, zoals die zich in steeds meer geledingen begon te manifesteren. Daartoe was in de statuten vastgelegd dat een flink gedeelte van de winst moest worden besteed aan het doel de ‘rode familie’ financieel de helpende hand te reiken. Vele van ‘onze’ organisaties, zowel op landelijk als op plaatselijk niveau, hebben van deze unieke doelstelling geprofiteerd. Na 1920 kregen SDAP en NVV, als ‘ouders’ van de familie, ieder een derde van het beschikbare winstdeel. Het Troelstra-Oord in Beekbergen en het Instituut voor Arbeidersontwikkeling behoorden tot De Lieme’s troetelkinderen. De oprichting in 1935 van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam was zelfs ondenkbaar geweest als de financiering door De Centrale daarbij geen beslissende rol zou hebben gespeeld.

Tussen 1920 en 1990 werd ruim negentien miljoen gulden ter beschikking gesteld voor doelen met sociale en culturele strekking, bijna twee miljoen vóór 1940, de rest erna, uiteraard met uitzondering van de oorlogsjaren, waarin De Centrale tot haar schade onder Duits beheer stond. In de periode 1920-1939 ontving de AJC rechtstreeks van De Centrale aan schenkingen een bedrag van f 38.167.-, en aan renteloze leningen f 10.600.- (Bron: J.van Gerwen, De Centrale Centraal. IISG, Amsterdam, 1993). In de crisisjaren werd overigens voorrang gegeven aan de steun aan werklozen, deels via de AJC, zodat de muziek-, zang-, toneel- en sportliefhebbers in de familie tijdelijk met wat minder genoegen moesten nemen.

Toen de traditionele achterban in de jaren-vijftig en -zestig door de ‘ontzuiling’ steeds meer begon te versnipperen en verschrompelen, of zelfs geheel te verdwijnen, en dus aan samenhang, kracht en omvang inboette, was dat voor De Centrale aanleiding de maatschappelijke en culturele doeleinden wat breder en ook zakelijker te benaderen. Maar overboord gegooid werden ze niet, deze doeleinden. Hoe kon het anders: de directie was van 1949 tot 1968 in handen van Ir.H.Vos (1903-1972). Hein’s zusters Marie en Margot kregen in onze AJC-kring bekendheid door hun gedichten, maar ook hun veelzijdige, sociaal bewogen broer was zowel voor als na de oorlog bij ons in verschillende opzichten lang geen onbekende. Door de oude subsidielijnen, die hij principieel doortrok, konden o.a. de Wiardi Beckman Stichting, de scholingsactiviteiten van het NVV, de Stichting Ankerwerk, de Woodbrookers, het weekblad Vrij Nederland, overeind blijven en hun grondslag versterken.

De breedte waarop het nieuwe beleid zich richtte leidde ertoe dat het woord ‘arbeider’ in 1964 uit de officiële naam verdween. Ook ging de interne organisatie op de helling, en aansluitend ging men zich in de jaren-tachtig op schaalvergroting oriënteren. Dat had tot resultaat dat er in 1990 een fusie tot stand kwam, niet alleen met ‘Concordia’ (1907), gelieerd aan de Katholieke Arbeiders Beweging KAB, later NKV, nu met het NVV omgevormd tot FNV, maar ook met de Algemene Spaarbank Nederland. De uitkomst heette: Reaal, en die regelde het allemaal, zoals we via de televisiereclame weten. Hoewel het streven dus niet meer uitsluitend op de naar ‘zelfverheffing’ strevende arbeider is gericht, is er toch nog steeds financiële ruimte gereserveerd voor de nobele doelstelling van vroeger. Zo kwam bijvoorbeeld Jan Meilof’s boek Een wereld licht en vrij in 1999 mede tot stand dankzij de geldelijke steun van Reaal Verzekeringen NV, de verzekerings’poot’ van wat intussen -met vergroting van draagvlak en van commerciële reikwijdte- is uitgegroeid tot de bank- en verzekeringsinstelling SNS Reaal Groep.

Die heeft -zo is helaas de ontwikkeling- een heel andere identiteit gekregen, die niet meer zo duidelijk samenvalt met principieel sociaal-democratische keuzes. Daardoor kun je je voorstellen dat het moeilijker wordt winst te laten vloeien naar doelen die vreemd zijn aan de levenssfeer van belanghebbende aandeel-, rekening- en polishouders. Verwacht je wat anders, gezien het continue werven om de gunst van kapitaalverschaffers in de wereld van nu? Nee, dat niet, maar wel mogen we toch op z’n minst blijven wensen en hopen, dat er ook in de toekomst nog financiële marges overblijven voor idealen die verwant zijn aan die van de financier van de ‘rode familie’: De Centrale.

Jan de Groot

Share on facebook
Share on twitter
Share on email