Susanne Heynemann en het schoolboek

Bij de leerlingen voor wie ze zijn bedoeld mogen schoolboeken zich niet altijd verheugen in een grote populariteit. Het gebruik ervan berust tenslotte niet op eigen vrije keus, en evenmin staat voor alle leerlingen bij voorbaat en voor alle schoolvakken vast dat er belangstelling voor de gepresenteerde leerstof aanwezig is. Het symbool voor deze slechts betrekkelijke waardering is elke zomer bij het einde van de examentijd op straat waar te nemen: de schooltas of ander omhulsel, gevuld met boeken, als quasi-zondaars veroordeeld tot troosteloos bungelen aan een vlaggenmast.

Lees meer

J.B. Drewes (1907 – 1994)

Jacobus Bernardus Drewes begon zijn loopbaan als leraar Nederlands aan enkele middelbare scholen. Tijdens de oorlog actief betrokken bij het verzet tegen de bezetters, werkte hij na de bevrijding als uitvloeisel daarvan enige jaren bij het ministerie van Justitie, daarna tot aan zijn pensionering bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, respectievelijk Onderwijs en Wetenschappen. Hij heeft naam gemaakt met zijn filologische studies van de rederijkersliteratuur en met zijn bijdragen tot de lexicografie van het eigentijdse Nederlands.

Lees meer

‘Kun je nog zingen, zing dan mee!’ als lieu de mémoire

omslagkunjenog zingen

‘Bejaard meezingertje’

Ofschoon de radio niet aanstond, klonk ergens toch een lied. Buiten beeld zong een man onprofessioneel ”t Is plicht dat ied’re jongen, voor d’onafhank’lijkheid’ en waar hij het deed werd duidelijk toen zijn solo opeens werd overspoeld door het geluid van een doorgetrokken toilet. Even later kwam, zingend nog steeds, uit de ‘Heren’ een logge vent, met een op zijn achterhoofd geschoven sneehoed en de grote, harde jatten van een veekoopman. Hij liep naar de tap, keek naar me, stopte midden in een zin zijn bejaard meezingertje en zei tegen de kastelein: ‘Geef die man wat van me. Die man heeft het moeilijk. Geef hem maar wat van boven de gulden. Een koetsiertje mag ook’.

En zijn hoofd in mijn richting draaiend: ‘Wil je een koetsiertje?’

‘Nee, ’t is nog te vroeg’, antwoordde ik.

‘Nee, ’t is nog te vroeg’, herhaalde hij. ‘Zeg je dat straks tegen Magere Hein ook?’

S.Carmiggelt, Ik red me wel (Arbeiderspers, Amsterdam, 1984)

Kun je nog zingen, zing dan mee’. als lieu de mémoire 

verscheen tergelegenheid van de jaarwisseling 1998 – 1999 alsw nieuwjaarsgroet aan familie, vrienden en relaties. De tekst werd speciaal voor dit doel geschreven.

Inleiding 

Tijdens de wereldkampioenschappen-voetbal viel bij de wedstrijd Nederland-Joegoslavië op 29 juni 1998 niet alleen iets spannends te zien, maar ook iets verrassends te beluisteren. Op de tribunes waar de Oranje-supporters zich hadden verzameld werd ter aanmoediging een – gezien het normale repertoire – opmerkelijk lied gezongen: Waar de blanke top der duinen, met als inspirerende slotregel: ‘k Heb u lief, mijn Nederland! (bis). Onze jongens wonnen dan ook met 2-1.

Niet minder opmerkelijk is het dat dit ijzersterke nummer al een eeuw eerder voor het eerst ten gehore werd gebracht. Het lied werd geschreven en op muziek gezet ter gelegenheid van de kroningsfeesten bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, een week na haar achttiende verjaardag in 1898. De liederenschat waarvan deze honderdjarige deel uitmaakt behoort op zijn beurt tot een grote verzameling lieux de mémoire: het geheel van collectieve herinneringen in een door taal, grondgebied, cultuur en geschiedenis verbonden gemeenschap, ons volk. ‘Plaats’ dient dan figuurlijk opgevat te worden, zodat ‘lieux’ niet alleen naar locaties maar ook naar objecten, gebeurtenissen en personen kan verwijzen, dus naar al datgene dat de generaties meer of minder verbindt en het natiebesef in letterlijke en figuurlijke zin kleur geeft: ‘Oranje’, ‘aap-noot-mies’, Indië, de Amsterdamse grachten, de Vrede van Munster, de Koninklijke Bibliotheek, ‘de Nachtwacht’, Abe Lenstra. De ‘inkleuring’ bestrijkt een omvangrijk en gevarieerd gebied.

Ook een boek kan een lieu de mémoire zijn, een woordenboek als Koenen, zowel persoon als object, is daarvan een voorbeeld, de Bosatlas als ‘nationaal monument’ een ander. In dit werkje gaat het over een boek dat dateert uit 1906 en dat eveneens past in het hierboven aangeduide beeld: Kun je nog zingen, zing dan mee!

Bijna een eeuw geleden behoorde het laten verschijnen van deze zangbundel ongetwijfeld tot de gelukkigste beslissingen die bij de uitgeverij P.Noordhoff zijn genomen. Wolters-Noordhoff mag deze vitale hoogbejaarde, nu in zijn 41ste druk, nog steeds tot een bijzonder onderdeel van het fonds rekenen. De ‘auteurs’ zijn als lieu de mémoire ditmaal ondergeschikt aan de aanduiding van het product zelf, omdat het niet de namen van J.Veldkamp en K.de Boer maar de beide zinnetjes van de titel zijn die in het bewustzijn van vele Nederlanders bijna als een spreekwoord voortleven, wat ook tot varianten leidt, die over de herkomst niets te raden overlaten.

Kun je nog snikken, snik dan mee, schreef M.van Rossem, over iets laakbaars, in de Volkskrant van 16 september 1997, één voorbeeld uit vele. Nog één, om even over na te denken: C.Buddingh’ gaf een boekbespreking in Een pakje per dag (Utrecht, 1967) de titel Kun je nog huilen, lach dan mee. Zeg tegen iemand: Kun je nog zingen, en je zult dikwijls de tweede helft als reactie krijgen: …zing dan mee. Bij ouderen is de score het hoogst, waaruit volgt dat onze nationale herinnering geen constante grootheid vormt die te allen tijde bij alle generaties dezelfde is. In ons geval: bij wie de liederen uit deze bundel op school of in het gezin zelf nog gezongen heeft kun je een grotere bekendheid verwachten dan bij de jongere generaties, die met andere liedjeskeuzes zijn opgegroeid of nog middenin deze groei zitten. De vraag welke keuzes dat dan zijn moet ik hier laten rusten.

De in 1885 geboren schrijfster Annie Salomons herinnert zich in haar boek Toen en nu. Herinneringen uit een lang leven (Den Haag, 1962): ‘Mijn lievelingslied was: In berg en dal klinkt hoorngeschal, Waar duizend bloempjes bloeien, Daar ruist en bruist de waterval, En honderden druppels blinke’ overal, Om ieder bloempje te besproeien, Ook ’t kleinste’. Oudere lezers zullen niet alleen onmiddellijk opmerken dat hier twee liedjes door elkaar zijn gehaald, maar ook dat bijna alle regels afwijken van de authentieke teksten, soms ook ritmisch. Geen geheugen is onfeilbaar.

Een andere Annie schrijft in haar herinneringen: ‘We zongen altijd het geijkte repertoire uit Kun je nog zingen, zing dan mee! Daar was dan een verplicht nummer: ‘Hoe zachtjens glijdt ons bootje’ en op deze dag was het: ‘In ’t groene dal, in ’t stille dal’. Aldus Annie M.G.Schmidt in Wat ik nog weet (Amsterdam, 1984). Maar ook jongere Nederlanders dragen versregels uit dezelfde bron met zich mee. Arjan Kors gaf zijn dissertatie de titel ’t Is plicht dat ied’re jongen. Geschiedenis van de dienstplicht in Nederland (1996), het vervolg van de tekst Aan d’onafhank’lijkheid van zijn geliefde Vaderland zijn beste krachten wijdt bekend veronderstellend. In het verhaal Kun je nog zingen uit de bundel Met dichtgeknepen keel (1978) laat Hans Dorrestijn iemand achter de piano zitten om de eerste akkoorden van ’t Boerinnetje van voorheen aan te slaan: Daar loopt door ’t gehucht een wonder gerucht, Het is van een jonge boerinne (en dan lachte de tortel haar na, ha ha ha, denk je er dan zelf bij). Het was Remco Campert op z’n vakantie in Frankrijk een doorn in het oor: ‘een paar avonden klinkt door berg en dal discogeschal’ (de Volkskrant, 12 augustus 1998).

En Renate Dorrestein, bezig met een lange-afstandswandeling, verwijst als volgt naar een onsterfelijk lied: ‘De malende motoriek van het onophoudelijk de ene voet voor de andere zetten bracht mij zinloze, zich urenlang herhalende dwanggedachten, zoals ‘Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein, zijn naam is klein’ (NRC Handelsblad, 25 september 1998). Kortom: de inhoud van Kun je nog zingen, zing dan mee! is allerminst dood.

Een opmerkelijk feit: juist de liedjes die in deze bundel opgenomen zijn hebben tot in onze tijd een zekere bekendheid behouden. Andere, soms van dezelfde tekstdichters en componisten, hebben geen of minder sporen achtergelaten, omdat de zangbundels waar ze in voorkwamen reeds lang van het toneel zijn verdwenen. Wie was de uitgever aan wie we dit unieke uitgeverssucces te danken hebben? En wie waren de twee onderwijzers die aan het boek mede hun naam gaven? Dat zijn de eerste vragen die ik in kort bestek ga beantwoorden. Daarna wil ik het een en ander in de herinnering terugroepen over de meest prominente tekstdichters en daarna over de componisten met de grootste reputatie door wie de teksten van een melodie werden voorzien. Want zo was doorgaans de volgorde van ontstaan. Kun je nog lezen, lees dan mee!

De boekhandel/uitgeverij van P. Noordhoff 

Popko Noordhoff, geboren in 1833, begon in 1858 in de Herestraat te Groningen een boekhandel, 22 jaar nadat Jan Berends Wolters (1808-1860) hem was voorgegaan met de oprichting van een ‘boek- en papierwinkel’ in de nabijgelegen Guldenstraat, ruim tien jaar later verplaatst naar de noordzijde van de Grote Markt.

Inmiddels uit hun eerdere panden gegroeid, werden de beide boekhandels/uitgeverijen in 1869 buren in de Oude Boteringestraat, en dat is zo gebleven tot aan de fusie in 1968, in welk jaar door middel van een manshoog gat in een door aankoop van aangrenzende panden gemeenschappelijk geworden muur het samengaan op symbolische wijze ook ruimtelijk z’n beslag kreeg. Afzonderlijk hadden de twee bedrijven lange, vaak parallel lopende, wegen afgelegd. P.Noordhoff was in 1863 getrouwd met de jongste dochter van Berend Brugsma, één van de Groninger grondleggers van de Nederlandse volksschool, de eerste directeur van de Rijkskweekschool te Groningen van 1861 tot aan zijn dood zeven jaar later. Hij was bewoner en eigenaar van het perceel Oude Boteringestraat nr 12, dat na zijn overlijden woonhuis van het echtpaar Noordhoff-Brugsma werd en tevens bedrijfspand van de uitgeverij.

Bij de vele verdiensten van Popko’s schoonvader werd hij in het bijzonder om zijn zangonderwijs geroemd; in zijn huis werd in de kring van familie en vrienden veel gezongen. Zelf had Brugsma in 1854 bij Schierbeek te Groningen al een Handleiding bij het zangonderwijs in de lagere school uitgegeven. Is zijn schoonzoon door dit familiale toeval als uitgever gestimuleerd tot het opbouwen van zijn uitgebreide zang- en muziekfonds In ieder geval zal de onderwijswet van 1857, die onder meer zingen (en geschiedenis) verplichtend stelde, als zakelijke basis voor de uitgever niet zonder betekenis zijn geweest.

De door hem uitgegeven zang- en muziekwerken voor school en huisgezin berustten niet in de laatste plaats op het aandeel dat Richard Hol, befaamd muziekpedagoog, dirigent en componist van vele kinderliedjes, daarin had. Zijn vierdelige Handleiding bij het zangonderwijs, inzonderheid op de scholen: De jeugdige zanger (1875) treffen we nog aan in de Noordhoff-catalogus van 1926 (16e druk). Op deze voor Noordhoff zo belangrijke auteur kom ik verderop nog terug. Toen Popko Noordhoff in 1903 overleed waren er niet minder dan achthonderd boeken door hem uitgegeven, waaronder Heukels’ Schoolflora van Nederland (1883), die nog steeds, maar met een licht gewijzigde titel, bij Wolters-Noordhoff besteld kan worden.

Als een van de zeven kinderen volgde Jaap Noordhoff (1870-1942) zijn vader op als directeur van de tot ‘n.v.Erven P.Noordhoff Uitgeverszaak’ omgedoopte uitgeverij, nadat hij al een aantal jaren in het bedrijf werkzaam was geweest. Hij bouwde krachtig voort op de sterke basis van wat z’n vader tot stand had gebracht, en wist vooral op het gebied van wiskundige wetenschappelijke werken, tijdschriften en wiskundeboeken voor de school (P.Wijdenes, als tegenhanger van Van Thijn bij J.B.Wolters), handelswetenschappen en leesonderwijs tot sterke marktposities te komen. Daarin werd hij gesteund door een pragmatisch ontwikkeld vermogen tot commercieel denken, dat naar mijn indruk door Wolters wel eens met onvoldoende gefundeerd superioriteitsgevoel lichtelijk werd onderschat. Natuurlijk had ‘j.b.w.’ ook wel het een en ander om op te kunnen bogen.

Sterke pijlers van buurmans fonds waren mensen als J.Worp met zijn vele zang- en muziekuitgaven, sommige met een zeer lang leven, B.J.Douwes met zijn zangmethode, de op scholen veel gebruikte Liederkeur van G.C.Weeren, Ons Liedeboek door J.Pelser en G.J. van Zanten, een speciaal voor christelijke scholen en gezinnen samengestelde bundel, de Jubileumbundel van de Nederlandsche Vereeniging voor den Volkszang op de school (1932), enz.. Kun je nog zingen, zing dan mee! heeft echter alle concurrenten het hoofd weten te bieden.

Kijkend naar het fonds in zijn geheel kan men vaststellen dat Jaap Noordhoff tot aan zijn aftreden in 1936 de uitgeverij tot grote bloei heeft gebracht 3.500 titels laten verschijnen in ruim dertig jaar is geen kleinigheid, vooral niet als een voldoend aantal daarvan ook nog verkocht blijkt te kunnen worden , soms ook door dingen niet te doen, zoals het erop na houden van een eigen grafisch bedrijf en een eigen binderij, en in plaats daarvan ‘in te kopen’ naar behoefte. Na het terugtreden van de zoon van de oprichter kwam de leiding in handen van twee van diens vier kinderen: J(aap) en de tot aan 1968 in functie gebleven zoon drs.F.C.(Frits) Noordhoff, die op 20 september jongstleden 95 jaar is geworden.

Deze derde generatie is de laatste geweest die in de uitgeverij een rol van betekenis heeft gespeeld. Opvolgers uit de familie zijn er niet geweest, maar de naam Noordhoff blijft, met die van J.B.Wolters, voortleven als drager van een diep gewortelde traditie, waarop tot op de huidige dag wordt voortgebouwd. Na deze beknopte schets van de uitgeverij die Kun je nog zingen, samen met de samenstellers, tot zo’n groot succes heeft gemaakt, zullen we nader met de heren Veldkamp en De Boer kennismaken. 

Over de samenstellers

Door de dominantie van de zelfgekozen titel van hun werk boven hun eigen namen hebben Veldkamp en De Boer het niet tot dezelfde bekendheid gebracht als enkele andere onderwijzersduo’s die, eveneens omstreeks de eeuwwisseling, met hun baanbrekende publicaties het onderwijs nieuwe wegen hebben gewezen: ‘Ligthart en Scheepstra’ voor het aanvankelijk leesonderwijs, ‘Heimans en Thijsse’ voor de natuurstudie. Vergeleken met deze pioniers stonden zij niet als echte vernieuwers met dezen op één lijn.

Hun verdienstelijke arbeid is daarvoor misschien toch te veel een geslaagde bloemlezing uit het werk van ánderen, waarmee overigens niet beweerd is dat het selecteren van datgene waar onderwijs en volkszang behoefte aan bleken te hebben een bezigheid van weinig allooi moet heten, integendeel. En zeker hadden beiden hart voor de zang, in en buiten de school.

Jan Veldkamp werd in 1868 geboren in Hollandscheveld, vlak bij Hoogeveen, Klaas de Boer in 1865 in Hoogeveen zelf. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij elkaar al op de kweekschool of kort daarna hebben leren kennen, want reeds in 1889 verliet Veldkamp de provincie Drente, na zijn benoeming tot onderwijzer aan een lagere school te Amsterdam, waar hij tot aan zijn overlijden in 1946 is blijven wonen.

De ‘klassiek’ te noemen plaats van ontmoeting met de vrouw met wie hij zou trouwen was de zangvereniging Orpheus. De daar opgedane ervaring met het koorwezen zou hem later van pas komen toen de bundel Kun je nog zingen, zing dan mee! waar het oeuvre mee begon weldra werd uitgebreid met, onder meer, een uitgave voor ‘gemengd koor’: een veertigtal liederen, uit de eersteling geselecteerd. ‘Het schoollied klinke ook buiten de school! Daar vormen de duizenden zangers en zangeressen een krachtig bolwerk tegen den banalen straatdeun’ (1909).

Het echtpaar Veldkamp kreeg twee kinderen, Cor en Berend. De laatste nam samen met De Boers zoon Bram na het overlijden van de beide vaders de zorg voor hun werk op zich, waarbij ze medewerking kregen van mevrouw M.M.Kleiterp-Smit te Groningen. In 1951 eindigde de relatie van de uitgeverij met de erven, doordat Noordhoff met een niet onaanzienlijke afkoopsom alle rechten op voortgezette exploitatie van hen overnam.

Klaas de Boer is altijd in de buurt van zijn geboorteplaats gebleven. In 1906 was hij, na op enkele Drentse scholen als onderwijzer te hebben gewerkt, ‘hoofd der school’ te Vroomshoop (Overijssel), circa 25 km ten zuiden van Hoogeveen, later werd hij in dezelfde functie benoemd in het Drentse Sleen. Te Assen is hij in 1943 overleden.

‘Wo man singt da lass dich ruhig nieder, Böse Menschen haben keine Lieder’. Zo beginnen de samenstellers het voorbericht bij de eerste uitgave van 1906, vijftig liederen bevattende, ’tweestemmig gezet in noten- en cijferschrift’. Van de waarheid van dit motto ben ik niet zo overtuigd. Konden we deze ontmaskeringsmethode ter lokalisering van het kwaad maar met een gerust hart toepassen. De ‘bozen’ zingen jammer genoeg ook, en niet eens altijd lelijk.

De auteurs bedoelden het in ieder geval goed: ‘Wij willen onzen leerlingen meegeven in het leven een groot aantal van de mooiste bekende liederen. Ze moeten de vaderlandsche liederen kennen: – bij feestelijke samenkomsten wil zich de vreugde gaarne uiten in gemeenschappelijk gezang; – in den huiselijken kring moeten ze met vader en moeder een aardig lied aanheffen, wat zulk een goede stemming geeft in huis; na het verlaten van het ouderlijk huis, en zelfs in het verre land, weerklinken de aangename herinneringen in het bekende lied.’

En ze vervolgen: ‘Zoo mogelijk moeten de leerlingen dit boekje in bezit krijgen. Misschien is dit door sparen te bereiken’. Een ontwapenend en welgemeend advies; de gedachte aan een dubbele bodem laat zich echter moeilijk verdringen, want het opvolgen van deze goede raad zou niet ten koste gaan van de verkoop: een uitgevers- én auteursbelang. De correspondentie met de uitgeverij toont ons vooral Veldkamp als ook commercieel denkend en handelend onderwijsman, waar Noordhoff veel profijt van trok. Buiten het gewone honorarium om – bij de eerste druk van 4.000 exemplaren kregen de samenstellers samen f200,-, bij de tweede druk van 6.000 exemplaren samen f300,- – ontving Veldkamp een extra beloning voor verrichte ‘colportagediensten’, zoals het in het contract van 1906 wordt genoemd.

In een vermoeid makende continue stroom lange brieven brengt hij er jarenlang verslag over uit: over de soms moeizaam verlopende, zelfs wel vergeefse, pogingen toestemming voor overname te krijgen uit bundels die bij andere uitgeverijen, onder andere W.Versluys en J.B.Wolters, waren verschenen; over mogelijkheden de verkoop te stimuleren; over z’n bezoeken aan boekhandels, waar hij bijna eigenhandig exemplaren van Kun je nog zingen in de etalages tentoonstelde, over z’n contacten met gemeentebesturen. Telkens als in het land nieuwe lijsten werden opgesteld van liederen die op de openbare scholen verplicht gezongen dienden te worden, kon je er staat op maken dat deze prompt in de eerstvolgende herdruk waren te vinden.

In 1909 verscheen bij Noordhoff zelfs een afzonderlijke uitgave welke alleen maar de 43 liederen bevatte die in Amsterdam en in nog enige andere steden tot het voorgeschreven repertoire waren gaan behoren. Ook leenden de auteurs met graagte het oor aan het Comité van Eenheid in den Volkszang, dat bij de telkens weer aangepaste herdrukken op zijn wenken werd bediend. Verder werden door hun toedoen in 1914 bij het begin van de Eerste Wereldoorlog 5.000 tekstboekjes kosteloos verstrekt aan de jongens die als soldaat geacht werden aan de onafhankelijkheid van hun geliefde vaderland hun beste krachten te wijden. Immers: Voor Koningin en Vaderland waakt ied’re jongen mee!

De activiteit ‘public relations’ had toen nog geen naam. Gelet op Veldkamps marktgerichtheid en zijn frequente contacten met Jaap Noordhoff verbaast het ons niet, dat hij in 1928 bij de Olympische Spelen in Amsterdam pleitte voor een speciale uitgave van Kun je nog zingen. Die kwam er: Tekstboekje voor massazang en tijdens de Olympische Spelen, zo luidde de wat kromme titel. (‘Ieder voorzie zich van dit handige en practische boekje en drage het in den zak bij de wedstrijden. Het brenge stemming door eendrachtig gezang!’). Het uitgaafje was voorzien van een omslag vervaardigd door c.b.v.: zoon Cor, die, door tandarts te worden in Soest, geen veelbelovende loopbaan als ontwerper is misgelopen.

Deze alerte aanpak, gecombineerd met het enthousiasme voor zang op school in verbinding met ’thuis’, liet de samenstellers geen ruimte voor een weloverwogen schoolse systematiek. Andere bundels maakten veel meer werk van ‘pedagogisch verantwoorde’ keuzes en rangschikkingen, bijvoorbeeld naar taalkundige of muzikale moeilijkheidsgraad. De bundel Kun je nog zingen, zing dan mee! deed dat nauwelijks, paste zich flexibel aan de marktkansen aan en kon zo tot het kristallisatiepunt worden dat hem in staat stelde zijn bijna spreekwoordelijk bestaan tot op de huidige dag te continueren. Alle andere bundels – en dat waren er vele – zijn intussen ter ziele.

‘Kun je nog zingen’ in veelvoud 

Dat ik over het aandeel van K.de Boer weinig gevonden heb en hem daardoor minder vaak apart heb kunnen noemen, betekent natuurlijk niet dat hij bij dit alles maar passief heeft toegekeken. Op z’n minst heeft hij er mede zijn naam aan gegeven, en natuurlijk meer dan dat. Toch deed hij niet met alles mee wat z’n collega ondernam.

Veldkamp had al in 1906 bij Noordhoff alleen een boekje met een twaalftal wandelliederen laten verschijnen: Naar buiten. Bovendien werkte hij samen met K.Veldkamp, zijn broer, belangrijk auteur bij J.B.Wolters, waar van diens hand een reeks werken op het gebied van spreekonderwijs en muziek het licht zag. Hun samenwerking leverde de weinig sprekende titel Van alles wat op (P.Noordhoff, 1914), een bonte stoet van allerlei soorten liedjes, waar zelfs een complete Volkszangbundel deel van uitmaakte (1924) .’Eldonejo P.Noordhoff, Groningen-Holando’ durfde het zelfs aan om van P.C.Brederode en K.Veldkamp een zanguitgave in het Esperanto te laten verschijnen: Simplaj kantoj kun facila akompano de fortepiano (1923). Broer Jan woonde te Amsterdam in die dagen in de Brederodestraat, zodat het vermoeden dat ook hier een broederlijke samenwerking aan de orde was niet iedere grond mist.

De vraag waarom De Boer hier buiten bleef laat ik rusten, om mij te beperken tot het bouwwerk zelf dat J.Noordhoff, J.Veldkamp en K.de Boer samen wisten op te richten op het fundament van de geslaagde start uit 1906: een uitgeefprestatie van formaat, niet het minst omdat de meeste titels vele keren zijn herdrukt. Een succes genereren is één, het continueren en verbreden is twee; dat gaat niet vanzelf, zoals een oud-uitgever kan getuigen. Sprekend voorbeeld van het voortduren van het succes: de zoveelste druk van het Tekstboekje, de letter f in het overzicht op pagina 22, reikt in de Noordhoff-catalogus van 1967 (!) tot het 630ste duizendtal.

Van de twaalf titels uit Brinkmans Catalogus van boeken 1911-1915 was in dat jaar nog steeds de helft leverbaar. Wil men enig idee krijgen van de omvang van de diversificatie, dan verwijs ik om ruimte te winnen naar de reproductie uit Brinkman. De letters l en m, daar niet gespecificeerd, stonden voor 21 series van samen vijftig uit Kun je nog zingen geselecteerde ‘Volksschoolliederen’, voor harmonie- en fanfare-orkesten geïnstrumenteerd door niemand minder dan de Eerste Luitenant- (later: Kapitein-) Directeur der Koninklijke Militaire Kapel van het Regiment Grenadiers en Jagers.

Om de kans op leveringsfouten te verkleinen had Noordhoff er genoeg aan dat de boekhandel bij bestellingen alleen maar de letter opgaf (plus het gewenste aantal, wel te verstaan). Enkele jaren later blijkt m dan de nieuwe bundel Algemeen bekende liederen met orgel- en harmoniumbegeleiding aan te duiden, zodat er bij de levering wel eens wat mis gegaan zal zijn. Het wás ook lastig, want bij bijna iedere herdruk veranderde weer bij elke uitgave het aantal opgenomen liederen.

De letter n deed haar intrede in 1938, gevolgd door een herziene uitgave in 1947: een Oranje-bundel met 33 liederen, geïllustreerd met foto’s en portretten, waar zowel het einde van de oorlog als de troonsafstand van koningin Wilhelmina in 1948 niet vreemd aan geweest zal zijn. En nog zijn we er niet. De letter f valt in tweeen uiteen: als f-2 wordt (zonder jaartal) verkrijgbaar gesteld een Tekstboekje voor massazang bij nationale feestdagen en sportwedstrijden, waarin, met een knipoog naar prins Bernhard, Mein Lipperland (‘Wie schön bist du, geliebtes Heimatland!’) en Wien Neêrlands bloed door d’âd’ren vloeit, Van vreemde smetten vrij, getoonzet door de Duitse componist J.W.Wilms, op de bladzijden 2 en 3 tolerant tegenover elkaar staan afgedrukt. Met de n hield de letteraanduiding op, maar niet de uitbreiding van het Kun je nog zingen-assortiment. Er verscheen, in 1939, een uitgave in cijferschrift, speciaal ‘voor Indië bewerkt’ door K.J.Stassen.

De latere actrice Wieteke van Dort, in 1957 naar Nederland gekomen, vormde zich een beeld van ons land door middel van plaatjes, maar vooral van de liedjes uit deze bundel. De woorden van het lied ‘Mijn Nederland’
Waar de blanke top der duinen,
Schittert in den zonnegloed,
En de Noordzee vriend’lijk bruisend,
Neêrlands smalle kust begroet,

konden haar daar overigens niet bij helpen, aangezien deze in de Indische editie waren vervangen door: ‘Mijn zonneland’:

Waar het wuivend loof der palmen
Van de kust den zeeman groet,
Waar de gouden padiehalmen,
Rijpen in den zonnegloed.

Bij Wolters-Noordhoff verscheen in de jaren tachtig een door mevrouw Van Dort samengestelde bundel Lang leve Kun je nog zingen, met erbij gezochte illustraties van J.B.Wolters’ coryfee C.Jetses uit diens oeuvre, weliswaar voor andere boekjes gemaakt, maar als sfeertekening bijdragend aan de charme ook van deze uitgave.

Noordhoff liet de bundel Kun je nog zingen, zing dan mee! Liederen voor jonge kinderen zelf al illustreren, eerst (1914) door Albert Geudens, die op een plaatje bij Zie de maan schijnt door de boomen (Heije/Viotta, straks meer over hen) de goedheiligman zich niet op een paard doet voortbewegen maar achter een ezel laat aanstrompelen.

Toch ademen deze tekeningen meer sfeer dan die in de latere uitgave van dezelfde bundel, waar Tjeerd Bottema, Noordhoffs ‘Jetses’, een misschien wel kinderlijker maar tevens minder artistieke stijl hanteerde. De oudste van deze twee uitgaven voor jonge kinderen is door de goede zorgen van Wim Schut, voorheen werkzaam bij J.B.Wolters en Wolters-Noordhoff, opnieuw bij Wolters-Noordhoff uitgegeven en deze versie is nog steeds verkrijgbaar. Schut zorgde er ook voor dat de 40ste druk van 1981 een prachtige jubileumeditie werd: een mooie band met een aquarel van Weissenbruch, versierde schut(!)bladen, het binnenwerk verlucht met vier kleurenreproducties van Jacob Maris en andere schilders van de Haagse School, elk over twee bladzijden.

In de nu lopende 41ste druk (120 liedjes, 176 blz., f57,50, isbn 9001 89360 0) heeft men deze illustraties achterwege gelaten. Het boek behield desondanks voor velen zijn aantrekkelijkheid: de laatste jaren worden er per jaar nog ongeveer 600 exemplaren verkocht, maar niet meer aan scholen, waar een geheel ander repertoire de voorkeur geniet. Voor het eerst na de oorlog was in de 40ste druk het lied van J.P.Heije/M.A.Brandts Buys

Hoû zee, hoû zee, hoû moedig zee!
Gij leus van onze Vad’ren

opnieuw opgenomen. Het was in de editie van 1941 geschrapt, omdat (weet iedereen dat nog?) deze eerste twee woorden door nsb-ers als groet werden gebruikt. Daar wilde men het boek niet mee verontreinigen. Wie dit stille protest tegen de bezettende macht maar onbeduidend vindt – ten onrechte, want je kon voor minder je leven op het spel zetten – wordt misschien meer geïmponeerd door het feit dat in 1941 nog 18.000 exemplaren, verder ongewijzigd, werden gedrukt en in de handel gebracht, nadat het gebruik van het hele werk, laat staan het opnieuw drukken, al door de censuurcommissie-Van Dam verboden was. Zelfs aan het vervangen of verwijderen van ‘deutschfeindlich’ geachte liedjes kon niet worden gedacht. Het waren er te veel.

Dichters, componisten, liederen 

Hoe ‘Kun je nog zingen, zing dan mee!’ ook werd uitgegeven, in octavo- of in zakformaat; met of zonder pianobegeleiding door de Haagse muziekleraar P.Jonker; voor school, koor of fanfare; met of zonder noten; met noten én cijferschrift dan wel noten óf cijferschrift, het maakt allemaal niet uit: altijd begint de bundel met het Wilhelmus.

Ons tegenwoordige volkslied wordt op de voet gevolgd door Wien Neêrlands bloed in d’âd’ren vloeit, Van vreemde smetten vrij, van Hendrik Tollens, populair dichter en eigenaar van een florissante verffabriek in Rotterdam, die er na 1813 een prijsvraag mee won, uitgeschreven omdat het nieuwe koninkrijk onder Willem i na de Franse tijd een volkslied nodig had. Het lied werd ook gezongen als ‘marschlied bij den Tiendaagschen Veldtocht’ tegen de Belgen in 1831.

Daar kon de infanterie even mee voort, want het telt niet minder dan acht coupletten, elk van acht regels. Veldkamp en De Boer lieten het bij drie coupletten, en heden ten dage zou je de creatie van Tollens/Wilms in een land met 9,4 procent allochtonen natuurlijk al helemaal niet meer met goed fatsoen als volkslied kunnen gebruiken. Het Wilhelmus heeft er zich trouwens nooit helemaal door laten verdringen, maar het heeft toch tot 1932 geduurd eer de regering onze huidige nationale hymne, de oudste in haar soort in Europa, officieel tot exclusief volkslied opwaardeerde.

De tegenwoordige melodie is overigens niet meer geheel gelijk aan de oorspronkelijke, doch dezelfde als de zangwijze uit Valerius’ Gedenck-Clanck van 1626. Er waren nog meer versies van. Koningin Wilhelmina heeft op Het Loo, als ware het een voorronde voor het Europees songfestival, eens alle varianten laten spelen. De uitslag is bekend. De melodie is eigenlijk het probleem niet, wel de woorden, want je moet vrezen dat in een land waar zelfs sommige leden van de Tweede Kamer niet beter weten dan dat Willem van Oranje omstreeks 800 bij Dokkum werd vermoord, veel mensen met de tekst geen raad meer weten. We zingen het lied zo’n beetje ‘over de woorden heen’, zoals kinderen doen die door J.P.Heije met Sinterklaas de woorden Makkers staakt uw wild geraas in de mond gelegd krijgen. Toch is het de moeite waard te proberen dit lied – ik bedoel nu speciaal het Wilhelmus – als lieu de mémoire zoveel mogelijk in ere te houden.

‘Van vreemde smetten vrij’: die voorkeur was een symptoom van de vaderlandsliefde die na Napoleon, als bestanddeel van de nationale opvoeding, overal werd aangewakkerd. Met nostalgie en niet zonder pathos werd alom in herinnering geroepen hoe navolgenswaardig onze ‘vaderlandsche’ historie wel was, met haar rijke zeventiende-eeuwse cultuur, respectabele ondernemingsgeest en persoonlijke heldendaden, veelal ter zee, als symbool van onze nationale kracht. Met deze lieux de mémoire zou de oude cultuur kunnen dienen als energiebron om er vernieuwing mee aan te jagen. Dit romantisch getinte nationalisme is als uitdrukkingsvorm van een nieuw saamhorigheidsbesef duidelijk bespeurbaar in (onder meer) de zang- en toonkunst.’Paukenslagen en breed gezongen fortissimo’s’ moesten de burgerij tot grotere daadkracht aanzetten.

Niet alleen de volkszang werd geacht aan dit verheven doel dienstbaar te zijn. Schrijvers van jeugdverhalen, veelal getalenteerde (oud-)onderwijzers, onderstreepten met hun historische themakeuzes het belang van het bevorderen van de vaderlandse identiteit: P.J.Andriessen (1815-1874), auteur van een zeer omvangrijk oeuvre dat nagenoeg onze hele geschiedenis beslaat, en P.Louwerse (1840-1908), later Joh.H.Been, C.Johan Kieviet, E.Molt, J.Stamperius. Je treft in Kun je nog zingen nauwelijks een lied over een fragment uit ons verleden aan waaraan één van deze schrijvers niet tevens een – nu niet of nauwelijks meer gelezen – jeugdboek heeft gewijd.

Zo moest in lied en boek het tot bezinning uitnodigende verleden vergoeden wat de eigen tijd aan meeslependheid kennelijk miste. Ter illustratie daarvan geef ik uit de keuzes van Veldkamp en De Boer een bloemlezing, meestal door middel van slechts de eerste twee regels. Probeer zelf aan te vullen! Zingend kom je het verst, denk ik. We beginnen gemakkelijk.

Heb je van de Zilveren vloot wel gehoord,
De Zilveren vloot van Spanje?
Die had er veel Spaansche matten aan boord,
En appeltjes van Oranje!

Het vermanende woord aan het adres van de jongens-van-Oranje van toen zit in het slot:

Kwam er nu nog eenmaal zoo’n Zilveren vloot,
Zeg, zou jelui nog zoo kloppen?
Of zoudt g’ u veilig en wel buitenschoot
Maar stil in je hangmat stoppen?
enzovoort, tot en met:
Al bennen we niet groot, al bennen we niet groot,
We zouên winnen, nóg winnen de Zilvervloot.

De teneur van veel liederen van J.P.Heije is duidelijk: opwekking tot het ontwikkelen van volkskracht met behulp van verheerlijking van de zeeheldentijd. Denk ook aan: Naar zee, dat blijkens de zangaanwijzing, die sommige liederen vergezelt, flink uit de borst gezongen moet worden:

Ferme jongens, stoere knapen,
Foei! Hoe suffend sta je daar!,

waar hij Jan Courage aan Jan Salie ten voorbeeld stelt. Daar hoort de nationale driekleur bij:

Vlaggelied (De zangaanwijzing luidt hier: een weinig gedragen.)
O, schitt’rende kleuren van Nederlands vlag,
Wat wappert gij fier langs den vloed!

In het idioom van de dichter bevinden we ons dan niet ver van het ‘wit
uit de schuimende zee’, en de andere kleuren worden niet vergeten:
Of is niet dat blauw in zijn smetlooze pracht,
Der trouw onzer vad’ren gewijd? 

Een man, een Man – een woord, een Woord!
O fiksche leus van vroeger dagen!
(…….)
In Oost en West, in Zuid en Noord,
Werd Holland om die leus geprezen.
Voor wie al ging denken dat de boodschap alleen jongens en mannen gold:
Komt, knapen en meisjes, verheft nu in koor,
Den grond, die uw wieg heeft gedragen,

al dient eraan toegevoegd dat, in het verdere verloop van deze
‘verheYng’, van de jongens ‘moed en verstand’ wordt gevraagd, terwijl de meisjes niets anders hoeven te doen dan ‘sierlijke hand’ en ‘bevalligheid’ ter beschikking te stellen teneinde het Vaderland weer in d’ aloude positie van ‘sieraad der aarde’ terug te leiden. Maar het zijn toch vooral de Wakk’re jongens, Hollands trots! waar het van moet komen…

Zelfs in het luchtiger ‘gangspildeuntje’

Een scheepje in de haven landt,
Ho-jo! Ho-jo, ho-jo, ho-jo!

gaat het jolige gepaard met ernst, want het scheepje is wel gevuld met specerijen, door onze wakkere varensgezellen van verweg naar het Vaderland overgebracht.

Je krijgt bij dit alles wel enigszins het gevoel dat het verheven appèl bij een groot deel van de bevolking weinig of niet tot de verbeelding gesproken kan hebben: bij de slecht gevoede, slecht behuisde, slecht geschoolde mannen en vrouwen en de tot vroege dienstbaarheid gedwongen kinderen van die tijd, en hun noden. Het goedbedoelde moralisme moet haast wel over hun hoofden heen zijn gegaan. Maar het ging bij Heije niet altijd maar over de schatten van overzee en onze fiere driekleur. In andere teksten van zijn hand blijken liefde voor de natuur en godsvertrouwen. Aan dit laatste motief ruimden Veldkamp en De Boer wijselijk niet meer dan een passende plaats in, andere bundels, zich nadrukkelijk afficherend als ‘bestemd voor het christelijk onderwijs’, selecteerden eenzijdiger. Van de natuurteksten moet natuurlijk allereerst De kleinste worden genoemd:

In ’t groene dal, in ’t stille dal,
Waar kleine bloempjes groeien,
Daar ruischt een blanke waterval,
En druppels spatten overal,
Om ieder bloempje te besproeien,
Ook ’t kleinste (bis).
Van de bloempjes naar de vogels:
Klein vogelijn op groenen tak,
Wat zingt g’ een lustig lied!
En verder mag natuurlijk niet ontbreken:
Wie rusten wil in ’t groene woud,
Wie rusten wil met lusten.
En dan het zo droevig aflopende:
Een karretje op den zandweg reed,
De maan scheen helder, de weg was breed.
Enzovoort, enzovoort.

De arts en dichter dr. Jan Pieter Heije (1809-1876) was een buitengewoon actief en productief man. Hij was lid van het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, opgericht in 1784, die zich sterk maakte voor het ‘algemeen volksgeluk’, en zodoende het onderwijs, en daarin in het bijzonder het zingen, als een heilzaam onderdeel van de nationale opvoedingsarbeid beschouwde. Zij gaf daaraan onder meer uiting door het oprichten van volkszangscholen en ook door eigen publicaties en liederenboeken.

Van het befaamde lied van de Zilvervloot en Piet Hein was voor het eerst kennis te nemen in dat deel van de Enkhuizer Almanak dat voor bijdragen van ‘het Nut’ werd gereserveerd. Heije was bovendien jarenlang als lid/secretaris van het hoofdbestuur van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst de initiatiefnemer bij vele activiteiten in allerlei sectoren van het muziekleven. Een levensbericht en een portret van hem werden, ’ten voordeele van de J.P.Heije-Stichting’, in 1908 uitgegeven door J.B.Wolters. Heije’s naam verwijst hier naar een onderdeel van zijn medische en sociale beroepsuitoefening: aandacht voor het opvoeden en verzorgen van psychisch minder begaafde kinderen. Hij was een veelzijdig man, met hart voor zijn medemensen.

De meeste van de totnutoe genoemde teksten zijn op muziek gezet door dr. J.J.Viotta (1814-1859), een Amsterdamse arts van Italiaanse afkomst, beroep en vrijetijdsbesteding met elkaar verbindend in zijn proefschrift over de menselijke stem, beschouwd vanuit medisch en muzikaal oogpunt. Mr. Henri Viotta schrijft over zijn vader in het tweede deel van zijn Handboek der muziekgeschiedenis (H.D.Tjeenk Willink, Haarlem, 1916): ‘Hoewel de kunst niet als vak beoefenend, was zijn talent als musicus toch zóó groot, dat hij onder de kunstenaars van zijn tijd zeer hoog aangeschreven stond. De zorgen eener drukke praktijk vermochten de liefde voor muziek en zang niet bij hem uit te dooven.’ Dr.Viotta was voorzitter van het hoofdbestuur der Maatschappij tot bevordering der Toonkunst, en evenals Heije ook bij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen geen onbekende. Met deze collega verbond hem niet alleen een trouwe vriendschap, maar ook ‘groote liefde voor de Maatschappijen waaraan zij hun beste krachten gaven’. Aan de combinatie van hun talenten hebben wij een aantal nog steeds niet vergeten liederen te danken.

Ook Richard Hol (1825-1904), dirigent van Amstels Mannenkoor, directeur van de Muziekschool te Utrecht, muziekpedagoog, organist, componist en voor P.Noordhoff een belangrijk man als auteur van muziekboeken voor het onderwijs, heeft sommige teksten van Heije van een melodie voorzien. Tot zijn bekendste composities behoort ook:

De paden op, de lanen in,
Vooruit met flinken pas,

met in het vervolg de blije regel: Ons groet der voog’len zang, wat heel wat anders is dan: ‘De zang van de vogels groet ons’. Deze tekst is van de onderwijzer A.L. de Rop. Van dezelfde tekstdichter en dezelfde componist: In een blauw geruiten kiel, Draaide hij aan ’t groote wiel.

Eveneens van Richard Hol is de melodie bij Waar de blanke top der duinen, met tekst van P.Louwerse. Voor Hols ook al eerder genoemde Boerinnetje van voorheen leverde W.J. van Zeggelen de woorden.

Richard Hol heeft voor het lied en voor de koorzang veel betekend. Na in Amsterdam muzikaal veelzijdig werkzaam te zijn geweest, kwam hij aan het hoofd te staan van het muziekleven in Utrecht, waar hij ‘het concertwezen in hoogere banen voerde’. Ook als organist maakte hij naam.

J.Worp (1821-1891) was muziekleraar aan de Rijkskweekschool in Groningen, waar hij tientallen jaren organist in de Martinikerk is geweest. Van zijn door J.B.Wolters uitgegeven omvangrijke oeuvre: zangmethodes, orgelcomposities, leerboeken, zijn sommige van zijn Koraalboeken met hun zware zwarte linnen banden tot ver na de tweede wereldoorlog leverbaar gebleven, evenals zijn Algemene Muziekleer, waar ik – persoonlijk detail – in de late jaren vijftig als productiemedewerker nog de herziening door dr.J. Daniskas heb begeleid, waarvoor vóór hem S.van Milligen en Sem Dresden hadden gezorgd.

Worps invloed op het muziekleven en -onderwijs in ons land was groot en langdurig. In breder kring leeft hij, beter gezegd leven zijn composities voor de schoolwereld, voort, nu vooral daarbuiten. Behalve met Heije werkte Worp samen met L.Leopold, de directeur van zijn school, een man die onder meer zijn sporen heeft verdiend met tal van bij J.B.Wolters verschenen boekjes en boeken voor het lees- en literatuuronderwijs. Van zijn hand is:

De bonte bloemen slapen in zilv’ren maneschijn,
Ze staan te knikkebollen op steeltjes rank en fijn.

‘Overgenomen uit J.Worp, “Do-re-mi”, met vriendelijke toestemming van de firma J.B.Wolters’, luidt de bronvermelding in Kun je nog zingen.

P.Louwerse dichtte:

Op de groote, stille heide
dwaalt de herder eenzaam rond,
Wijl de witgewolde kudde
trouw bewaakt wordt door den hond.

En de samenwerking Louwerse/Worp leverde tevens op:

’s Morgens vroeg, als ’t haantje kraait,
Gaan de boerenmeiden,
Met heur kannen blank gepoetst,
Naar de stille weiden.

Nog een Worp-melodie, met een tekst over ongewenste stilteverstoring:

Vogeltje, wat zingt gij vroeg (3x),
Pas ontwaak ik uit mijn droomen,
Of ik hoor u in de boomen,
Is de dag niet lang genoeg? (3x)

Brugsma, Leopold, Rijkens, Scheepstra, K.Veldkamp, Worp, en anderen: Wolters en Noordhoff, en met en via hen het Nederlandse onderwijs, hebben heel wat aan de Rijkskweekschool te Groningen te danken. Omstreeks de eeuwwisseling viel in ons land opnieuw een geïntensiveerd nationaliteitsbesef waar te nemen. De uitbarsting van dit nationalistisch sentiment wordt deels toegeschreven aan de inhuldiging van de achttienjarige koningin Wilhelmina, waarvoor de Vereeniging tot verbetering van den Volkszang (Amsterdam, W.Versluys) een speciale bundel Liederen voor het Kroningsfeest had uitgegeven.

Alleman van Neêrlands stam
Voelen zich der vaad’ren zonen,
waarna de tachtigjarige oorlog in herinnering wordt geroepen, waarin
‘stalen vuist en rappe hand’ ons volk goede diensten bewezen. Maar nu:
Wees begroet met jubeltonen.
Wees gezegend, groote dag,
Kom ons heerlijk feest nu kronen,
Geurend loover, zonnelach.
Uit deze zelfde tijd stamt:
Hollands vlag, je bent mijn glorie,
Hollands vlag, je bent mijn lust,

van de hand van G.W.Lovendaal, auteur bij Noordhoff en bij Wolters, met bundels kindergedichten en -liedjes.

Voor het eerst een koningin! Nog een novum in Nederland: in 1907, driehonderd jaar na zijn geboorte, kwam admiraal Michiel Adriaensz. de Ruyter als eerste niet tot de koninklijke familie behorende vaderlander op drie postzegels te staan, jawel: één ervan in het blauw van de kiel die hij ooit bij het draaien aan het grote wiel had gedragen. Misschien is het jaar van verschijnen van Kun je nog zingen, zing dan mee! zélf als onmiddellijk blijkend succes een symptoom van de nationale wij-gevoelens die een groot deel van ons volk in die jaren in hun greep hadden.

‘Een groot deel’, niet allen. De groeiende aanhang van de sdap, opgericht in 1894, was wars van deze nationale retoriek en zag de ‘oranjecultus’ vooral als oneigenlijk gebruik van de monarchie als rem op terecht nodig geachte maatschappelijke veranderingen. De eigen rijke liederenschat die de strijd voor lotsverbetering een stem gaf (Eens komt een klare, schoone dag, J.Oudegeest/Otto W. de Nobel) wordt nu niet meer gehoord. De sociaal-democratie en de nationale gedachte waren al in de jaren dertig begonnen zich met elkaar te verzoenen en van het zich welbewust afwenden van de liedjes uit Kun je nog zingen inclusief het Wilhelmus is nu al lange tijd geen sprake meer.

In Kun je nog zingen zorgden twee vrouwelijke componisten voor – niet door roemrijk verleden of ideologisch streven belaste – frisheid: Catharina van Rennes en Hendrika van Tussenbroek, die beiden in Utrecht bij Richard Hol hun opleiding hadden gehad. Ofschoon door hun liefde voor zang en zangonderwijs verenigd, waren zij heel verschillende persoonlijkheden.

Catharina van Rennes (1858-1940) – klemtoon op de laatste lettergreep – had in Utrecht een zangschool met klassen, die zij op voor die tijd moderne wijze bestuurde. De kinderen konden zelfgemaakte liedjes inbrengen, die zij dan in direct contact met hen in haar eigen composities verwerkte: een soort ‘Kinderen voor kinderen’ avant-la-lettre.

Veldkamp en De Boer hebben van dat materiaal in de hoofduitgave een bescheiden gebruik gemaakt, maar ruimden wel plaats in voor:

Hela gij bloempjes!
Slaapt gij nu nog?
Springt uit uw knoppen, haast u dan toch!

(Woorden en muziek beide van Catharina) Ook uit het natuurleven gegrepen is het van ‘volschoone lentetijd’ reppende lied

ls de winter vlucht voor de lentelucht,
En de zon het nieuwe leven wekt.
‘Zacht en vredig’ moet de volgende tekst van Victor de la Montagne worden gezongen:

Het Angelus klept in de verte,
In tonen, zoo zuiver en hel;
De grootmoeder knielt op den drempel,
De kind’ren zij staken hun spel.

Catharina van Rennes was een in het oog lopende verschijning, fleurig, energiek, dominant. De viering van het veertigjarig jubileum van haar zangschool werd een gebeurtenis in het Nederlandse muziekleven. ‘Zij groeide uit tot een nationale figuur’, schrijft Wouter Paap. Toen misschien. Elke tijd kiest gelukkig telkens opnieuw z’n eigen nationale figuren.

Anders dan haar plaatsgenoot, die overal waar zij verscheen bazig aanwezig was, werd Hendrika van Tussenbroek (1854-1934) nauwelijks opgemerkt. Zij bleef als persoon broos en introvert in de marge van het muziekleven staan. Pas laat gedebuteerd, vond zij tot haar eigen verrassing met haar eerste liedje, voor de aardigheid gemaakt om er de kinderen van haar broer mee te verrassen,

Wordt wakker, ’t zonnetje is al op,
De bloemen kijken uit hun knop!
zoveel weerklank dat er vele liedjes volgden. Daartoe behoort:
Alle knoppen springen los;
alle bloemen komen kijken;
door het frissche jonge groen
komt een lentewindje strijken,

waarin het openspringen van de knoppen gesuggereerd wordt met de stijgende oktaaf-sprong direct aan het begin:

Hendrika van Tussenbroek verstond, scherp observerend, de kunst om het kind aan te spreken met tintelende melodieën op meestal door haarzelf geschreven teksten, wijsjes die kinderen waarderen. Althans de kinderen van toen.

Aan het einde van mijn selectieve rondgang door Kun je nog zingen, zing dan mee! gekomen, hoop ik dat de lezers, in leeftijd en belangstelling een gevarieerd ‘publiek’, er iets herkenbaars in hebben aangetroffen. Wat de ouderen onder hen betreft maak ik me daar in ieder geval maar geen zorgen over.

Uren, dagen, maanden, jaren, Vliegen als een schaduw heen.

Met dit Oudejaarsavondlied van Rhijnvis Feith uit ongeveer 1800, gedicht bij een al bestaande veel oudere melodie, besluit de veertigste druk van Kun je nog zingen, zing dan mee! Er is, gezien het tijdstip van verzending, een slechter moment denkbaar om ook dit werkje met deze weinig originele doch hoe langer hoe meer als maar-al-te-waar ervaren dichterlijke constatering te laten eindigen.

Ik verbind daar nog iets anders aan, dat onderstreept hoe sterk sommige vroege ervaringen in het geheugen vastgekleefd kunnen blijven. Het illustreert tevens hoever de invloed van een uitgeversbeslissing kan reiken. Al voordat de tijd als een schaduw is heengevlogen – in de woorden van de dichter – kunnen mensen ook z lf vervluchtigen tot een schaduw van wat ze ooit waren. Door het wegvallen van besef omtrent plaats en tijd en van persoonsherkenning wordt ‘herinnering’ dan een leeg begrip.

Bijna leeg. Het is voorgekomen dat een geregelde bezoeker aan n van de ‘huiskamers’ in een psycho-geriatrisch verpleeghuis op zijn mondharmonica liedjes placht te spelen uit de bundel waar dit geschriftje aan gewijd was. Eerst nam hij bij deze muzikale bezigheid alleen maar min of meer afwezig-luisterende vrouwen en mannen waar. Drong het wel tot hen door wat die man daar deed? Maar gaandeweg kreeg z’n instrument bijval van melodie n woorden. Kun je nog zingen, zing dan mee! was zelfs op deze plaats en zelfs voor deze mensen nog lieu de m moire gebleven. Want zingen, dat konden ze nog. En ze zongen mee.

Bronnen 

A.J.M.Asselbergs, Jan Pieter Heije of de kunst in het leven.
Muziekhistorische Monografieën. Utrecht, 1966

J.Th.M.Bank, Het roemrijk vaderland. Cultureel nationalisme in
Nederland in de negentiende eeuw. ‘s-Gravenhage, 1990

J.D.C.van Dokkum, Honderd jaar muziekleven in Nederland. Een
geschiedenis van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst bij haar
eeuwfeest 1829-1929. Amsterdam, 1929

Joh.Klasens, Groninger grondleggers van de Nederlandse Volksschool.
Assen, 1949

Wouter Paap, Muziekleven in Utrecht tussen de beide wereldoorlogen.
Utrecht/Antwerpen, 1972

N.C.F.van Sas, ‘Fin-de-siècle’ als nieuw begin. Nationalisme in
Nederland rond 1900. In: Bijdragen en mededelingen betreffende de
geschiedenis der Nederlanden, 106, 1991

N.C.F.van Sas, De vaderlandse herinnering. In: N.C.F. van Sas (red.),
Waar de blanke top der duinen en andere vaderlandse herinneringen.
Amsterdam/Antwerpen, 1995

Franck Smit, Boekjaar. Wolters & Noordhoff 1836-1986. Honderdvijftig
jaar uitgeven voor het onderwijs. Groningen, 1986

Archief Wolters-Noordhoff bv, Groningen

M.J. Koenen en zijn Handwoordenboek

omslagkoenen

Inleiding

Het was het afgelopen jaar, om precies te zijn in mei, honderd jaar geleden dat bij J.B.Wolters te Groningen van de hand van M.J. Koenen het Verklarend Handwoordenboek der Nederlandsche Taal verscheen. Dit woordenboek kan gezien worden als de stamvader van wat nu Wolters’ Handwoordenboek Nederlands/Koenen wordt genoemd, als 29e editie van de uitgave van 1897. Ofschoon de naam van de uitgeverij van herkomst in de titel behouden is gebleven, is ‘Koenen’, samen met ‘Ten Bruggencate’ (Engels), ‘Herckenrath’ (Frans), ‘Van Gelderen’ (Duits) en andere Wolters-woordenboeken, sinds enkele jaren opgenomen in het fonds van Van Dale Lexicografie.

Evenals Wolters-Noordhoff, sedert 1968 de naam van de gefuseerde uitgeverijen J.B.Wolters en P. Noordhoff, is deze Utrechtse uitgeverij een onderdeel van het concern (Elsevier) Wolters Kluwer. Men heeft er zich na de overname door Kluwer van de uitgeverij Martinus Nijhoff, toen in ‘s-Gravenhage, nu in Groningen, in het uitgeven van woordenboeken gespecialiseerd, zoals reeds valt af te leiden uit de keuze van de naamgever van dit bedrijf, de andere prominente woordenboekenauteur: Johan Hendrik van Dale (1828-1872). Ook zijn werk, in oorsprong nog ouder dan dat van Koenen, leeft – zoals bekend – in andere handen nog steeds met ere voort.

De verjaardag van Koenens Handwoordenboek is niet de enige aanleiding om aandacht aan de geschiedenis van dit werk en zijn auteur te wijden. We herdenken M.J. Koenen tevens omdat hij honderdvijftig jaar geleden geboren werd. Evenals bij zijn collega-auteur P.R.Bos, ook van de jaargang 1847, werd zijn naam verzakelijkt tot de aanduiding van een boek: bij de één van een atlas, de ‘Bosatlas’, bij de ander van een woordenboek, de ‘Koenen’. Persoon en werk van deze verdienstelijke lexicograaf zullen hier in kort bestek worden besproken.

M.J. Koenen, onderwijzer en auteur

Mathijs Jacobus Koenen werd op 11 oktober 1847 te Zutphen geboren, waar zijn vader, afkomstig uit Breda, landmeter was. Het gezin was rooms-katholiek, van de vijf kinderen was Mathijs de vierde in de rij. Al vóór zijn twintigste jaar werd de latere leer- en woordenboekenschrijver onderwijzer in Steenbergen, daarna in Veghel, vervolgens in Den Bosch, waar hij in 1872 tot hoofd van de Rijksleerschool werd benoemd. Het gezin Koenen-Bogaerts verhuisde in 1880 naar Maas-tricht. In deze volgende provinciehoofdstad had Koenen een betrekking aanvaard aan de in datzelfde jaar gestichte Rijkskweekschool, waaraan hij tot aan zijn pensionering in 1911 als leraar Nederlands verbonden zou blijven.

Aanvankelijk woonachtig in de Brusselsestraat, kon de familie later een veel ruimere woning aan de St.-Hubertuslaan betrekken, waaraan de honoraria voor zijn talrijke publicaties alsmede leiding van en artikelen voor enkele onderwijstijdschriften wel niet vreemd zullen zijn geweest. De latere medewerking van Dr. H.J.E. Endepols aan Koenens Handwoordenboek is op deze verhuizing terug te voeren: ze kwamen maar een paar deuren van elkaar af te wonen. Vanaf plm. 1918 zou Endepols méér worden dan buurman en vriend alleen. Tot en met de 26e druk van 1966 zouden de namen van hen beiden band en titelpagina blijven sieren: Koenen-Endepols, zelfs tot 26 jaar nadat Endepols zijn taak als bewerker had neergelegd.

Afgaande op uitlatingen van leerlingen kunnen we vaststellen dat Koenen als leraar hooggenoteerd stond. Hij werd, onderwijsman in hart en nieren, alom geprezen, niet alleen door zijn dochter Marie, die haar vader onder z’n leerlingen telde en die later door haar literaire werk bekendheid zou krijgen, maar bijv. ook door de Friese tekenaar Tjeerd Bottema, die Koenen in zijn autobiografie de beste leraar van de door hem en zijn broer Tjerk bezochte school noemde. Bij het vijftig-jarig bestaan van deze school in 1930 hield een spreker z’n gehoor voor: ‘Gij hebt een traditie voort te zetten, gij leeraren en kweekelingen, een traditie, hier gegrondvest en bevestigd door mannen als Koenen en De Gast, wier namen klonken in den lande’. Waarop dit oordeel over Koenen berustte heeft natuurlijk veel te maken met zijn persoonlijkheid, maar niet minder met zijn taaldidactische inzichten.

Koenens werk en opvattingen

Voor zijn boek over de geschiedenis van het Nederlandse schrijfvaardigheidsonderwijs in de negentiende en twintigste eeuw (Muiderberg, 1989) heeft Rudolf Geel als titel een veelzeggende uitspraak van M.J. Koenen gekozen: Niemand is meester geboren. Met deze opvatting wilde Koenen tot uitdrukking brengen dat schrijven naar zijn overtuiging niet een vaardigheid is die je maar ‘vanzelf’ komt aanwaaien, maar waarvoor ‘geleerd’ moet worden: door bestudering van goede schrijvers, door het verwerven van inzicht in de taalstructuur, door kennis van grammaticale en stilistische mogelijkheden, door uitbreiding van de woordenschat en door veel oefenen, waarvoor dan natuurlijk ook het benodigde materiaal aanwezig moest zijn. Onomstreden was dit standpunt allerminst. Taaldidactici als J.H. van den Bosch, befaamd exponent van het tijdschrift Taal en Letteren, zagen rond de eeuwwisseling meer heil in de ontwikkeling van het ‘natuurlijk aanwezig taalgevoel’ en de creatieve toepassing daarvan als middel tot zelfontplooiing. Hun eigen stijl van schrijven laat zien dat de aanhangers van het genoemde beginsel zich in deze ‘richtingenstrijd’ meer richtten naar de ‘omgangstaal’ dan naar de ‘boekentaal’, die zij zagen als uitingen van als beklemmend ervaren schrijftaaltraditie.

Koenen betwijfelde echter of de door zijn opponenten gepropageerde ‘levende’ taal ook werkelijk uit de taalgemeenschap zelf was geboren; hij dacht dat die taal veelal quasi-literair ‘gemaakt’ werd, waardoor ‘grilligheid of eigenwaan een zijner hoofdkenmerken is’. De normatieve achtergrond van Koenen (‘Niemand is meester geboren’) hield in, dat onderwijspraktijk zijns inziens gebaseerd moest zijn op het bevorderen van kennis, die leerzaam en vormend diende te zijn, maar ook weer niet zo absoluut dat er geen ruimte voor individuele expressie zou overblijven. Technische vaardigheid alleen levert ‘geen frischheid, geen adem der bezieling’ op als daar geen individualiteit bij komt, vond ook Koenen. Vorm en inhoud hangen dan uiteraard samen: een gedachte die op zichzelf de moeite van het lezen waard is maar slecht is verwoord, achtte Koenen even verwerpelijk als een volmaakt geformuleerde zin die aan inhoud tekortkomt.

Aan deze gedachtenvorming droeg ook de, later vooral door zijn boek ‘Kees de jongen’ bekend geworden, onderwijsvernieuwer Theo Thijssen bij. ‘Schrijven leer je door te schrijven’, was zijn stelregel, waarmee hij zich kantte tegen zowel oude als nieuwe ‘methodieken’. Koenen werd in dat verband door hem in wel zeer denigrerende zin bejegend. Enig voorbehoud bij Thijssens eigen geloofwaardigheid is overigens niet misplaatst. Hij was de auteur van een reeks uiterst banale, vernieuwing van het rekenonderwijs tegenwerkende, sommen- en cijferboekjes, nog lang leverbaar ook nadat door P.A. Diels c.s. in de jaren dertig met het rekenonderwijs reeds lang nieuwe wegen waren ingeslagen. Koenen merkte al in 1893 op: ‘Er zal, naar wij mogen hopen, een tijd komen, dat niet de examens de rekenkunde langer dwingen in de richting van het sommen maken’. Thijssen en Koenen zullen elkaar weer gevonden hebben in Koenens opinie dat het slagen van taalonderwijs meer afhangt van de kwaliteiten van de onderwijzer dan van de gevolgde methode. Deze, slechts betrekkelijke, waardering voor het leerboek verhinderde Koenen desondanks niet er een aanzienlijk aantal van samen te stellen, het eerste al in 1881.

Het voorgaande kan enigszins een idee geven van de manier waarop Koenen naam maakte als auteur van zijn omvangrijke oeuvre. Het illustreert tevens hoe zeer Koenen bij het samenstellen van het Handwoordenboek het oog gericht hield op de school. In het voorbericht bij de al aanzienlijk lijviger geworden 4e druk van 1903 merkte hij op, ‘den stillen wensch te koesteren dat het zóó meer mijn ideaal is genaderd: een vraagbaak te zijn voor studeerenden.’ En hij vervolgt: ‘Daar ik het heb vrijgehouden van al, wat minder fair is, kan men het gerust aan studeerende jonge dames in handen geven’. Dat waren er overigens nog niet veel. Op het Maastrichtse gymnasium bijv. deed pas in 1911 de eerste vrouwelijke leerling eindexamen.

Met het maken van leerboeken voor bijna alle schoolsoorten en met zijn leraarschap hielden Koenens activiteiten overigens nog niet op. Hij was bovendien in de jaren negentig redacteur van De Schoolwereld, uitgegeven door J.B.Wolters, onder hoofdredactie van H. Scheepstra, en tevens van School en Studie (bij D. Mijs te Tiel), waarin vele artikelen van zijn hand te vinden zijn, ook van lexicografische aard. Voorts zijn er bij de uitgeverijen D. Mijs in Tiel, W.E.J. Tjeenk Willink te Zwolle en Wolters’ buurman P. Noordhoff nog verscheidene leerboeken verschenen die zijn naam dragen. Bij J.B.Wolters echter is toch wel het overgrote deel van zijn werk uitgegeven, dit alles nu verdwenen onder het stof van een voorbije tijd, behalve: het Handwoordenboek, en enkele andere woordenboekjes die in het kielzog van het kernproduct meevaren, maar die we hier onbesproken zullen laten.

Uitgever rond de eeuwwisseling

De uitgeverij was na het terugtreden van J.B.Wolters’ zwager in 1894 onder leiding komen te staan van zijn oudste zoon, geboren in 1865, evenals zijn vader Eduard Benjamin ter Horst geheten. Het is niet helemaal duidelijk wat voor persoon deze E.B. junior nu eigenlijk was, ook de huidige generaties van de familie Ter Horst zelf hebben geen duidelijk beeld van hem. Uit de feiten blijkt wel dat zijn onmiskenbare talent als uitgever gepaard ging met een zekere neiging tot grandeur in financiële zaken. ‘Gij zijt in alles te royaal’, hield zijn vader hem in 1895 goedbedoeld voor. Vaststaat ook dat hij te veel hooi op de vork nam door te veel tegelijk naar zich toe te halen, hetgeen ook blijkt uit het grote aantal nieuwe uitgaven dat tijdens zijn bewind het licht zag, en deze belasting deed zijn toch al zwakke gezondheid uiteraard geen goed.

Daarbij kwamen nog de mentale en financiële spanningen van een hoog oplopend conflict met de gemeente Groningen over de installatie van stoommachines als energiebron voor een nieuwe drukkerij, achter het uitgeverskantoor in de Oude Boteringestraat. Zowel de parochie van de aangrenzende rooms-katholieke kerk als de universiteit had daartegen bezwaar aangetekend wegens door hen verwachte geluidsoverlast. Ter Horst had in 1904, het kostbare oponthoud beu, zelfs al contact met een Amsterdamse makelaar opgenomen, in verband met zijn overweging de zaak naar de hoofdstad te verplaatsen, doch nog voordat de juridische strijd over de stoommachines was afgerond stierf hij, nog maar veertig jaar oud. Na zijn overlijden in 1905 werd in Krasnapolsky te Amsterdam een veiling gehouden, waar vele uitgaven die niet rechtstreeks met onderwijs te maken hadden – ook nogal wat van vóór 1894 – in handen van andere uitgeverijen kwamen. Zo kwam Afke’s Tiental door Nienke van Hichtum, in 1903 met illustraties door Cornelis Jetses bij J.B.Wolters verschenen, bij de Alkmaarse uitgeverij Kluitman terecht, die er anno 1997 nog steeds commercieel plezier aan weet te beleven.

Ter Horst junior wist dus, alles bijeen, niet de reputatie te vestigen van zijn sterke voorganger, maar het gaat te ver hem daarom niet te prijzen voor het vele goede dat hij als creatief en hardwerkend uitgever heeft verricht. Wie zou het Handwoordenboek van Koenen daartoe niet willen rekenen? En tot op de huidige dag plukt de uitgeverij de rijpe vruchten van zijn uiterst gelukkige greep Jan Ligthart, H. Scheepstra en C. Jetses te verenigen in een harmonieus en ijzersterk trio, al door vele generaties Nederlanders onmiddellijk in verband gebracht met unieke creaties als Ot en Sien. Te weinig wordt soms beseft hoeveel de cultuur in de breedste zin van het woord aan initiatieven van uitgevers te danken heeft, zoals met vele andere voorbeelden zou zijn toe te lichten, ook uit de buitenschoolse sfeer.

In 1895 had Ter Horst reeds het Engelse woordenboek van K. ten Bruggencate uitgegeven, vlak na zijn vroege dood gecompleteerd met Duits (I. van Gelderen, 1906) en Frans (C.R.C. Herckenrath, 1907), waardoor de set Woordenboeken Nieuwe Talen kon ontstaan, die er ook nu nog steeds is, zoals al in de Inleiding vermeld. Uit enige schaarse bewaard gebleven correspondentie maken we op dat Ter Horst en Koenen het goed met elkaar konden vinden. Ze correspondeerden niet alleen, Koenen ondernam voor een persoonlijke ontmoeting met zijn uitgever ook wel de lange treinreis naar het noorden. Omdat een retour Maastricht-Groningen honderd jaar geleden niet of nauwelijks op één dag haalbaar was, logeerde hij dan bij zijn broer, die pastoor was in Sappemeer. In het overleg tussen uitgever en auteur werd ook over prijs en oplage gesproken, zaken die contractueel meestal aan de uitgever zijn voorbehouden.

Het Handwoordenboek ging f 1,50 kosten, de oplage werd 5.500 exemplaren. Het was maar goed dat Ter Horst het aanvankelijke voornemen met 15.000 te beginnen, wellicht op advies van Koenen heeft laten varen, want het duurde zelfs met een derde van dat aantal nog tot 1901 voordat een tweede druk kon verschijnen (f 1,75, maar dan ook al veel omvangrijker dan de eerste uitgave). Na vijftien jaar, dus tot en met 1912, waren er plm. 55.000 exemplaren verkocht, d.i. evenveel als de verkoop in één jaar als gemiddelde in de jaren zeventig, waarmee wordt geïllustreerd welk een hoge vlucht er op dit bescheiden begin is gevolgd. Zover was het echter voorlopig niet. Ik citeer uit een brief van 15 oktober 1897 van Ter Horst aan Koenen, die door de leraar-Nederlands zeker niet als een stilistisch hoogstandje zal zijn bestempeld: ‘Het Handwoordenboek is nu wat rustiger, doch ’t zal wel goed blijven, in vijf maanden bijna de helft van de oplage is nogal mooi.’ Met de tweede helft van de oplage ging het, zoals we zagen, wel héél rustig. Het bleef dus aanvankelijk maar vrij betrekkelijk ‘goed’ en ‘mooi’. Het dieptepunt lag in de jaren 1901/1903, waarin niet meer dan plm. 1.500 exemplaren per jaar werden verkocht. Maar dan zet de groei in, en die heeft ‘Koenen’ sindsdien niet meer verlaten, al heeft de debietontwikkeling door de jaren heen een vrij grillig verloop gekend, met uitschieters naar boven na het verschijnen van een nieuwe druk als impuls.

Inhoud en kritiek

In 340 bladzijden een volmaakt woordenboek maken lukt niemand en zelfs als de omvang het tienvoudige daarvan zou bedragen blijft het nog een onmogelijke opgave. P.R.Bos wist het zeer beknopt uit te drukken toen hij, om zijn oordeel gevraagd, in een brief van 14 juni 1897 aan de uitgever schreef: ‘Geen aanmerkingen, slechts een opmerking: niets is volmaakt.’ Hij bedoelde het waarschijnlijk als een compliment, maar met iets minder goede wil is dit oordeel ook als een understatement op te vatten. Niet voor twee interpretaties vatbaar is de bevinding van Het nieuwe schoolblad: ‘Van Koenens woordenboek kan getuigd worden, dat men moeilijk een gebied van het moderne leven zal kunnen aanwijzen, waaraan geen evenredige aandacht wordt geschonken.’ Dat klinkt positiever dan het werk feitelijk verdiende, want reeds een kleine steekproef brengt aan het licht dat er van ‘evenredige aandacht’ geen sprake was.

Gebruikt men bijv. W.H.Vliegen, ‘De dageraad der volksbevrijding. Schetsen en tafereelen uit de socialistische beweging in Nederland’ (Amsterdam, 1902) als toetssteen, dan blijken woorden als klassenstrijd, kapitalisme, arbeidersbeweging, om maar wat te noemen, bij ‘Koenen’ te ontbreken. Raadpleging van Jacqueline Bel, ‘Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900’ (Amsterdam, 1993) alsmede van enkele kranten uit het laatste decennium van de vorige eeuw kan niet tot een andere slotsom leiden dan dat veranderingen in de woordvoorraad als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen slechts mondjesmaat aan hun trekken kwamen.

De afkortingenlijst in de ‘Sleutel voor den gebruiker’ in het voorwerk van het boek toont overduidelijk aan waarvoor daarentegen de aandacht niet tekortkwam: voor de gevestigde schrijvers uit de eerste helft van de negentiende eeuw, die rijkelijk in de voorbeeldzinnen worden geciteerd. Dat zijn Bilderdijk, Staring, Tollens, en anderen, en ook de Camera Obscura komt men er tot C.O. afgekort herhaaldelijk tegen. Vooral van dit laatste werk zou ‘Koenen’ zich in de voorbeeldzinnen maar langzaam ontdoen. Onbegrijpelijk is dit niet, want op veel middelbare scholen, waar men op ‘Koenen’ wilde kunnen vertrouwen, bleef Hildebrands befaamde werk uit 1839 nog heel lang op de lijst van verplichte boeken staan. Zonder een geannoteerde editie kon je het niet stellen, óf ‘Koenen’ moest je te hulp komen.

De conclusie is onontkoombaar: de eerste druk is niet anders te beschouwen dan als opmaat naar grotere bruikbaarheid. De doorbraak naar het komende succes moet deels wel te maken hebben gehad met het niet royaal voorhanden zijn van redelijke alternatieven in het aanbod, maar toch vooral met de verbeteringen en uitbreidingen in de volgende drukken waar Koenen zelf voor zorgde. De omvang was in de 4e druk van 1903 al meer dan verdubbeld, de kwaliteit gestegen, en sinds de 15e druk van 1926, bewerkt door Dr. Endepols, overschreed het aantal pagina’s zelfs de 1.200. Deze dikte is, op de 27e druk van 1974 na, sindsdien vrij stabiel gebleven. In de constante beperking van de omvang kan men de hand van de uitgeverij vermoeden, die met het oog op de prijs en dus de verkoopbaarheid voortdurend op de wenselijkheid van evenwicht tussen ’toevoegen’ en ‘schrappen’ gewezen zal hebben. Dat was voor de bewerkers na Koenen geen gemakkelijke opgave, en dat is het nog steeds niet, want het aantal nieuwe woorden dat zich in onze dagen verdringt om te worden opgenomen is buitengewoon groot.

Koenens opvolgers

Als de drukken worden meegeteld waaraan Dr. J. Endepols heeft meegewerkt zonder zijn naam op de titelpagina te laten zetten, dan beslaat zijn auteurschap een even lange periode als die van Koenen zelf: zo’n twintig jaar. Hij hechtte er dan ook zeer aan dat het woordenboek voluit Koenen-Endepols werd genoemd. Nog in 1956 bij het verschijnen van de 24e druk, terwijl hij zich al zestien jaar eerder had  teruggetrokken, noemde hij het boek toch nog steeds ‘Koenen-Endepols’. Dat deed hij, de mede-auteur, overigens niet alleen, zelfs nu nog wordt ook door vele anderen deze benaming van het Handwoordenboek gebruikt.

De verdiensten van Endepols’ bewerking zijn vooral dat hij het wetenschappelijk niveau van ‘Koenen’ aanzienlijk heeft verhoogd. Hij schroomde niet, zich te verzekeren van de bijstand van vakmensen op gebieden waarin hij zelf minder thuis was, bijv. bij de herziening van biologische termen. Aanvankelijk nog wat afgeremd uit ‘piëteit voor den eersten bewerker’ en uit vrees ‘inbreuk te maken op rechten van een eervol verleden’ (woord vooraf bij de 15e druk) heeft Endepols het Handwoordenboek ingrijpend gemoderniseerd. Ook voor ‘volkstaal’ ruimde hij meer plaats in, het gebruik door ‘studeerende jonge dames’ ten spijt. Latere bewerkers zouden zich overigens wat ‘onfatsoenlijke’ woorden betreft nog heel wat minder scrupuleus betonen.

Tot aan zijn dood heeft de neerlandicus Endepols – hij was achtereenvolgens leerling van, leraar aan en rector van het Maastrichts gymnasium – het Klassiek Handwoordenboekje van Koenen verzorgd en samen met Prof. Dr. J. van Ginneken schreef hij De regenboogkleuren van Nederlands taal (Nijmegen, 1917). Bij J.B.Wolters verzorgde hij in de serie Lyceum-Herdrukken een uitgave van het middelnederlandse allegorische spel Elckerlyc. Tot op hoge leeftijd actief, bracht hij met een sublieme rede nog hulde aan Marie Koenen toen zij zeventig jaar werd. Nadat hem de nieuwste druk was toegezonden sloot zijn laatste brief aan de firma Wolters in 1957 vele ordners met correspondentie af met de slotzin: ‘Moge het Handwoordenboek nog lang een leidende rol spelen in de Nederlandse lexicologie’. Veertig jaar later mag wel worden vastgesteld dat deze wens in vervulling is gegaan. De herziening door Dr. K.H. Heeroma, Endepols’ opvolger toen deze bijna 65 was, vond haar relatieve zwaartepunt in de 21e druk van 1947. De druk daarvóór was, zoals uit de correspondentie blijkt, tot stand gekomen in een wat geprikkelde, rivaliserende sfeer.

De nieuwe bewerker had te kennen gegeven er slecht tegen te kunnen dat zijn voorganger nog over z’n schouder meekeek. Toen de directie van J.B.Wolters in de persoon van Dr. A.M.H. Schepman (1890-1959) hem tactvol wees op de geringe importantie van zijn bewerking, reageerde Heeroma met het excuus dat hij met grotere ingrepen wilde wachten tot hij ‘de handen vrij’ had. Anderzijds droeg de 22e druk van 1949 nog wel zijn naam, maar reeds begin 1948 had Heeroma een hoogleraarschap in de taalkunde in Djakarta aanvaard, zodat hij voor ‘Koenen’ uit het zicht raakte. Bij het lezen van de brieven van uitgever en bewerker krijgt men sterk de indruk dat Heeroma niet veel voldoening aan het Handwoordenboek heeft beleefd. Dat is opmerkelijk, aangezien hij, als redacteur van het grote Woordenboek der Nederlandse Taal te Leiden gedurende twintig jaar, toch goede papieren had om zich in ‘Koenen’ thuis te kunnen voelen. Terug uit Indonesië, werd hij hoogleraar in de Nedersaksische taal- en letterkunde aan de universiteit van Groningen.

Endepols en Heeroma kregen voor de in Vlaanderen gangbare woorden steun van Dr. R.Verdeyen uit Luik, die door Endepols vrij frequent geraadpleegd maar door Heeroma nogal op een afstand werd gehouden. Daarvoor waren geldige redenen vanwege de overdrijving van het belang dat Verdeyens bijdragen voor ‘Koenen’ inhielden.

Vóór zijn vertrek naar Djakarta had Heeroma als opvolger Dr. H.L. Bezoen aanbevolen, die zonder succes in Leiden had gesolliciteerd, maar die toch ‘aan alle eisen voldoet die aan een lexicograaf te stellen zijn’, zoals Heeroma de directie van J.B.Wolters liet weten. Lichtvaardig beslissen deed Bezoen niet, maar nadat hij als verkennende bezigheid ‘Koenen’ had vergeleken met de toen nieuwe ‘Van Dale’ ging hij gretig en energiek aan de slag. Zijn aanpak, waarvan de neerslag in de zeer sterk verbeterde 23e druk van 1952 te vinden is, hield grote beloften in voor de toekomst. Zijn duidelijke handschrift in de intensief bewerkte kopij zie ik nog duidelijk voor mij. Helaas kwam Bezoen reeds een jaar later, jong nog, in zijn woonplaats Coevorden door een aanrijding met een trein om het leven.

J.B.Wolters meende in Dr. W. van den Ent, inspecteur van het middelbaar onderwijs en secretaris van de commissie voor de acte Nederlands m.o.-a, de juiste persoon te zien om het werk voort te zetten, wat een merkwaardige keuze was, onder meer gezien zijn geringe lexicografische ervaring. Vóór hij de kans kreeg goed en wel uit de startblokken te komen overleed ook hij plotseling. Zijn naam haalde de titelpagina dus niet. Dr. J. Naarding ontfermde zich vervolgens over Bezoens erfenis, maar verder dan slechts één alleen door hemzelf verzorgde druk, de 25e van 1960, kwam hij door zijn tamelijk jonge overlijden niet. Andermaal was het Heeroma geweest die de uitgever op een nieuwe kandidaat, nu op zijn vriend en wetenschappelijk medewerker aan zijn Instituut, opmerkzaam had gemaakt. Eerder al had Naarding de bekende Nederlandse Spraakkunst van E. Rijpma en F.G. Schuringa (J.B.Wolters, 1956) herzien. Zijn kracht lag in de beoefening van de wetenschap der Drentse dialectgeografie. Na Naardings dood benaderde de uitgeverij, bij monde van Mr.W.R.H. Koops, Dr. J.B. Drewes (1907-1994, woordenboekauteurs kunnen dus wel degelijk oud worden.). ‘Koenen’ was hem niet vreemd: Bezoen had hem in het voorbericht van de 23e druk al voor zijn bijdragen aan die editie bedankt.

In Drewes vloeide veel lexicografisch bloed, waarvoor hij ander werk – zijn specialisme was het zestiende-eeuws – goeddeels heeft laten schieten. Hij combineerde kwaliteit met een hoog werktempo, maar desondanks duurde het, na een partiële bewerking in 1966, toch nog acht jaar eer de 27e druk kon verschijnen. Het resultaat was er dan ook naar: ‘Koenen’ werd zeer ingrijpend vernieuwd en als ‘bekroning’ daarvan kwam er, voor het eerst na Endepols, weer een twee-eenheid van namen op de titelpagina te staan: Koenen-Drewes.

Terwijl Drewes de ruimte kreeg voor de zgn. Grote Koenen, verschenen in 1986, zag C.A. de Ru, redacteur bij Wolters-Noordhoff, nu bij Van Dale Lexicografie, kans nog geen half jaar later de 28e druk van het Handwoordenboek te laten verschijnen, van Drewes’ magnum opus afgeleid, maar er tevens sterk van afwijkend. Een wel erg grote interval tussen twee drukken kreeg daarmee een gelukkig einde.

Met ingang van de 29e druk van 1992, in 1996 overgebracht in de nieuwste spelling, is de bewerking van ‘M.J. Koenen J.B.Drewes, Wolters’ Handwoordenboek Nederlands’ in handen van Drs. W.Th. de Boer, als achtste in de rij, met twee medewerkers voor de alleen in België courante woorden.

Tot slot

Na 29 drukken in honderd jaar zou een nauwkeurige analyse moeten uitwijzen, of, waar en wanneer er als gevolg van al die verschillende bewerkershanden gebrek aan consistentie is ontstaan, bijv. in de aard en de lengte van woordverklaringen. Drewes stelde daaraan de eis dat deze, zonder enig vertoon van geleerdheid, toch precies en taalkundig juist dienen te zijn. Voldoen alle betekenisomschrijvingen daaraan, of moet misschien de vraag worden gesteld of ‘Koenen’ wel of niet te lijden heeft gehad en misschien nog lijdt aan ‘les défauts de ses qualités’: aan tekorten die het gevolg zijn van zijn goede hoedanigheden? Deze laatste staan in ieder geval buiten kijf, en – ik duidde er al eerder op – : een volmaakt woordenboek bestaat niet en zal nooit bestaan.

In de woorden van Dr. Bezoen in het voorbericht bij de 23e druk: ‘Het zal wel nooit zo zijn, dat een woordenboekschrijver of -herziener zijn werk in volle tevredenheid uit handen geeft. Meer dan enige lezer beseft hij wat er te doen is overgebleven’. Geïnteresseerden wil ik tot slot graag opmerkzaam maken op een publicatie van Van Dale Lexicografie ter gelegenheid van het jubileum, die gelijktijdig met dit boekje verschijnt: Honderd jaar Koenen, geschreven door Jan Posthumus, Siemon Reker en Arie de Ru. In dit boek wordt, meer dan hier het geval kon zijn, onder meer ruime aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van ‘Koenen’, aan inhoudelijke kenmerken van en verschillen tussen de achtereenvolgende drukken en de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden waaruit de talrijke veranderingen in onze woordenschat in de afgelopen honderd jaar zijn voortgekomen.

Voorts wil ik belangstellenden verwijzen naar een interessante reeks artikelen van de huidige bewerker in Onze Taal, jaargang 1993, 1994 en 1995, waarin Theo de Boer vanuit de optiek van bewerker in de jaren negentig liet zien voor welke afwegingen je als woordenboekmaker zoal kunt komen te staan. Eén voorbeeld slechts van een krantenlezer in de ijswinter van januari 1997: moet je ‘spruitjeskweker’ wel of niet opnemen als zowel ‘spruitjes’ als ‘kweker’ er al in staat? En wat doe je met ‘paddestoelenkweker’, kan de overweging ‘wel of niet opnemen’ hier tot precies dezelfde uitkomst leiden als bij de spruitjes?

Zo is het aantal beoordelingen, vragen en afbakeningen eindeloos, ondanks de bijstand van de computer, die in de lexicografie in technische zin veel voor je kan doen, maar nog meer niet voor je oplost. Van dát apparaat zou M.J. Koenen, met de 1.360 bladzijden van de 29e druk van zijn belangrijkste schepping in de hand, al helemaal hebben opgekeken. Hij overleed, ’tijdig voorzien van de laatste H.H. Sacramenten’, op 1 augustus 1920 in zijn woonplaats, en rust nu op de algemene begraafplaats aan de Tongerseweg te Maastricht. Naast hem zijn vrouw en zijn dochter Marie.

Bronnen

Rudolf Geel, Niemand is meester geboren. Geschiedenis van het
Nederlandse schrijfvaardigheidsonderwijs in de negentiende en twintigste
eeuw. Muiderberg, 1989

D. Geeraerts en G. Janssens, Wegwijs in woordenboeken. Een kritisch
overzicht van de lexicografie van het Nederlands. Assen, 1982

J. de Groot en F.R.H. Smit, De uitgeverijen J.B.Wolters, P. Noordhoff
en Wolters-Noordhoff, in: P.H. Broekhuizen e.a., Van boerenerf tot
bibliotheek. Groningen, 1992

M.J. Koenen, A.J.M. Brogtrop en D. Horn (red.), School en studie.
Maandschrift voor Opvoeding en Onderwijs, vijftiende jaargang. Tiel,
1893

A. de Ru, Een hekel aan fantasie. Over J.B. Drewes (1907-1994), in:
Trefwoord, 10. Den Haag, 1995

P.G.J. van Sterkenburg, Van woordenlijst tot woordenboek. Inleiding
tot de geschiedenis van woordenboeken van het Nederlands. Leiden, 1984

Th.J. Thijssen, Taal en schoolmeester. Bussum, 1911

Gedenkboek Rijkskweekschool Maastricht 1880-1930. Maastricht, 1930

Informatie van Dr. A.M. ter Horst, Vierhouten, Drs. J. Posthumus,
Roden en G. Steijger, Den Haag

Archief Wolters-Noordhoff/Van Dale Lexicografie

Bosatlas, ‘nationaal monument’

KleinBosdatlas

Inleiding

In het jaar waarin Rusland en Roemenië met succes oorlog voerden tegen Turkije om de ‘bevrijding’ van enkele Balkanstaten, verscheen te Groningen bij J.B.Wolters Bos’ Schoolatlas der geheele aarde in 29 kaarten: in 1877. Dit zou een heel wat minder opmerkelijk feit zijn geweest als niet nu, op de drempel van 1997, diezelfde atlas onder de titel De Grote Bosatlas voor mavo/havo/vwo in zijn 51ste editie nog steeds een prominente plaats in het Nederlandse onderwijs zou innemen. En dat doet hij: evenmin als de deiningen op de Balkan is dit excellente produkt de laatste bijna-vijfkwart-eeuw van het toneel verdwenen. Tot oordelen bevoegden hebben de Bosatlas als ‘nationaal monument’ geprezen. Dat is geen geringe lof, maar zelfs deze eervolle kwalificatie doet onbedoeld nog niet voldoende recht aan de positie die Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, met ‘Bos’ als vaste kern, sinds circa 1980 op de internationale atlassenmarkt heeft weten te verwerven.

Wie was hij, deze P.R. Bos, die, met zijn opvolgers en met zijn uitgever en diens opvolgers, al zo lang een bijna niet weg te denken stempel op het onderwijs in de aardrijkskunde heeft kunnen drukken, en door welke eigenschappen van dit zo bijzondere ‘kaartenboek’ kan dat worden verklaard?

In de hier volgende beknopte beschouwing zal, met behulp van bestaande bronnen en eigen waarneming in de jaren 1949-1984, op deze vragen worden ingegaan, en wel op een, dunkt mij, passend tijdstip: over enkele weken zal het 150 jaar geleden zijn dat P.R. Bos te Groningen werd geboren.

E.B. ter Horst en P.R.Bos 

Kinderloos overleden in 1860, had J.B.Wolters zijn uitgeverij, door hem opgericht in 1836, overgedragen aan de broer van zijn vrouw, Eduard Benjamin ter Horst (1828-1896), die hem als medewerker al geruime tijd terzijde had gestaan. De firma had gaandeweg in het uitgeven voor school en wetenschap haar kracht gezocht en gevonden, wat haar een opmerkelijk sterke positie had opgeleverd, zeker voor een in de ‘provincie’ gevestigd bedrijf. Het heldere inzicht en de daadkracht van de erfgenaam waren daaraan zeker niet vreemd geweest, maar ook de omstandigheden zaten bepaald niet tegen.

J.B.Wolters’ zwager wist onder meer te profiteren van de invoering van de wet op het middelbaar onderwijs van 1863, als gevolg waarvan een nieuw schooltype, de hogere burgerschool, in het leven werd geroepen. Aardrijkskunde werd op deze hbs voor het eerst een verplicht vak, en nieuw was ook dat voortaan meisjes mochten worden toegelaten. Ook afgezien daarvan nam het aantal leerlingen op deze nieuwe school in zeer hoog tempo toe. Talrijke andere nieuwe ontwikkelingen op wetgevend, wetenschappelijk, cultureel, technologisch en economisch gebied waardoor de tweede helft van de negentiende eeuw werd gekenmerkt, waren de bekwame uitgever bovendien een flinke steun in de rug.

De schoolwet van J. Kappeyne van de Coppello (1878), die het niveau van het onderwijs aanzienlijk deed verbeteren, bood hem, de alerte ondernemer, nieuwe mogelijkheden. Door nieuwe transport- en communicatiemiddelen nam het relatieve isolement van zijn vestigingsplaats in betekenis af (de spoorlijn Groningen-Zwolle dateert van 1870) en ook buiten onze grenzen maakte, op grotere schaal, de ontsluiting van de wereld belangrijke vorderingen, een gegeven dat voor het laten ontstaan van een nieuwe atlas uiteraard niet anders dan stimulerend kon werken.

Ofschoon er bij J.B.Wolters ook al andere goedlopende atlassen te krijgen waren, de eerste zelfs al van 1856 af, kondigde de samenwerking met P.R. Bos zich toch vanaf het begin aan als van een daaraan bovengeschikt formaat, hetgeen weldra door de feiten zou worden bevestigd.

Pieter Roelf Bos (1847-1902) was in 1871 een der eersten die slaagden voor het mo-examen-aardrijkskunde, dat zijn ontstaan te danken had aan de nieuwe wet van 1863. De (toen nog niet in a en b gesplitste) acte mo-Nederlands had hij eerder reeds behaald. Tot onderwijzer opgeleid aan de Rijkskweekschool in zijn geboortestad Groningen, verwierf Bos door deze voortgezette studies al vroeg de bevoegdheden voor een positie als leraar aan de pas opgerichte hbs.

Voor zijn beide jongere broers Jan Ritzema en Hemmo was, beiden via de Rijks-hbs in Groningen, een opleiding aan de Groningse universiteit weggelegd. Beiden werden in hun tijd wetenschapsbeoefenaren van grote reputatie en hun leerboeken biologie hebben het tot na de Tweede Wereldoorlog volgehouden, daarmee hun auteurs ruimschoots overlevend. Evenals het werk van hun broer uiteraard bij J.B.Wolters verschenen, maar dit terzijde. Leergierig en intellectueel begaafd waren de broers dus stellig alledrie, ook al ontbeerde een van hen de doctorstitel, waar hij in latere jaren nog last genoeg van zou krijgen toen een benoeming tot lector aan de universiteit in Groningen vanwege dat gemis, maar zeker niet door een tekort aan bewezen kwaliteiten in dienst van onderwijs en wetenschap, ongelukkigerwijze werd tegengehouden.

Toen in 1872 aan de Rijks-hbs in Warffum (wie niet weet waar dat ligt wordt raadpleging van de Bosatlas aanbevolen.) een vacature ontstond voor een leraar die bevoegd zowel Nederlands als aardrijkskunde zou kunnen geven, leidde dat precies tot de sollicitatie die P.R. Bos met de juiste papieren kon onderbouwen. Dat hij werd benoemd mag dan ook geen wonder heten.

Daar, in Warffum, leerde hij Lamina, de zuster van de directeur, R. Rijkens, kennen, die in 1876 zijn vrouw zou worden. Daar ook ontwikkelde hij de ambitie tot het schrijven van leerboeken, waarna, toen het eerste werk van zijn hand verschenen was, hem van E.B. ter Horst het verzoek bereikte zich te willen belasten met het vervaardigen van een nieuwe atlas, vooral met het oog op gebruik bij datzelfde leerboek. Wellicht bestaat er verband tussen Bos’ bevestigend antwoord op dit verzoek en zijn benoeming in 1875 tot leraar aardrijkskunde aan de Rijks-hbs te Groningen: verhuizing naar ‘Stad’  (daar is er zoals bekend maar één van) zou het komende veelvuldige contact met de uitgeverij gemakkelijker maken. De afstand van de Sint-Walburgstraat naar de Oude Boteringestraat leidde tot weinig tijdverlies.

Het adres van het echtpaar Bos werd later de Nieuwe Boteringestraat, met een huis dat dus eveneens slechts op geringe loopafstand van het uitgeverskantoor verwijderd was en vanwaaruit Bos nog juist het gebouw van zijn school in de Grote Kruisstraat kon zien liggen. Tot zijn dood in 1902 zou hij aan deze school als leraar aardrijkskunde (en secretaris van de lerarenvergadering, net als in Warffum) verbonden blijven. Zijn bekendheid dankt hij niet aan deze functies, hoe goed hij die ook vervulde, noch aan zijn belangrijke wetenschappelijke werk, en evenmin aan het vele dat hij, hoogst verdienstelijk, heeft verricht als bestuurslid van het ‘Natuurkundig Genootschap’ te Groningen, en als voorzitter van het ‘Centraal bureau voor de kennis van de provincie Groningen en omgelegen streken’ heeft bijgedragen tot de kennis van de noordelijke regio.

Zijn faam berust, ieder weet het, op het kaartenboek met de titel waarvan zijn naam geheel en al verweven is geraakt: Bosatlas. Maken we die naam vervolgens weer los van het produkt, dan wordt mede met behulp van het oordeel van een vak- en tijdgenoot en van indrukken uit bewaard gebleven correspondentie het beeld zichtbaar van een man van formidabele werkkracht en toewijding, even gedegen als creatief, met liefde voor zijn vak, dat zeker, maar tevens met gerichtheid op harmonie en dus met de bereidheid tot het scheppen van schikkingsruimte, eigenschappen die van grote waarde waren, zijn en zullen blijven bij de onontbeerlijke samenwerking met de uitgeverij. Te meer is dat het geval als het gaat om het samen laten verschijnen van een schoolatlas, omdat een aantal beperkingen daarbij grenzen stelt aan wat, over en weer, aan wensen op tafel kan komen te liggen aangaande het uitgeven van geografisch relevante en zich voor cartografische weergave lenende informatie, voor het onderwijs bestemd.

Beperkingen 

Bos’ atlas zou een atlas voor het onderwijs moeten worden, dat stond bij voorbaat vast, en dat werd het dus ook. Zo is het in het lange leven van ‘Bos’ bijna altijd gebleven. Dit uitgangspunt hield in dat er bij het kiezen van geografische benaderingsaspecten (fysische, sociale, economische) rekening moest worden gehouden met datgene dat op de scholen werd onderwezen: wat men met het oog op het leerplan in z’n atlas wenste aan te treffen kon uiteraard (en kan nog steeds) niet worden veronachtzaamd.

De weinig strakke vorm van het curriculum liet overigens nogal wat speelruimte, die Bos effectief wist te gebruiken door in de atlas niet alleen de lopende ontwikkelingen te volgen maar ook zelf vernieuwend richting aan te geven. Zowel het een als het ander diende op wetenschappelijk en didactisch verantwoorde wijze te gebeuren, zij het met beperkte diepgang en zonder verduisterende overladenheid. Het motto waarmee de eerste druk de wereld inging (nou ja, de wereld.) mag men in dit verband wel de waarde van een beginselverklaring toekennen: Nur leer scheinende Karten prägen sich dem Gedächtnisse ein.

Het is een citaat uit een van de geschriften van Alexander von Humboldt, negentiende-eeuws wetenschapsbeoefenaar van grote (iso)cartografische reputatie, door reislust gedreven en als universitair docent niet zonder voor die tijd drastische kaart-didactische opvattingen, waarmee hij ‘meester’ Bos blijkbaar aan zijn zijde vond, overtuigd als die ervan was dat onderwijs het meest gediend is met doelgerichte koppeling van eenvoud en rijkdom aan informatie.

Hoe juist het ook gebleken moge zijn dat alleen leeg schijnende kaarten door de kunst van het weglaten kans maken in het geheugen te blijven hangen, daar hoort toch aanvullenderwijs de constatering bij dat sommige kaarten wel tamelijk leeg moesten blijven, leger dan de atlasmaker lief geweest moet zijn. Dat was geen keuze maar noodzaak, om de eenvoudige reden dat niemand bepaalde streken van onze aarde ooit nog precies in kaart had kunnen brengen.

Hele stukken Afrika, buiten de kustgebieden, bleven daardoor nog goeddeels leeg. In de volgende drukken zien we de voortschrijdende reductie van deze witte plekken doordat er steeds meer van het totdantoe onbekende wordt ontsloten, onder anderen door vorsers als Von Humboldt, die doordrong tot uitgestrekte gebieden in Zuid-Amerika, nog door geen mensenvoet betreden. Oningevuld waren overigens lange tijd ook de achterkanten van de kaartpagina’s, bijna ogend als misdrukken. De techniek had er geen problemen mee deze naar verhouding zeer grote leegten te vermijden, maar blijkbaar vond men toen dat het in een fatsoenlijke atlas zo hoorde. Dat werd later wel anders, maar pas in de 48ste druk van 1976 werden voor het eerst alle bladzijden volledig benut.

Dat de atlas bij een commercieel opererende uitgeverij zou worden uitgegeven zou men eveneens een beperking kunnen noemen, in zoverre dat er op strak tijdschema diende te worden gewerkt, niet alleen uit een oogpunt van kosten, maar ook om de concurrenten die er aanvankelijk nog waren zo weinig mogelijk kansen te geven. Daardoor moest het beste wel eens wijken voor het betere, het betere voor het goede. Per slot van rekening zou de atlas ook betaalbaar moeten worden, een dwingend marktbeginsel, dat op gespannen voet zou kunnen komen te staan met de optie voor grootschalige en inhoudelijk zo actueel mogelijke kaarten. En daar werd inderdaad voor gekozen, niet zonder gevolgen voor de omvang van de investeringen.

Het uiterst subtiele en tijdrovende graveerwerk, lange tijd op lithografische steen en in spiegelbeeld, alsmede de meerkleurendruk deden de produktiekosten toch al ver uitstijgen boven die van ‘normale’ boeken. Binnen de grenzen van dit gevoelig liggende financiële beleid was het raadzaam zich te onthouden van experimenten met hun kapitaalsintensieve risico’s. J.B.Wolters’ voorzichtigheid in dit opzicht spreekt onder meer uit het feit dat de atlas pas in 1914, na de overneming van de steendrukkerij J.H. van de Weijer in de Roode Weeshuisstraat, geheel in eigen huis werd geproduceerd. Het zal al bij al nu duidelijk zijn dat bij auteur en uitgever zowel beginselvastheid als plooibaarheid niet tot de overbodige eigenschappen kon behoren.

P.R. Bos en E.B. ter Horst vonden blijkbaar gezamenlijk en met goed gevoel voor wat de docenten waardeerden het juiste midden tussen die twee. Het voorbericht maakt er geen geheim van dat het allerminst een sinecure was waaraan ze waren begonnen: ‘Aan die onderneming waren voor den Uitgever en den Ondergeteekende beiden geen geringe moeilijkheden verbonden. Groot formaat, nette uitvoering en geringe prijs moesten samen gaan, iets wat in den tegenwoordigen tijd niet zoo gemakkelijk te verkrijgen is.’

De atlas werd op slag een groot succes, de prijs van f 2,90 stond het kennelijk niet in de weg. Al in 1879 zag de tweede druk het licht, en toen Bos in 1902 overleed zou nog datzelfde jaar – E.B.Sr.was inmiddels opgevolgd door zijn oudste zoon Eduard Benjamin ter Horst Jr. – de vijftiende ‘verbeterde en vermeerderde’ druk verschijnen, waaraan hij zelf nog de laatste hand had kunnen leggen, gewetensvol als altijd. Vijftien drukken in vijfentwintig jaar: het kon niet meer stuk.

P.R. Bos’ opvolgers

Kon het echt niet meer stuk? Dat zou na het wegvallen van de grote pionier van twee factoren afhankelijk worden: hoe zou de kracht van de concurrentie zich ontwikkelen, en zou ‘Bos’ bij de opvolger in goede handen komen? In de loop van de jaren negentig was bij de uitgeverij Thieme te Zutphen de Schoolatlas der geheele aarde van A.A. Beekman en R. Schuiling verschenen, namen die in het onderwijs en in de wetenschappelijke wereld der geografen ook wel ergens voor stonden.

Beekman zag in 1914 zijn cartografische verdiensten zelfs met een eredoctoraat van de universiteit van Groningen bekroond, een gebaar dat P.R. Bos jammerlijk onthouden was gebleven. De atlas van de beide genoemde auteurs had door zijn niet te onderschatten kwaliteiten een geduchte bedreiging kunnen worden. Uitgever en auteurs hebben de strijd tot circa 1930 volgehouden, de achtste en laatste druk verscheen in 1927. Alle andere mededingers hadden al eerder moeten afhaken. Daarmee is de tweede vraag eigenlijk reeds bevestigend beantwoord, en dat antwoord is ook van toepassing op de opvolgers van de opvolger.

Tot en met de 48ste druk van 1976 hebben vier achtereenvolgende uit het onderwijs afkomstige auteurs – op de titelpagina met name genoemd – Bos’ erfenis op de hoogte van de tijd gehouden, bekwaam, hoewel ieder op zijn eigen wijze, maar allen in de pas blijvend met verschuivende opvattingen binnen het vak ten aanzien van fysisch milieu, sociale en economische aardrijkskunde, opvattingen die niet nalieten steeds hun weerslag te vinden in de continue stroom nieuwe edities.

Vanaf de 16de druk van 1904 tot en met de 27ste van 1922 was de verzorging van ‘Bos’ in handen van Dr. J.F. Niermeyer, met wie Bos al ver voor zijn dood contact had gehad toen zijn latere opvolger nog leraar aardrijkskunde was. Tot de auteurs die zowel in het fonds van J.B.Wolters als in dat van concurrent (en buurman in de Oude Boteringestraat), de eveneens atlassen uitgevende firma P. Noordhoff, voorkwamen behoorde ook Niermeyer: samen met G.A. Leipoldt gaf hij daar in 1906 een groot formaat ‘Kaart van het wereldverkeer’ uit.

Niermeyer werd in 1909 hoogleraar aan de Utrechtse universiteit, een positie die hem het voordeel zal hebben opgeleverd het onder hem ressorterende geografisch instituut te hebben kunnen inschakelen bij het gebruiken van de mede voor de atlas nodige gegevens. Hij was het ook die de herziening van Bos’ talrijke leerboeken voor zijn rekening nam. B.A. Kwast, leraar aan de Handels-hbs in de Nieuwe Sint-Jansstraat in Groningen (het latere Heymans-lyceum), nam na het overlijden van Niermeyer diens taak over. Onder zijn hoede verschenen de 28ste druk van 1923 tot en met de 31ste van 1927, en vervolgens vier drukken met medewerking van P. Eibergen, leraar aan de Gemeente-hbs aan de Helperbrink, eveneens te Groningen (de latere Dalton-hbs, thans Zernike-college).

Op zijn beurt verzorgde Eibergen alleen de 36ste druk van 1939 tot en met de 39ste van 1955, terwijl de bij J.B.Wolters verschenen leerboeken van zijn collega en voorganger eveneens aan zijn zorgen werden toevertrouwd. Bos’ leerboeken waren inmiddels van het toneel verdwenen, een lot waaraan ook de serie ‘Kwast-Eibergen’ ten slotte niet is ontkomen. Zo gaat dat in uitgeversland, daarin moet worden berust, maar te meer springt de levenskracht van onze ‘Bosatlas’ daarbij in het oog.

Eveneens opmerkelijk in vergelijking met veel goedlopende leerboeken is de ongelijkheid van de intervallen tussen twee edities, waarin geen vast patroon is te ontdekken. Het gemiddelde over 51 drukken is bijna 28 maanden, maar de afwijkingen zijn soms aanzienlijk, naar beide kanten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verscheen er, op 1917 na, elk jaar een herziene druk, de laatstverschenen drie drukken daarentegen liggen zeven jaar van elkaar verwijderd, daarin slechts overtroffen door de afstand tussen de 36ste van 1939 en de 37ste van 1947.

De gretigheid waarmee de Duitse bezetters, zo mogen we wel aannemen, de nieuwe machtsverhoudingen voor de schoolgaande jeugd gevisualiseerd wensten te zien werd niet gehonoreerd. Alle totnutoe genoemden verichtten hun veelomvattende herzieningswerk aan de atlas en auteursarbeid voor hun leerboeken nog steeds naast de werkzaamheden van hun hoofdtaak als docent. Daarin kwam verandering door de komst van Dr. F.J. Ormeling in 1955, weliswaar eveneens uit het onderwijs afkomstig, maar als man met leservaring en in Indonesië verworven cartografische achtergrond fulltime in dienst van de uitgeverij tredend.

Het is niet overdreven te stellen dat Ormelings benoeming voor het kernprodukt van J.B.Wolters, en na 1967 van Wolters-Noordhoff, een nieuw tijdperk van evidente kwaliteitsverhoging heeft ingeluid. De 40ste druk van 1959 tot en met de 48ste druk van 1976 kwamen onder zijn leiding tot stand, in intensief dagelijks contact met de specialisten van het zogeheten Geografisch-Cartografisch Instituut van de uitgeverij, waartoe ook een qua grootte bescheiden redactie- en documentatiestaf behoorde.

Evenals Dr. Niermeyer vóór hem combineerde Dr. Ormeling na zijn benoeming tot hoogleraar in 1964 het werk voor de atlas met zijn professorale taken, aanvankelijk aan de universiteit van Amsterdam als opvolger van Dr.J. Brummelkamp, als schoolboekenauteur evenmin een onbekende bij J.B.Wolters, en laatstelijk aan het International Institute for Aerial Survey and Earth Sciences (itc) te Enschede, waar hij tot 1982 de leerstoel Cartografie bezette.

Vooral in de periode-Ormeling heeft de Bosatlas naar inhoud en vormgeving een ingrijpende metamorfose ondergaan, onder (veel) meer in de verhouding tussen het aantal ‘moederkaarten’ van een regio en het aantal thematische kaarten en kaartjes met betrekking tot bevolkingsgroei, toerisme en recreatie, verkeersdichtheid,  kerncentrales, booreilanden, milieuverontreiniging, ruimtelijke ordening, ontbossing(!), en vele tientallen andere onderwerpen waaraan deze aarde in onze tijd zo rijk is.

In de tien jaren in Indonesië heeft Dr. Ormeling, in zijn eigen woorden, het voorrecht genoten de geografische kennis dienstbaar te kunnen maken aan vraagstukken van algemeen welzijn. Er is geen twijfel aan dat deze dienstbaarheid zich ook heeft uitgestrekt tot zijn Bos-periode van toegepaste wetenschap ten bate van het onderwijs. Dat was trouwens niet in de laatste plaats een voorrecht voor de uitgeverij. Hoewel nog steeds in lijn met de hoofddoelstellingen van de vijf illustere voorgangers (grootschalige kaarten, eenvoudig kaartbeeld, actuele kaartinhouden), loopt ook het aantal wijzigingen in de 49ste druk van 1981, de 50ste van 1988 en de 51ste van 1995 in de duizenden.

Alleen al in deze laatstverschenen editie zijn meer dan tweehonderd nieuwe kaarten en grafieken opgenomen, vijfhonderd andere werden ‘bijgewerkt’: een eenvoudig klinkende term voor een ontzagwekkende hoeveelheid speur- en tekenwerk. De ingrijpend veranderde politieke kaart van Europa maakt daarvan een belangrijk onderdeel uit. De tijd van eenmanswerk, die letterlijk gesproken natuurlijk nooit heeft bestaan, is nu wel definitief voorbij. De naam van een atlasredacteur zal men in de laatste drie drukken dan ook tevergeefs zoeken. Er staat nu simpelweg ‘Wolters-Noordhoff’ in de kolom ‘Atlasredactie’, waarachter zich een team van zich vakmatig sterk kwalificerende redacteuren en tekenaars verbergt. Samen ’tekenen’ zij voor een Bosatlas met een ononderbroken kaartwerk tot een omvang van 168 bladzijden met niet minder dan zevenhonderd kaarten, kaartjes en grafieken.

De verantwoordelijke uitgever van Wolters-Noordhoff Atlasprodukties is Dr. A.T. van Holten, de produktontwikkeling is mede in handen van Drs. J. Russchen, hoofd cartografie, in de duidelijke voetsporen getreden van A. Bus, die in een meer dan veertig jaar lange aan de atlassen gewijde loopbaan, waarvan vele jaren als hoofd van het gci, grote verdiensten voor ‘Bos’ heeft gehad.

De naam van Drs. G.F. Willems, vele jaren het ‘cartografisch geweten’ van de Bosatlas, mag hier evenmin ontbreken. Het denken over de volgende editie mag dan stellig in volle gang zijn, voorlopig laat de wereld ons nog even in het ongewisse over de vraag wat ons tot aan 2002 aan voor de Bosatlas relevante feiten en gebeurtenissen nog zoal te wachten staat. Eén ding staat echter bij voorbaat vast: de 52ste editie zal niet ongewijzigd zijn.

De meest ideale atlasmakers lopen vast met hun werk als dat niet door het beleid van de ondernemingsleiding mogelijk wordt gemaakt en metterdaad wordt gesteund. Daarom hoeven de directeuren die de laatste honderd jaar, staande op de schouders van E.B. ter Horst Sr., voor dat beleid verantwoordelijk zijn geweest zich voor hun inspanningen niet te schamen.

Meer veranderingen 

Een belangrijk criterium voor de bruikbaarheid van de atlas ligt voor sommige raadplegers minder in z’n didactische en vakinhoudelijke concept dan, bijvoorbeeld, in de juistheid van de loop van grenzen als gevolg van staatkundige veranderingen, en in de ligging en de actuele schrijfwijze van landen en plaatsnamen. Veel is in dat opzicht telkens weer in de Bosatlas gewijzigd, naar beste weten en op tijd, dus niet te laat en niet te vroeg.

Als er territoriale geschillen in het spel zijn of als spellingperikelen aandacht vragen, is dat minder eenvoudig dan het klinkt en blijkt het niet altijd mogelijk alle betrokken partijen tevreden te stellen. Dan moeten er dus zo objectief mogelijke keuzes worden gemaakt. In een eeuw met twee wereldoorlogen en hun gevolgen, met nationalistische afscheidingen, met de dekolonisatie van grote delen van Afrika en Azië (ooit hadden de kaarten betreffende Nederlandsch-Indië niet minder dan dertien procent van de kaartruimte in beslag genomen), in dit tijdsgewricht dan zagen we legio nieuwe staten ontstaan en tal van andere namen voor landen en steden: van Danzig naar Gdansk, van Batavia naar Jakarta, enz., die alle hun sporen in de Bosatlas achterlieten.

Ook binnenlandse machtswisselingen deden dat: Stalingrad werd Volgograd, etc. ‘Zodoende vormen de opeenvolgende drukken een reeks kaleidoscopische beelden van de politieke machtsverschuivingen in de wereld, die waarschijnlijk nergens met groter regelmaat kartografisch zijn geregistreerd als in honderd jaar Bos’, aldus Dr. Ormeling in 1977. En in 1992 verschijnt dan een voor geïnteresseerden in atlassen en geschiedenis fascinerend atlasboek: De wereld volgens de Bosatlas 1877-heden.

Door middel van een selectie van dertien illustratieve regio’s, van Nederland tot en met de hele wereld, wordt uit de edities van zeven saillante jaren een bloemlezing samengesteld die inderdaad, en niet zelden verrassend, aantoont hoe historisch-vergelijkend atlasgebruik meer dan honderd jaar geschiedenis door kaarten tot leven kan brengen: steeds duidelijker, steeds kleuriger.

Verweg van de grote emancipatorische en politieke veranderingen op wereldniveau plegen in ons land spellingwijzigingen nogal wat energie en emoties tot zich te trekken. ‘Bos’ zou er niet voor gevrijwaard blijven. Bij de spellingvernieuwing van 1934 waren de aardrijkskundige namen buiten schot gebleven, zodat er een scheuring in het systeem ontstond: ‘gewone’ woorden werden qua schrijfwijze vereenvoudigd, toponiemen niet: in Hindeloopen bleef je zelden een hinde zien lopen, en ook sindsdien is er geen algehele aanpassing aan nieuwe spellingregels gekomen, ook niet bij de meest recente.

Wel werd er in de jaren dertig een commissie in het leven geroepen en volgens haar aanbevelingen kwam er in 1976(!) een lijst met voorstellen voor vereenvoudigingen, die evenwel nog steeds geen officiële status hebben. De tegenstrijdigheden zijn dus ook nu nog niet over de hele linie opgeheven. Wel moest Groenloo zich intussen de amputatie van z’n laatste o laten welgevallen, Eede treurde om het verlies van een van z’n e’s, maar Heerenveen mocht ze alle vijf houden, en waar moeten we heen als de Rijn niet langer bij Lobith ons land binnenstroomt? Zelfs de onuitspreekbaarheid van oi vóór de r doet Brabanders niet opteren voor Oorschot, en voor verandering van Usquert in Uskwerd hoef je niet aan te komen bij Groningers, die door P.R. Bos in 1876 in zijn ‘Beknopt leerboek der aardrijkskunde’ als volgt werden gekarakteriseerd: ‘De lang behouden eigenaardigheden en het hoekige in ’t karakter van de Groningers (.) zullen door het drukker verkeer langzamerhand moeten verdwijnen.’ Het verkeer is drukker geworden.

In de loop van de jaren zestig had de ‘Grote Bos’ overigens Hollandsch Diep al veranderd in Hollands Diep, enz., enigszins op eigen gezag en met de gemoedsrust die bij een vrijwel geruisloze ontvangst hoort. Maar toen in de Kleine Bosatlas (1e druk 1878, 58ste druk 1996) in 1973 de nog niet officieel ingediende voorstellen van de commissie alvast werden geïntroduceerd, overspoelden golven van vanbuiten komende emoties de Wolters-Noordhoffpanden in Akkerstraat en Oude Boteringestraat. Een krant meldde: ‘Den Bosch verklaart De Bos de oorlog!’

IJlings werden de stoutmoedig aangebrachte vernieuwingen in de tweede oplage van de onderhavige druk ongedaan gemaakt: de ‘Groningse spelling’ had het niet gehaald. En ook anno 1997 kunnen de Snekers nog steeds zeilen op hun Sneeker Meer. Voor de buitenlandse namen lijkt het een eenvoudig uitgangspunt te kunnen zijn, de schrijfwijze te gebruiken die in het land van herkomst zelf de gangbare is. Dat is echter te simpel. P.R. Bos noemde de Amerikaanse stad Salt Lake City nog Zoutmeerstad en op zijn kaart van ‘Middel-Europa’ valt ons in de streek die wij nu gewend zijn Sauerland te noemen het ‘Zuurlandsch Gebergte’ op, maar overigens nam hij geen overdreven toevlucht tot dit soort ‘vertaling’.

Ook de atlasredacteuren na hem probeerden zoveel mogelijk van dit type oneigenlijke benamingen af te komen, maar met sinds jaar en dag in onze taal aanwezig idioom waarin Rome, Aken en Keulen figureren, blijven zij uiteraard rekening houden, evenals met Parijs, Berlijn, Zweden, enz. Met de omzetting van El Qahirah, waarin wij vooralsnog niet de hoofdstad van Egypte herkennen, in Cairo zijn we zelfs zeer geholpen. Toch worden deze aanpassingen van het origineel in vele gevallen slechts tussen haakjes aan de enige echte naam toegevoegd. En terecht, zo komt het mij voor, want het is moeilijk in te zien waarom, bijvoorbeeld, Turijn voorrang zou moeten krijgen boven Torino, uitspreekbaar voor iedereen die evenmin moeite blijkt te hebben met de overvloed aan buitenlandse namen uit de werelden van sport, film en muziek waarmee we elke dag zijn omgeven, zonder aan vernederlandsing te denken.

Anderzijds dienen eenvoud en herkenbaarheid voor leerlingen leidend principe te blijven, vindt men bij Wolters-Noordhoff terecht. Daardoor is het voor de atlasgebruiker een hele steun dat ‘Bos’ bij de voor ons moeilijk toegankelijke schriftsystemen als Arabisch en Chinees door transcriptie voor deze herkenbaarheid gezorgd heeft en overal daar waar uitspraakproblemen dreigen per land met een toelichting duidelijkheid heeft verschaft.

Nog meer ‘Bos’, vroeger en nu 

P.R. Bos heeft nog heel wat meer op zijn naam staan dan datgene dat we in het voorgaande hebben genoemd. Het voert echter tot buiten de bescheiden grenzen die voor dit in eigen beheer vervaardigde geschriftje zijn vastgesteld daar nu nader op in te gaan. Een volledige wetenschappelijke bibliografie, zoals nota bene wel voor Beekman en Schuiling is samengesteld, is voorzover mij bekend nog steeds een duidelijke lacune.

Geïnteresseerden kunnen overigens veel wetenswaardigs te weten komen uit de nog steeds verkrijgbare catalogus, uitgegeven door de Universiteitsbibliotheek te Groningen bij de tentoonstelling ‘P.R. Bos en zijn Grote Atlas’ in 1989, die zich niet tot deze atlas alleen beperkte (f 17,50). Vele leerboeken op verschillende niveaus voegde Bos aan zijn eerdere werken toe. Voorts kwam er een reeks klassikale wandkaarten, van Groningen tot de werelddelen, en de reeks Nederland in woord en beeld verscheen: vier series van ieder zes schoolplaten en nog twee apart, alle ‘volgens aquarellen naar de natuur geteekend door B. Bueninck’.

Aangemoedigd door het succes van hun Schoolatlas der geheele aarde hebben Bos en zijn uitgever bovendien een heel assortiment andere, eenvoudiger of meer op een bepaalde regio toegesneden, atlassen op de schoolmarkt gebracht. Sommige daarvan bestaan nog steeds, al hebben ze weinig anders meer met hun voorgangers gemeen dan de naam ‘Bos’, van eigennaam tot merknaam geworden.

Het kleinste lid van deze familie is de aandoenlijke Boskabouter. Een Bosatlas voor de wereldgeschiedenis ontbreekt niet aan dit tableau en wie niet te lang meer wacht kan zelfs nog aan een ongewijzigde herdruk van de eerste Bosatlas uit 1877 komen. Uit deze ene titel van de hier gegeven niet-volledige opsomming blijkt reeds dat naast het onderwijs ook de publieksmarkt niet uit het oog wordt verloren.

Ongeveer honderd jaar na het verschijnen van de eerste uitgave is een begin gemaakt met de vervaardiging van Bosatlassen voor andere landen. Dit expansieve, op internationalisering gerichte, beleid, – door de toenmalige directie mede ontwikkeld ter uitbreiding van de omzet, die door uiteenlopende oorzaken nieuwe impulsen nodig had – , is niet zonder betekenis gebleken: er werden in 1995 meer Bosatlassen in het buitenland verkocht dan in Nederland! De Belgische coëdities stegen naar een marktaandeel van boven de vijftig procent, en in elk ander land waarvoor in samenwerking met een daar gevestigde uitgeverij een speciale uitgave werd geproduceerd is ‘Bos’ een veelgebruikte schoolatlas.

Er is nu verder een Franse, een Zweedse, een Deense editie, een Noorse staat op stapel, Finse, Engelse en Surinaamse edities lijken binnen bereik te komen. Was het medium ‘papier’ door alle jaren heen een vanzelfsprekende en onmisbaar geachte informatiedrager, de ‘Makers van de Bosatlas’ hebben thans het ontwikkelen van ‘medium-neutrale geografische informatiesystemen’ op hun programma staan, met de bedoeling tot de verkrijgbaarheid van elektronische produkten te geraken.

Het is waarachtig niet te veel gezegd: ‘Meester’ Bos, de pionier van toen, zou het allemaal niet hebben kunnen geloven, evenmin als hij zou hebben kunnen bevroeden, dat de unesco ‘Conference on Education and Cartography’ de Bosatlas in 1985 kwalificeerde als behorend tot de top-vier van de toonaangevende atlassen in de wereld.

Balans 

Bos’ atlas als veel gebruikt en geprezen nationaal en internationaal kaartenboek is, de beschreven ontwikkelingen bewijzen het, nu meer dan ooit een levensgroot venster op een wereld in verandering. Verandering: dat is voor de Bosatlas, paradoxaal gezegd, de enige echte constante. Bij de gratie van die constatering mogen we gespannen en bewonderend blijven uitzien naar elke volgende editie van dit gave, harmonische en heldere ‘nationale monument’, en: P.R. Bos met respect blijven gedenken. De initiatiefnemer van Bos’ belangrijkste schepping, zijn uitgever E.B. ter Horst Sr., heeft er recht op in dit eerbewijs te delen. Hier zij daarom ook hem, honderd jaar na zijn dood, welverdiende hulde gebracht.

Bronnen 

  • K. Bakema (red.), Honderd jaar Hogelandse Hogere Burgerschool. RHBS, Warffum 1868-1968. Warffum, 1968
  • Henk Donkers, De kunst van het weglaten. Vijftigste druk van de Grote Bosatlas, in: NRC Handelsblad, 5 januari 1988
  • Henk Donkers, Een atlas voor de hele wereld, in: NRC Handelsblad, 9, maart 1995
  • Wil M. Groothuis, Bert Zeijlmaker, P.R.Bos en zijn Grote Atlas. Catalogus bij de tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek te Groningen. Groningen, 1989
  • F.J. Ormeling, Open kaart. Groningen, 1965 F.J. Ormeling, Honderd jaar Bosatlas, in: Kartografisch Tijdschrift, III, 4, 1977
  • F.J. Ormeling, Commotie rondom Nederlandse toponymen; Een terugblik, in: Kartografisch Tijdschrift, XVIII, 3, 1992
  • O. Postma, Derde Gedenkboek van de Rijks Hoogere Burgerschool te Groningen, uitgegeven bij het 50-jarig bestaan van de school. Groningen, 1914
  • Wolters-Noordhoff, Pers- en promotiemateriaal
  • H. Zondervan, Pieter Roelof Bos, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, XIX, 1902

{mospagebreak}

—————————————

Bijschrift P.R. Bos (19 februari 1847-22 juni 1902) op 46-jarige leeftijd.

Deze foto is waarschijnlijk gemaakt met het oog op het album met portretten van auteurs dat E.B. ter Horst, zwager en opvolger van J.B.Wolters, in 1894 kreeg aangeboden bij zijn terugtreden als directeur ten behoeve van zijn naar hem genoemde oudste zoon.

Banden en hun ontwerpers

1 Deze band is gebruikt voor de – thans nog verkrijgbare – facsimile-uitgave van de eerste druk, maar is zelf niet authentiek. De belettering is dat wel, zij het dat deze pas bij latere drukken tot in de jaren-1890 is toegepast. Vermoedelijk was de atlas in het begin overigens alleen ingenaaid verkrijgbaar. Voor inbinden moest men desgewenst zelf zorgen.

2 Deze meetkundige vlakverdeling heeft de Bos-band tot het eind van de jaren-dertig gekenmerkt. De ontwerper is (mij) niet bekend. Het ontwerp werd ook voor andere atlassen gebruikt, en voorts voor een groot aantal boeken voor diverse vakken, in wisselende kleurstellingen, maar toch met de relatief grote eenvormigheid die in het J.B.Wolters-fonds vrij lang heeft gedomineerd.

3 Jan van Krimpen (1892-1958) behoort tot de grootste letterontwerpers en boekverzorgers die ons land heeft gekend. Van zijn hand is deze ‘klassieke’ band, die velen zich van hun schooltijd zullen herinneren. Dit ontwerp sierde de Bosatlas vanaf de eerste na-oorlogse druk tot ongeveer halverwege de jaren zestig.

4 Wim Crouwel (1928), ooit mijn klasgenoot op P.R. Bos’ Rijks-hbs, ontwierp deze band met het stofomslag rechtsboven. In mijn atlas-beleving worden ruimte en tijd er prachtig mee verbeeld. Het verschil met Van Krimpen’s belettering is opvallend. Het vindt zijn parallel in de bekende cijferpostzegels van hun hand. Bij sommige drukken is het woord ‘grote’ minder groot.

5 Deze band, ontworpen door Mart Kempers (1924-1993), is slechts gebruikt voor de 49ste druk van 1981. Toch is het één van de verdiensten van dit geslaagde ontwerp, dat het het eerste is dat niet alleen door letters maar ook door de fraai gestileerde uitbeelding van de aarde de samenhang met het binnenwerk tot uitdrukking brengt. Het had uit artistiek oogpunt een langer leven verdiend.

6 Het frisse uiterlijk van nu, met geringe verandering in de kleurstelling van de belettering ten opzichte van de 50ste editie. De gestileerde grondvorm van het aardoppervlak is gebleven, maar in veel geprononceerder vorm, ongetwijfeld effectiever als aandachttrekker, maar minder een eenheid met het binnenwerk dan z’n voorganger. Ontwerp: Studio Wolters-Noordhoff (Herman ten Kate).

Schoolboeken in bezettingstijd, een terugblik

KleinSchoolboekoorlogstijd

Inleiding

Schoolboeken zijn, door hun functie van informatiedragers van leerstof, een beproefd middel tot cultuuroverdracht binnen een bepaald politiek systeem. Uiteraard is daarbij vooral de jeugd in het geding. Autoritaire regimes onderkennen met het oog op hun ideologie het belang van die leeftijdsgroep en zijn er daarom altijd op uit alles bij jonge mensen uit de buurt te houden wat niet past bij de politieke doelstellingen waarmee zij hen in hun greep beogen te krijgen. Schoolboeken worden in zo’n situatie een prooi van censuur en manipulatie: wat mag er wel en wat mag er niet in? In deze beknopte beschouwing gaat het over de vraag hoe de bezettende macht in de jaren 1940-1945 hierin te werk is gegaan en in hoeverre zij erin geslaagd mag heten de Nederlandse leerlingen, docenten en uitgeverijen effectief aan zich te binden.

Duitsland 1933 

In de jaren dertig was in Duitsland al te zien geweest hoe de nationaal-socialistische machthebbers, eerst geleidelijk en later gedecideerder, de politisering van schoolboeken ter hand hadden genomen. Zeker, het verbranden bleef aan boeken voor volwassenen voorbehouden. Maar hoewel het nog tot 1938 zou duren voor het echt moeilijk werd aan hun wurggreep te ontkomen, werden ‘Richtlijnen’ voor geschiedenisboeken toch al in juli 1933 gepubliceerd, nog geen half jaar na Hitlers machtsaanvaarding.

Zo voerde ‘der heldische Gedanke in seiner germanischen Ausprägung, verbunden mit dem Führergedanken unsrer Zeit’ bijvoorbeeld tot een herziening van het historische fenomeen van de Germaanse volksverhuizing, die ‘dem in seinem Rassenmischmasch entarteten römischen Weltreich frisches nordisches Blut zuführte.’ Enzovoort: ‘Blut und Boden’, ‘Lebensraum’, gevoelens van superioriteit, haat jegens minderheden, kweken van vijandbeelden, om maar enkele trefwoorden te noemen.

Maar ook andere vakken dan geschiedenis werden het doelwit van de nationaal-socialistische ideologie: biologie, zang, de moedertaal, ja eigenlijk álle vakken. Een voorbeeld uit een Duits rekenboekje (!) uit 1936: ‘De bouwkosten van een gezinswoning bedragen 6.000 Rijksmark. In 1934 werden zo’n 284.000 woningen gebouwd. De bouw van een verpleeghuis voor zwakzinnigen kost ongeveer 6 miljoen Rijksmark. Hoeveel gezinnen zouden daarvoor een woning kunnen krijgen?’

Behalve dat de propagandistische zin over het aantal woningen in 1934 voor de uitkomst van de ‘som’ van geen belang is, valt het op dat de kinderen de conclusie wordt opgedrongen, dat wel duizend (gezonde) gezinnen vanwege zorg voor zwakkeren een nieuwe woning wordt onthouden. Daarmee wordt alvast op geraffneerde manier mentale ruimte geschapen voor de acceptatie van perverse opvattingen over de behandeling van als minderwaardig beschouwde groepen en rassen, opvattingen die in hun uiterste consequentie tot Auschwitz zouden leiden. ‘Das war ein Vorspiel nur; dort wo man Bücher Verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen.’ (Heinrich Heine, Almansor, eine Tragödie, 1823).

Het schoolboek in dienst van amorele politiek-propagandistische motieven: hoe zou dat na de capitulatie van 15 mei 1940 in Nederland gaan?

Nederland bezet: ‘richtlijnen’ 

Geestelijke vrijheid en gelijkheid voor de wet voor iedereen, de belangrijkste kenmerken van democratie, zouden het zwaar te verduren krijgen, dat stond bij voorbaat wel vast. Dat kwam wat de schoolboeken betreft al spoedig tot uiting toen van Duitse zijde aan de hand van twee geschiedenisuitgaven werd gesignaleerd, dat er maatregelen nodig zouden zijn om leerboeken ’te zuiveren van toespelingen, opmerkingen, beweringen en verdachtmakingen die het Groot-Duitse Rijk, zijn volk, zijn leiding, zijn politieke ontwikkeling en zijn houding ten opzichte van wereldbeschouwing en sociale en economische problemen in discrediet brengen, of er zich voor lenen om dat te doen.’

De aanleiding betrof een spotprent op Hitler en een typering van de Führer die de bezetters niet bevielen. Overigens waren sommige uitgeverijen (en openbare bibliotheken) uit eigen beweging al met voorbereidingen tot een zekere zelfcensuur begonnen, maar daaraan ontbraken ‘systeem’ en aanvankelijk nog dwang. De oprichting van een Commissie van Voorlichting voor Leerboeken moest daarin, september 1940, nu actiever gaan voorzien, dat wil zeggen zonder dat de Duitse bezetter telkens opnieuw per geval de vinger wilde leggen op wat hij ‘deutschfeindliche’ uitlatingen beliefde te noemen.

De richtlijnen die deze commissie voor het beoordelen van herdrukken van bestaande en van nieuwe uitgaven meekreeg lieten er geen misverstand over bestaan: schoolboeken zouden niets mogen bevatten dat naar het oordeel van de bezetters getuigde van een vijandige houding tegenover het Duitse rijk, zijn leiders en zijn instellingen, of het nu ging om verleden, heden of toekomst.

Marxisme en pacifisme mochten slechts als historische verschijnselen strikt zakelijk worden genoemd. En alles wat zweemde naar verheerlijking van levende leden van het Huis van Oranje moest worden ontweken, enz.

Kortom, passages die anti-Duitse gevoelens zouden oproepen of aanwakkeren en fragmenten van auteurs die de Duitsers niet aanstonden zouden de leerlingen niet meer onder ogen mogen komen. We zullen aanstonds zien hoe dit in de praktijk uitwerkte, maar richten eerst onze aandacht op de samenstelling van de commissie.

Prof. Dr. J. van Dam 

De Commissie van Voorlichting voor Leerboeken kwam onder leiding te staan van prof. dr. J. van Dam, hoogleraar Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Enkele maanden later, november 1940, werd hij tevens benoemd tot secretaris-generaal van het zogeheten Departement van Onderwijs, Wetenschap en Kultuurbescherming, als hoogste ambtenaar de, met de Duitsers samenwerkende, plaatsvervanger van de minister, die zich evenals de andere leden van de regering in mei 1940 naar Londen had begeven.

Van Dam wordt getypeerd als een goedhartig man, uitgesproken pro-Duits, dat wel, hoewel geen fanaticus die veel met de nsb op had. Hij leende al in de jaren dertig het oor aan de uiterlijke tekenen van ‘orde’ in Duitsland, zonder de vergiftigde politieke ondergrond voldoende te herkennen en principieel af te wijzen, een houding waarmee hij overigens in het vooroorlogse Nederland bepaald niet alleen stond. Het veel gebruikte werk Van Stockum-Van Dam, Geschichte der deutschen Literatur (deel 2, Groningen, 1935) droeg al duidelijke sporen van zijn welwillendheid tegenover de ‘Blut und Boden’-literatuur en van zijn afnemende waardering van de emigranten onder de Duitse schrijvers.

Terzijde: wie hem wegens deze opvattingen veroordeelt kan zijn mede-verantwoordelijke collega-auteur prof. dr. Th.C. van Stockum redelijkerwijs niet buiten schot laten. Zoals gezegd, een ‘Draufgänger’ was Van Dam nu niet bepaald, en de overige vier leden van de commissie, afkomstig uit kringen van de onderwijsinspectie en de boekhandel plus een ambtelijke secretaris, waren geen van allen gemotiveerd hem te stimuleren. Daarvoor gingen zij blijkbaar te zeer uit van het (discutabele) streven ’te redden wat er te redden viel’.

Hiermee was al duidelijk dat grondige organisatorische en leerstof-inhoudelijke koerswijzigingen in het onderwijs, zoals de Duitsers die ongetwijfeld in de zin hadden, geen doorgang zouden vinden als de invoering daarvan van het Departement en van deze commissie afhankelijk zou zijn.

De commissie aan het werk 

Door enkele tientallen ‘medewerkers’ voor de diverse vakken en schoolsoorten in te schakelen zag de commissie kans nog in 1940 zo’n negenduizend boeken en boekjes te ‘controleren’ op wat ‘Deutschfeindlichkeit’ moest heten, welk aantal eind 1943 tot twaalfduizend was opgelopen.

Drie groepen waren te onderscheiden:

– de boeken die ongewijzigd in gebruik mochten blijven,

– de boeken die slechts werden toegelaten nadat bepaalde passages overgeplakt waren met strookjes blanco papier of waren weggesneden dan wel nadat hele bladzijden waren vervangen door zogenaamde ‘wijzigingsblaadjes’ die de uitgeverijen ter beschikking stelden als het om grotere fragmenten ging,

– de boeken die geheel als ‘verboden’ werden aangemerkt.

Bij de tweede categorie ging het dan vaak om het onleesbaar maken van zinnetjes met een draagwijdte als: ‘Op koninginnedag vieren we feest’, maar ook ingrijpende verminkingen waren geen uitzondering.

Nemen we, slechts als voorbeeld, de zesde druk van een veel gebruikte Duitse literatuurgeschiedenis met bloemlezing (B.E. Bouwman en Th.A. Verdenius, Hauptperioden der deutschen Literaturgeschichte bis zum Naturalismus), verschenen in 1942, en vergelijken we die met de vijfde druk uit 1937, dan zien we dat de biografie van Heine in deze eerste oorlogseditie weliswaar nog voorkomt, maar het portret van hem, met het onderschrift ‘Ich bin ein deutscher Dichter, bekannt im deutschen Land, Nennt man die besten Namen, so wird auch der meine genannt’, is daaruit dan weggelaten. Toegevoegd is de zin: ‘In Deutschland hat man vor allem an seiner unvölkischen Gesinnung und seinem Internationalismus Anstoss genommen’, en het aantal pagina’s uit zijn werk is drastisch verminderd.

In de zevende druk uit 1943 zijn vervolgens álle gedichten en prozafragmenten van Heine verwijderd, een lot dat gedeeld wordt met Die Parabel von den drei Ringen uit Nathan der Weise van Lessing, dat, ‘glänzende Verteidigung der Duldsamkeit’, van dit werk nu juist de kern vormt. In de zesde druk kwam dit fragment nog voor. In het derde deel van Onderdrukking en verzet vermeldt G.A. van Poelje merkwaardig genoeg slechts deze zesde druk, zodoende Th.A. Verdenius meer relatieve eer gunnend dan hem in dit verband toekomt.

Was het niet eerder te prijzen geweest wanneer de auteur de kans had gegrepen zich alsnog en juist nu te revancheren, na de deining die de vijfde druk uit 1937 had veroorzaakt? De nazi-literatuur van de jaren dertig was daarin al, zonder enige externe pressie, sterk tendentieus in het voordeel van de latere bezetters behandeld. Zoals gezegd: een voorbeeld slechts.

Het proefschrift van D.F. Koldijk uit 1990, Het literatuurboek Duits in de periode 1920 tot 1975 maakt duidelijk dat deze zich aan de omstandigheden aanpassende houding van uitgevers en auteurs het algemene beeld grosso modo bepaalt, althans voor het vak Duits.

Voor de andere vakken is dit tot op heden, voorzover mij bekend, niet grondig onderzocht, maar er is voorshands onvoldoende reden te veronderstellen dat het in die gevallen sterk afwijkt van de bevindingen bij Duits. Zo was dan van 1942 af niet alleen het opnemen van werk van joodse schrijvers in literatuurgeschiedenissen en bloemlezingen verboden, maar waren bovendien alle schoolboeken van de hand van joodse auteurs, ongeacht het vak en ongeacht de inhoud, niet meer toegestaan. Was een boek gezamenlijk door een joodse en een niet-joodse auteur geschreven, dan moest de naam van de eerstgenoemde onleesbaar worden gemaakt.

Verboden tenslotte werd het gehele werk van Thomas Mann, Franz Werfel, en anderen, van wie in leesseries voor het literatuuronderwijs-Duits bij diverse uitgeverijen schooluitgaven verkrijgbaar waren. Al met al was het aantal verboden boeken om uiteenlopende redenen in 1943 tot zevenhonderd gestegen. Niet alleen de werken voor Duits werden op de korrel genomen, want het spreekt vanzelf dat werken voor vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, biologie en bloemlezingen voor het moedertaalonderwijs, Frans en Engels, taal- en leesboekjes, schrijfcahiers, zangbundels, enzovoort, een overvloed aan score-mogelijkheden boden voor hen die bereid waren zich met dit beschamende werk in te laten.

Het intellectuele niveau en de groteske beduchtheid voor ‘besmettingsgevaar’ waarmee dit censureren plaatsvond, worden geïllustreerd door een taalboekje dat potsierlijkerwijs voor de bijl ging omdat in een bepaald lesje een ‘Dolf’ geheten jongen bij een stoeipartijtje door z’n vriendje in het water werd geduwd, dus de verliezende partij was. Waar ‘Kultuurbescherming’ al niet toe kan leiden. W.J. Simons vertelt hoe in een van de Dik Trom-boeken, vóór de eerste wereldoorlog verschenen, een sneeuwballengevecht tussen Duitse en Nederlandse jongens wordt beschreven, met de titel: ‘De bestorming van het sneeuwkasteel en eene heldendaad van Jan’. ‘Leve de koningin!’ riepen onze jongens toen ze hadden gewonnen, en die afloop was voldoende om dit boek als ‘deutschfeindlich’ aan de kaak te stellen, en: te verbieden.

Deze doorzichtige voorbeelden kunnen natuurlijk, anderzijds, de bedenkelijke ernst van de ingrijpender wijzigingen verhullen noch bagatelliseren. Er zijn overigens aanwijzingen genoeg om vast te stellen dat vele scholen, gesteund door de onderwijsinspectie, zich weinig aan al dit fraais gelegen hebben laten liggen. Op sommige scholen waren de niet-toegestane boeken opgeborgen in een niet-afgesloten kast, waarop de tekst ‘Verboden boeken’, dus bij uitstek de aanduiding die de grootste kans maakte deze werken tot begeerlijke leenobjekten te maken.

Hilariteit in de klas kwam veel voor, waardoor de ‘richtlijnen’ een contra-produktief effect kregen. Bovendien bleven de oude niet-‘herziene’ boeken op grote schaal in gebruik alsof er niets aan de hand was. Tot allesomvattende strenge controle met bijbehorende sancties en tot wezenlijke algehele herschrijving van leerboeken is het hier, anders dan in Duitsland, niet gekomen. Wel kwam de commissie-Van Dam in 1943 met een samenvattende catalogus van 524 bladzijden voor de dag, waarin, gerangschikt naar vak, alle schoolboeken waren opgesomd waarvan het gebruik was toegestaan, een aantal dus voorzien van over verboden passages of namen heengeplakte strookjes of van ‘wijzigingsblaadjes’.

Nieuwe nog niet in de catalogus opgenomen uitgaven moesten uiteraard eveneens aan het oordeel van de commissie worden onderworpen. Dat zijn er na 1943, ook door de toenemende papierschaarste, niet veel meer geweest, mede omdat uitgeverijen en auteurs wel wat anders aan het hoofd hadden.

Persoonlijk intermezzo 

Klas 6 van de lagere school aan de Cortinghlaan in de stadswijk ‘De Hoogte’ te Groningen in 1942. Ik zit op de voorste rij, derde van links. De school lag, letterlijk en figuurlijk, in het hart van de wijk. Slechts weinigen waren er zo bevoorrecht, te mogen ‘doorleren’, ook dat was een kenmerk.

‘De Hoogte’ was destijds een soort besloten tuindorp, geïsoleerd gelegen aan het eind van de Bedumerweg, met een heel eigen karakter van saamhorigheid, met gedeelde armoede als negatief maar bindend element, maar ook met de fiere kracht van sterkende buurtcontacten, met veel binding, ook politiek: de bezorger van ‘Het Volk’, sociaal-democratisch dagblad, had een lijstje bij zich met de adressen waarop hij de krant niet hoefde te bezorgen.

In dit beeld lieten mijn ouders zich verre van onbetuigd, wat op ons, kinderen, afstraalde en ons mede vormde. Al vroeg voelden wij de onrechtvaardigheid van de sociale achterstanden onder goedwillende mensen.

Nu ik hier over zoiets zakelijks als schoolboeken tijdens de bezetting schrijf, wil ik daaraan toch ook de persoonlijke herinnering verbinden aan de tientallen buurtgenoten die in en door de oorlog de dood vonden: aan onze joodse buren, aan degenen die in het verzet het leven lieten, en in Duitsland in kampen of door bombardementen, in het herdenkingsjaar dat nu ten einde loopt misstaat deze gedachte niet. Al hun mij zo vertrouwde namen staan geschreven in het dagboek waaruit hiernaast een fragment is opgenomen.

Woensdag 9 mei 1945 ‘In Aken, de eerste Duitse stad, die werd veroverd, zijn weer enige scholen geopend. 25 onderwijzers zijn goedgekeurd. Alleen boeken van voor de Hitler-periode mogen worden gebruikt.’

Fragment uit het oorlogsdagboek van een vijftienjarige.

De Vooys en Stuiveling 

Hoezeer het voorgaande ook tot het verleden mag behoren, één schoolboek is er dat door zijn oorlogsgeschiedenis ook na al die jaren nog niet uit de actualiteit is verdwenen. ‘Vrij Nederland’ van 14 januari 1995 heeft het er nog weer eens over. Het gaat om Historische Schets van de Nederlandse letterkunde voor schoolgebruik en hoofdaktestudie door dr. C.G.N. de Vooys, in 1908 voor het eerst verschenen bij J.B.Wolters te Groningen, van de zestiende druk uit 1939 af met medewerking van dr. G. Stuiveling, die de zorg voor het boek, na de dood van de eindverantwoordelijke hoofdauteur in 1956, op verzoek van de uitgever alleen op zich nam.

In de zeventiende druk van 1942 nu werd van zes joodse schrijvers, onder anderen van Victor van Vriesland, in het curriculum vitae dat aan de bespreking van hun werk voorafging het bekende feit van hun joodse afkomst vermeld, zoals dat bij vele anderen al het geval was, ook wanneer het andere religieuze of politieke overtuigingen betrof.

Ofschoon daarmee bij geen van hen een geheim werd onthuld en het verwijt dat hiermee levens in gevaar zouden zijn gebracht dus elke grond miste, heeft zich uit deze, onder die omstandigheden niet al te gelukkige, toevoeging een geruchtmakende ‘affaire’ ontwikkeld, vooral ná de dood van De Vooys. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de ‘rel’ in de jaren zestig is geforceerd door mensen die het er moeilijk mee hadden de feiten in hun relatieve betekenis te beoordelen.

Ook krijgt men het idee dat het hen eigenlijk minder om de bijna ongewijzigde zeventiende druk ging dan om de persoon van alleen de tweede auteur, die, zo vonden sommigen, door zijn prominente, alomtegenwoordige en zelfverzekerde wetenschappelijke en publieke optreden nogal het gevoel voedde het niet al te slecht met zichzelf getroffen te hebben. Zodoende riep hij niet alleen respect op, maar ook irritatie en mede daardoor haalde hij de kwaadaardige kritiek in zekere zin naar zich toe.

In werkelijkheid echter hebben beide auteurs, tegen de verlangens van de commissie-Van Dam in, geweigerd ook maar één joodse auteur weg te laten. In een brief, die onder de omstandigheden van toen lang niet zonder gevaar was, namen zij principieel stelling tegen het discriminerend handelen dat van hen werd gevraagd: ‘dat wij volstrekt afwijzend staan tegenover elk anti-semitisch streven, dat wij beschouwen als in strijd met de beste Nederlandse tradities en de Nederlandse geest’ (brief aan de commissie-Van Dam van 26 april 1942).

De commissie haalde bakzeil, de verantwoordelijkheid en de risico’s bij auteurs en uitgever leggend. Verdere ‘aanpassing’ vond evenwel niet plaats. De laatste, d.i. de tweeëndertigste, druk van de ‘Historische Schets’ verscheen in 1980, Stuiveling overleed vijf jaar later.

Balans 

De bezetters hebben het niet voor elkaar gekregen schoolboeken te gebruiken als instrumenten om de leerstellingen van het nationaal-socialisme aan de jeugd voor te houden, laat staan zodoende de leerlingen te vormen tot aanhangers van hun verderfelijke leer. Voor ideologische brainwashing zou meer nodig zijn geweest dan enige nu eens grove dan weer naïeve beoordelingscriteria, toegepast op reeds bestaande leerboeken.

Binnen de beslotenheid van het klaslokaal wisten de meeste docenten met dit leermateriaal maar al te goed wat hun te doen stond, als ze al tot hun school waren toegelaten. Er zijn overigens enkele vruchteloze pogingen ondernomen tot het schrijven van een geheel nieuwe, op nationaal-socialistische leest geschoeide, geschiedenismethode, maar aan deze onbeholpen probeersels ontbrak alles wat een goed leerboek nu eenmaal niet kan ontberen. Het is er dan ook niet van gekomen: vijf jaren waren daar blijkbaar toch te kort voor, de nodige uitgevers- en auteursprofessionalismen te onbeduidend.

Dat onze schoolboeken, ofschoon sommige min of meer verminkt, toch niet integraal zijn verlaagd tot spreekbuis van de overheersers, is misschien deels ook toe te schrijven aan de houding van de zowel meewerkende als afremmende leden van de commissie. Deze halfslachtigheid irriteerde de Duitsers wel, maar de operatie forser aanpakken deden ze niet.

Prof. dr. Van Dam, geen houwdegen, dikwijls speelbal van de tegengestelde krachten om hem heen, werd na de oorlog tot een detentie van zeven jaar veroordeeld, wat sommigen in kringen van overheid, onderwijs en uitgeverij toen al een te zware straf vonden. Dat in sommige uitgeverskringen à décharge voor hem werd getuigd gaat mijn inziens, gelet op zijn zwalkende houding, duidelijk te ver. Van Dam overleed in 1979 in zijn woonplaats Amsterdam, waar hij, voortreffelijk docent, tot op hoge leeftijd lessen gaf ter opleiding voor de middelbare akte Duits.

Inspecteur dr. W. van den Ent, eveneens lid van de commissie, bleef ook na 1945 een autoriteit, die vooral door studerenden voor de acte Nederlands m.o.-a niet licht over het hoofd kon worden gezien. Hem is, na de dood van dr. H.L. Bezoen in 1955, nog verzocht de bewerking van Koenen, Handwoordenboek der Nederlandse taal op zich te nemen, maar aan die taak kwam hij niet meer toe: reeds heel kort daarna overleed ook hij. In ieder geval duidt een verzoek van deze aard niet op uit de oorlogsjaren resterende wrok van de zijde van de uitgever, hoe begrijpelijk die ook geweest zou zijn.

De inspecteurs bij het onderwijs zaten als tussenschakel tussen Departement en scholen in een moeilijke positie. In hun functie van inspecteur onvoorwaardelijk de zijde van het verzet kiezen was niet mogelijk. Daar waar inspecteurs hun taak neerlegden werden zij door nsb-ers vervangen, hetgeen de veronachtzaming van de richtlijnen op de scholen ernstig bemoeilijkte.

Ook uitgeverijen zullen gewetensvragen niet hebben kunnen ontwijken. Immers: elk van hun mogelijke keuzen bevatte, gelet op de waarschijnlijke gevolgen, standpuntbepalingen die zich lenen voor zowel verdediging als bestrijding. Het houdt risico’s in, zonder breed onderzoek alle uitgeverijen van schooluitgaven over één kam te scheren. Dat gebeurt hier dan ook niet.

Een Yad Vashem Onderscheiding wordt niet op losse gronden toegekend, dat weten we. Dit hoogste eerbewijs dat de staat Israël kent werd, postuum, in 1994 uitgereikt aan H. Diesveld, als één dergenen, onder wie zijn eveneens onderscheiden vrouw, ‘die in de tweede wereldoorlog het leven van joodse medeburgers hebben gered.’ Door de tot vluchten gedwongen I. Keesing met volmachten bekleed, loodste hij de uitgeverij Keesing, – onder meer in het onderwijs bekend door een aantal inmiddels afgestoten tijdschriften en door het Historisch Archief, dat overigens óók niet zonder schipperen kon blijven verschijnen -, moedig door de oorlogsjaren, en dit voorbeeld staat niet op zichzelf.

In de wereld van uitgeverijen van schoolboeken daarin dus niet alleen staand, hebben directie en commissarissen van J.B. Wolters veel gedaan om nood onder personeel en auteurs te verzachten, en, in ruimere kring, gevaren waaraan anderen blootstonden te helpen ontwijken. Uniek mag wel de rol heten die mr. J. ter Horst en zijn echtgenote te Oosterbeek hebben gespeeld bij de slag om Arnhem en omgeving in september 1944.

Verantwoord lijkt mij de conclusie dat het merendeel van de uitgevers van schoolboeken in hun houding ten opzichte van de Duitse censuurmaatregelen van een zekere mate van schikkingsbereidheid blijk heeft gegeven, een houding die veelal gepaard ging met een sterke aversie en soms materieel verzet tegen de bezetters met hun nationaal-socialistische ideologie en praktijken, dan wel met steun aan hen die daarvan lijfelijk de dupe werden of dreigden te worden.

Ook bij de andere belanghebbenden binnen de driehoek overheid-onderwijs-uitgeverij leidde de bekende afweging ‘blijven zitten of weggaan’, ‘doorgaan of stoppen’, ‘in beperkte mate meewerken om erger te voorkomen of resoluut en spontaan weigeren’ tot een zekere graad van aanpassing, tot een modus vivendi. Aan de discussie over de doorslaggevende argumenten van degenen die in deze benarde jaren in kwetsbare openbare en private functies werkzaam waren, en wel of niet bleven, zal niet snel een einde komen. En daar is niets op tegen, want permanente bezinning is, met het oog op heden en toekomst, niet overbodig als het gaat om denkbare omstandigheden waarin een weloverwogen keuze onontkoombaar wordt.

Anders gezegd: de vraag hoe te handelen in probleemsituaties met kenmerken van principiële aard mag niet voorbehouden blijven aan het tijdvak dat, vijftig jaar na het einde daarvan, het afgelopen jaar terecht op zo grote schaal is herdacht. Afwegingen van deze aard zijn van alle tijden.

Bronnen 

Kurt-Ingo Flessau, Schule der Diktatur. Lehrpläne und Schulbücher des
Nationalsozialismus. München, 1977

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog,
deel 5. ‘s-Gravenhage, 1974

J.C.H. de Pater, Het schoolverzet. ‘s-Gravenhage, 1969

G.A. van Poelje, Onderwijs, in: J.J. van Bolhuis e.a.
(red.), Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd III Amsterdam,
z.j. (1954)

R. Reinsma, Schoolboeken in de Duitse bezettingstijd, in: Spieghel
Historiael, jrg. 4 nr. 6. Bussum, 1969

W.J. Simons, Het boek in bezettingstijd, in: Maatstaf, jrg. 29 nr. 10.
Amsterdam, 1981

R. Vos, Niet voor publicatie. De legale Nederlandse pers tijdens de
Duitse bezetting. Amsterdam, 1988

Joachim Weisz, Zur nationalsozialistischen Einflussnahme auf
Schulgeschichtsbücher, in: Internationale Schulbuchforschung, jrg. 3 nr
2. Braunschweig, 1981

Archief Wolters-Noordhoff, Groningen

Schrijven – en gelezen worden

J.B.Wolters, Groningen, 1968

Vijfde druk Wolters-Noordhoff, Groningen, 1978

Deze interneteditie is gebaseerd op de vierde druk uit 1973.

“De taal der waarheid is eenvoudig van aard”, Euripides

Door kranten die lezers met te moeilijke formuleringen laten zitten. Door zakenmensen die zich tegenover hun personeel niet verstaanbaar maken. Door de overheid wanneer zij maar geen afstand doet van de taal der wetboeken in gevallen waarin dat best kan. Gemist ook door politieke partijen voorzover zij zich met genoeg realiseren dat de kiezers geïrriteerd raken door dikdoenerij en taktische vaagheden. 

In al deze situaties komt de ontmoeting tussen schrijver en lezers niet tot stand. De schrijver van dit boekje heeft geprobeerd enkele wegen te wijzen die tot verbetering van deze toestand kunnen leiden. Het is duidelijk dat hij daarbij niet in de laatste plaats heeft gedacht aan het informatieve boek, als ontmoetingsplaats van de auteur die een hoeveelheid kennis wil overdragen en het publiek, binnen of buiten de school, dat die boodschap moet lezen en begrijpen.

1    Inleiding

De Amerikaanse taalgeleerde C. C. Fries, schrijver van The Structure of Language (New York, 1968), heeft eens een groep goed ontwikkelde mensen, die uitstekend op de hoogte waren van het base-ball, een beschrijving van de spelregels laten maken, bedoeld voor mensen die er niets van wisten. Hij deed dat om te kunnen nagaan in hoeverre deze informatie toereikend zou zijn voor een goed begrip.

Toen hij de resultaten van zijn opdracht bestudeerde, bleek hem dat de meeste uiteenzettingen alleen te begrijpen waren voor legers die het spel al kenden. Wie het niet kende had er weinig of niets aan! Dit voorbeeld maakt duidelijk dat de deskundigheid van iemand die schrijft, hoe onmisbaar ook, niet de enige voorwaarde is voor het juiste begrip bij de lezer. Men zou zich kunnen afvragen of de kennisoverdracht mislukt doordat de tekst in grammaticaal opzicht onvolkomen is. Het is onwaarschijnlijk dat het daardoor komt.

De verstaanbaarheid van een taalkundig niet onberispelijk betoog is meestal nog wel zo groot dat de lezer het begrijpt, verondersteld dat er overigens geen storingen zijn. Dat schrijver en lezer elkaar mislopen heeft doorgaans geheel andere oorzaken. Eén ervan is, dat de schrijver van een verkeerd station vertrekt: hij start bij wat hij van zijn onderwerp weet in plaats van zich voldoende te realiseren wat de lezer er niet van weet, en daarom op dat punt te beginnen. Maar dat is niet het enige.

Zelfs als de schrijver wel loyaal tegenover zijn lezers staat, bedreigen hem bij het uitzenden van zijn informatie de nodige gevaren. Niet zelden leidt dat ertoe dat de beoogde ontmoeting met de lezer toch nog niet tot stand komt. De geadresseerde is niet thuis. Aangenomen dat hij het geschrift al ter hand neemt, dan nog verstaat hij lezende niet wat de auteur schrijvende heeft willen meedelen. En dat ligt niet altijd aan de lezer. Dikwijls heeft de schrijver niet voor de nodige leesbaarheid gezorgd. Wat zijn de gevaren waaraan de auteur het hoofd heeft te bieden? Waar moet hij voor zorgen wil zijn informatie kans krijgen doel te treffen?

Hij zal zijn zinsbouw en woordkeus in overeenstemming moeten brengen met het gemiddelde dat bij zijn lezers aan taalbeheersing aanwezig is, op straffe van langs hen heen te schrijven. De praktijk wijst uit dat dit minder vanzelfsprekend is dan het lijkt. Het is daarom een absolute voorwaarde dat de auteur, voordat hij met schrijven begint, precies weet voor welke groep of groepen hij schrijft en al schrijvende moet hij dat nog voortdurend in gedachten houden.

Tot welke groep hij zich ook richt, altijd zal de schrijver zich ervan bewust moeten zijn en blijven dat het verstrekken van zakelijke informatie speciale eisen stelt aan het taalgebruik. Hij wil geen verstrooiing bieden en ook geen literatuur scheppen, maar kennis overdragen, iets uitleggen of bewijzen, inzicht bijbrengen, opdrachten geven, aanhangers winnen door te overtuigen, en dat alles op een zo efficiënt mogelijke wijze. Daarover gaat het in dit boekje.

Efficiënt noemen wij de wijze die het grootst mogelijke rendement geeft aan het stuk communicatie dat de schrijver tot stand wil brengen. Dit wil zeggen dat hij goed moet weten wat hij doet, als hij kiest uit de mogelijke zinnen en woorden die voor de beschrijving van zakelijke gedachten tot zijn beschikking staan.

Over deze mogelijkheden valt in dit boekje het een en ander te lezen. Dat aan taalfouten geen aandacht zal worden besteed werd al duidelijk. Niet omdat het niet belangrijk is die te vermijden, maar omdat de vraag: ‘is dat wel goed Nederlands?’ weinig met het probleem van de leesbaarheid te maken heeft. Anders gezegd: het ontbreken van taalfouten of vermeende taalfouten in een tekst biedt weinig of geen waarborg voor de leesbaarheid ervan. Evenmin hoeven we de spelling erbij te betrekken, aangezien die niet gauw een hinderpaal voor de leesbaarheid vormt.

Zelden maakt een afwijkende spelling een tekst moeilijk, het zijn eerder zaken betreffende zinsbouw en woordgebruik die dat doen: ingewikkelde zinsconstructies en woorden die de lezer niet kent staan het goede begrip meer in de weg dan afwijkingen in de spelling. Ofschoon foto’s en tekeningen van grote waarde kunnen zijn, laten we ze hier, als niet-verbale vorm van mededelen, eveneens buiten beschouwing.

We beperken ons dus tot het verbale mededelen, en wel de schriftelijke vorm daarvan: actief-schriftelijk en passief-schriftelijk, schrijven en lezen. Ons probleem bestaat in menige sector van de maat schappij. Veel kranten schrijven te moeilijk, politieke partijen zien onvoldoende de noodzaak in van eenvoudiger en duidelijker taalgebruik, de overheid wendt zich tot de burgerij in kanselarijtaal, leiders van ondernemingen richten zich tot hun personeel alsof al dat personeel dezelfde taalbeheersing bezit als zijzelf, enz. De lezer zal op de volgende bladzijden voorbeelden aantreffen die deze bewering illustreren. Dat daarnaast het leerboek speciale aandacht krijgt, ligt voor de hand als men weet, dat de auteur werkzaam is bij een uitgeverij van schoolboeken.

2    Zinsbouw en zinslengte

Samengestelde en enkelvoudige zinnen

Het spreekt vanzelf dat iemand die zonder fouten een ingewikkelde zin kan schrijven een behoorlijk taalvermogen bezit. Als iemand ‘eenvoudig’ schrijft, mag men hem dit taalvermogen echter niet bij voorbaat ontzeggen. Integendeel, ‘eenvoudig’ schrijven vereist dikwijls een grote taalvaardigheid, soms groter dan de taalvaardigheid van de geleerde die zich, ongeacht zijn publiek, permitteert even moeilijk te schrijven als hem zelf past. Er is minstens evenveel inspanning voor nodig. Vele auteurs zijn zich hiervan bewust, en handelen ernaar. Sommige getroosten zich die inspanning echter in onvoldoende mate.

Nemen we als bewijs daarvan de volgende zin als voorbeeld1:

Ook wordt een katalysator toegepast, waartoe verschillende elementen, waarvan jodium en zwavel de bekendste zijn, kunnen dienen, en al kan de contacttijd, nl. wanneer men chloreert in de gasfase, korter zijn dan bij de vloeistoffase, men chloreert toch meestal op de in de tweede plaats genoemde mogelijkheid. 

Deze zin is niet alleen vrij lang (47 woorden), hij is tevens nogal ingewikkeld gebouwd. Binnen in de bijzin ‘waartoe’ tot en met ‘dienen’ zit een tweede bijzin opgesloten, die veroorzaakt dat er een reeks werkwoorden tegen elkaar aan komt te staan. Waren deze twee bijzinnen niet in elkaar vervlochten, maar eenvoudig achter elkaar geplaatst, dan zou de zin al beter leesbaar zijn geweest.

Inderdaad kan men door verschuiving van zinnen of zinsdelen met enige handigheid al heel wat aan de leesbaarheid van dit soort zinnen verbeteren. In ieder geval is dat verre te verkiezen boven een stijl waarbij alle mededelingen ia heel kleine stukjes zijn verdeeld. Het is een misvatting dat de korte zin altijd duidelijker is dan de lange. Integendeel, met een staccato van korte zinnen wint men evenmin lezers, te minder als die zinnen ook nog allemaal op dezelfde manier zijn gebouwd. Dit wordt dan het resultaat: 

Ook wordt een katalysator toegepast. Verschillende elementen kunnen daartoe dienen. Jodium en zwavel zijn de bekendste. Men chloreert meestal in de vloeistoffase. De contacttijd kan echter ook korter. Men moet dan de gasfase nemen. 

Een dergelijke splitsing in afzonderlijke elementen levert eveneens een slecht leesbare tekst op, maar is niettemin nuttig als ‘klad’ waarin de aparte feiten worden geïnventariseerd. Nu moeten ze nog logisch aan elkaar worden gevoegd: onder meer met voegwoorden, waarmee men van de losse componenten een begrijpelijk geheel kan maken. Zodoende zou men kunnen komen tot: 

Ook wordt een katalysator toegepast; daartoe kunnen verschillende elementen dienen, waarvan jodium en zwavel de bekendste zijn. Meestal chloreert men in de vloeistoffase, maar wil men de contacttijd verkorten dan moet de gasfase worden genomen. 

Deze derde versie, slechts schijnbaar gemakkelijk neergeschreven, bevat maar één woord meer dan de tweede, en maar liefst twaalf woorden minder dan de eerste. De voordelen van de derde manier van schrijven springen duidelijk in het oog: de samenhang komt goed tot zijn recht, de afwisseling van korte en wat langere zinnen ‘maakt het geschrevene levendig en prettig om te lezen. Daartoe draagt tevens de variatie in de zinsbouw bij. 

Deze complimenten voor de steller van de derde versie kan men helaas niet geven aan de schrijver van de volgende zinnen. Ze komen voor in een inmiddels uitverkocht boek, uitgegeven door een bekende uitgeversmaatschappij in het noorden des lands. 

De nieuwe geschiedenis begint met de renaissance. De levensbeschouwelijke richting is het humanisme. Erasmus is de voornaamste representant. Het empirisme is de volgende stroming. Bacon is de vader van het empirisme. Dan volgt het rationalisme. Descartes is de grondlegger. Voltaire is de grote rationalist na Descartes. De tijd van het rationalisme is de 17e en 18e eeuw. 

Het is zonneklaar dat deze geestdodende opsomming heel weinig bijdraagt tot het begrijpen van de geschiedenis. Pas wanneer men de overtuiging heeft dat dergelijke zinnen alleen maar voorkomen in uitverkochte boeken, mag men het opnemen ervan in dit boekje als overbodig betitelen. 

Hiervóór signaleerden we het verschijnsel dat een bijzin in een andere bijzin tot opstoppingen kan leiden. Dat blijkt ook uit het volgende voorbeeld: 

Het was wel duidelijk, dat, wanneer Willem van Oranje geen hulp uit het buitenland zou krijgen, hij de strijd zou moeten opgeven. 

De zin stokt door de ‘botsing’ tussen de voegwoorden ‘dat’ en ‘wanneer’. Dat kunnen we verhelpen door het onderwerp ertussen te schuiven: 

Het was wel duidelijk dat Willem van Oranje, wanneer hij geen hulp uit het buitenland zou krijgen, de strijd zou moeten opgeven. 

Nu komen er geen twee voegwoorden meer na elkaar. Verder is het onderwerp in de eerste bijzin genoemd, het vervangende voornaamwoord ‘hij’ in de tweede, wat de logische volgorde is. Toch kan de constructie nog verder worden opengebroken: 

Het was wel duidelijk dat Willem van Oranje de strijd zou moeten opgeven wanneer hij geen hulp uit het buitenland zou krijgen. 

De ingreep is zeer eenvoudig: de bijzinnen zijn na elkaar geplaatst. Vele auteurs verzuimen aan deze simpele mogelijkheid te denken. Komt het doordat ze te veel ineens willen zeggen en zich niet de tijd gunnen eerst het ene en daarna het andere te formuleren?

De conclusie kan hier luiden, dat een samengestelde zin, zelfs die van enige lengte, niet per se verwerpelijk hoeft te zijn. Het komt er maar op aan hoe die zin wordt gecomponeerd. Als dat goed gebeurt hoeft een samengestelde zin niet moeilijker te zijn dan een reeks enkelvoudige. Zonder verlies aan leesbaarheid zijn ze gemakkelijk aan elkaar te voegen. De oorzakelijke verbanden tussen de componenten worden dan duidelijk, meer dan bij een reeks enkelvoudige zinnen, die – bijkomend bezwaar – door hun eenvormigheid gauw vervelend worden. 

Niet alleen het aantal woorden echter, ook het aantal gegevens in een zin bepaalt de leesbaarheid. Men moet de dosering van de feiten niet te groot maken. Anders wil de lezer niet meer mee, omdat de dichtheid van ideeën hem het uitzicht belet. Intellectueel steno dient te worden vermeden. 

Voortstuwend schrijven 

In de spreektaal is de tussenzin heel gewoon. De spreker plaatst een ’terzijde’, onderbreekt de zin met spontane invallen, valt als het ware zichzelf in de rede. Bij de geschreven taal moet men zich echter de moeite getroosten meer organisatie in acht te nemen. Doet men dat niet, dan dreigt een slaapverwekkende breedsprakigheid, zoals in de volgende zin: 

Het was namelijk zo, dat de reden waarom de machine het begaf, was dat hij niet goed gesmeerd was, een omstandigheid die voorkomen had kunnen worden als men wat meer zorg en aandacht aan de smering had gegeven. 

Hetgeen niets anders betekent dan: 

De machine begaf het omdat men de smering had veronachtzaamd. 

Van de volgende worstachtige zin mag men zeggen dat hij twee uiteinden heeft, maar dat is dan ook het enig tastbare. Het tekort aan organisatie is opvallend; dat elke bewering met beperkingen wordt omgeven, wijst op gebrek aan durf om werkelijk iets duidelijks mee te delen. Alle vluchtpoorten blijven geopend, zoals Drs. Van Run het uitdrukt in zijn rake artikel ‘Taal en wartaal in de politiek’ (Dux, juli 1966, biz. 357). Inderdaad maken vooral politici zich daaraan schuldig (‘Onze partij is niet onverdeeld gelukkig met de vrije loonpolitiek, al lijkt die onvermijdelijk’). 

Hier komt de zoëven bedoelde zin: 

Als mijn niet geheel wetenschappelijk bewezen indruk heb ik te kennen gegeven, dat dit verschijnsel mij echt voorkomt, althans, voorzover het betreft de feitelijke resultaten, het aanwijzen van ondergrondse bronnen en van – zoals ik dat, uiteraard niet generaliserend, zou willen noemen -‘afwijkingen in de bodem’, maar dat ik de verklaring ervan pas kan geven, wanneer … enz.

Bovendien verandert de schrijver hier te vaak van richting. Dezelfde richting in een zin handhaven maakt het lezen van die zin gemakkelijker. Voegwoorden als daarom, bijgevolg, dus, stuwen, mits goed gebruikt, de ideeën voorwaarts. Woorden als echter, maar, althans, mits(!), werken in tegengestelde richting en duwen ze weer terug. In één zin enkele keren van richting veranderen is in een zakelijke verhandeling niet aan te bevelen.

Dus niet zo: 

De werkzaamheden werden gedurende enige tijd onderbroken, maar wij wisten dat ons vermogen beperkt was, want wij hadden deze storing voorzien, maar het werk heeft slechts twaalf uur stilgelegen. 

Maar liever ongeveer zo: 

Het werk werd enige tijd onderbroken; het lag, slechts twaalf uur stil, doordat wij deze storing hadden voorzien en wisten dat ons vermogen beperkt was. 

We geven hiervan op de volgende bladzijde nog een voorbeeld. De lezer wordt verzocht niet op de feitelijke inhoud te letten. Die doet er in dit verband minder toe.

Niet: 

Duralumin is een heel bruikbare alliage van aluminium, aangezien het gebruikt kan worden in plaats van smeedijzer en plettingen, maar bij gietstukken zijn er geen toepassingsmogelijkheden, al wordt het wel gebruikt bij persingen, 

maar: 

Duralumin, een alliage van aluminium, gebruikt men in plaats van smeedijzer, plettingen en persingen. Het is niet geschikt voor gietstukken. 

Ook als u niet direct de betekenis van deze zin mocht begrijpen, zult u hebben geconstateerd dat de onnodige heen-en-weer-schrijverij er na de herschrijving uit verdwenen is. Het aantal richtingen is verminderd, de leesbaarheid vergroot.

Bepalingen vóór het zelfstandig naamwoord 

In de zin op bladzijde 18 komt nog een ander verschijnsel voor dat het lezen bemoeilijkt. Sommige auteurs hebben de gewoonte lange bepalingen vóór het zelfstandig naamwoord te zetten in plaats van een bijvoeglijke bijzin erachter (‘op de in de tweede plaats genoemde mogelijkheid’). 

Een klassiek voorbeeld daarvan vormde de aankondiging van de radio-uitzendingen ‘in het kader van de door de regering ten behoeve van de politieke partijen ter beschikking gestelde zendtijd’. Ander voorbeeld: Bij ‘het in 1815 te Wenen, de hoofdstad van het keizerrijk Oostenrijk door de overwinnende mogendheden gehouden congres’ moet de lezer als het ware eerst over een muur heenklimmen om bij het congres te kunnen komen (Beter: ‘het congres, dat in 1815 …’ enz.). 

Ook de volgende zin uit een krant2 wordt moeilijker door de plaatsing van de bepaling vóór het zelfstandig naamwoord: 

Togliatti was fel tegen de door Moskou gewenste internationale communistische conferentie en alle richtingen in zijn partij stonden in deze zaak onvoorwaardelijk achter hem. 

Door deze figuurlijke muur te slechten krijgen we: 

Moskou wenste een internationale conferentie van communistische partijen. Togliatti was daar fel tegen. En op dit punt stonden alle richtingen in zijn partij onvoorwaardelijk achter hem. 

Dat de zin in drieën is geknipt is duidelijk een verbetering. 

Spanning in de zin 

De samengestelde zin is niet verwerpelijk, het komt er maar op aan hoe die zin is gecomponeerd, zo luidde de conclusie hierboven. Daarop is nog de volgende aanvulling nodig. Men late de lezer niet te lang zitten met het onzekere gevoel waar het nu eigenlijk naar toe gaat. Soms bestaat in een zin een bepaalde spanning tussen twee polen, waar van alles tussenin geschoven kan worden. Het Nederlands kent vele van deze omsluitingen, zoals: 

Frankrijk deed bij de vrede van Frankfurt, die in ‘1871 werd gesloten, afstand van Elzas-Lotharingen (de delen van de zgn. scheidbaar samengestelde werkwoorden). 

De grondwet geeft in het achtste hoofdstuk de nodige waarborgen voor godsdienstvrijheid (overgankelijk werkwoord en lijdend voorwerp). 

Ik heb nu al drie weken naar het verschijnen van dat boek uitgekeken (hulpwerkwoord en voltooid deelwoord). enz. enz. 

Elk van deze twee polen (cursief gezet) heeft als noodzakelijke aanvulling de andere nodig. Maar voor we aan die aanvulling toe zijn kunnen er eerst allerlei andere zinsdelen komen. De vraag hoe het zal ‘aflopen’ kan vaak pas worden beantwoord na het lezen van het laatste woord: pas dan is de spanning opgeheven. Dit geldt in het klein, zoals in de hiervóór gegeven voorbeelden – het kan ook voorkomen in het groot, naar uit de volgende zin3 blijkt. Dit type zin kan men in vele leerboeken aantreffen. 

De Middeleeuwer had door middel van reisbeschrijvingen (Marco Polo), vertalingen van Byzantijnse werken en soms ook door eigen aanschouwing (de Kruistochten) het uitgestrekte gebied dat ergens in de Balkan begint en geen grens oostwaarts schijnt te hebben, leren kennen.

Wanneer we de spanning, om niet te zeggen de overspanning, willen verminderen, zullen we ervoor moeten zorgen dat de twee polen dichter naar elkaar toegehaald worden. Dat dit nodig is voor de leesbaarheid kan men gerust als vuistregel aanvaarden. Men kan dat op meer dan één manier doen. Een van de mogelijkheden levert de volgende in ieder geval beter leesbare zin op: 

In de Balkan begon een uitgestrekt gebied, dat in het oosten voor de Middeleeuwers geen duidelijke grens had. Zij hadden dat gebied leren kennen door reisbeschrijvingen (Marco Polo), vertalingen van Byzantijnse werken en soms ook door eigen aanschouwing (de Kruistochten). 

De constructie uit deze laatste zin zou men de open constructie kunnen noemen, in tegenstelling tot de gesloten constructie, die we bijv. ook aantreffen in4: 

Geen enkele bezoeker zal, ondanks het feit dat ten gevolge van een wat krappe behuizing het laboratorium voor scheepsconstructies langzamerhand op een overvol pakhuis gaat lijken, de grote werkbank die immers het grootste deel van het vloeroppervlak in beslag neemt, over het hoofd zien.

Bedraagt de afstand tussen pool i en pool 2 hier niet minder dan 36 woorden, door splitsing van de zin en door een kleine verschuiving kan die afstand bijna geheel teniet worden gedaan: 

Ten gevolge van een wat krappe behuizing gaat het laboratorium voor scheepsconstructies langzamerhand op een overvol pakhuis lijken. Toch zal geen enkele bezoeker de grote werkbank over het hoofd zien, want die neemt het grootste deel van het vloeroppervlak in beslag. 

Het zou een misverstand zijn, te denken dat spanning in de zin alleen bij lange zinnen voorkomt. Toen we het hiervóór over het inelkaar vlechten van bijzinnen hadden, bleek reeds dat ook betrekkelijk korte zinnen te gespannen kunnen zijn. Te gespannen wel te verstaan, als voor het publiek waarvoor de auteur schrijft zulke formuleringen (nog) een te moeilijke opgave zijn. Daar gaat het immers steeds om. Zo’n betrekkelijk korte zin is de volgende5: 

De enige verandering die nu aangebracht is, is, dat de drempels die in het ontwerp naar de kant vanwaar de stoom komt, gezet waren, omgedraaid zijn.

U ziet dat de inelkaarvoeging van bijzinnen tot een ware opeenhoping van werkwoordsvormen heeft geleid. Er zit te veel spanning in. Halen we alle elementen eruit (bij herschrijven steeds noodzakelijk) en groeperen we ze opnieuw, al is het eveneens in één zin, dan kan het resultaat als volgt luiden: 

Er is maar één verandering aangebracht: in het ontwerp waren de drempels gezet naar de kant vanwaar de stoom komt, en nu zijn ze omgedraaid. 

Een ander aspect is de aanloop tot de persoonsvorm van de hoofdzin. Laat die niet te lang zijn. We tekenden op uit een opvoedkundeboek, dat blijkens het voorbericht behoort tot een serie eenvoudige studie-boeken: 

Dat in vele opvoedingssituaties, zoals die van de leerkracht tot zijn leerling, iets terug te vinden zal moeten zijn van de liefde tot het kind in het algemeen, wil zijn vertrouwen volledig tot zijn recht komen, is natuurlijk iedereen duidelijk. 

Deze onderwerpszin van 36 woorden maakt de zin slecht leesbaar. Het is in zo’n geval verstandiger het onderwerp voorlopig even met ‘het’ aan te duiden en het in uitgewerkte vorm achter de hoofdzin te plaatsen. Zo: 

Het is iedereen natuurlijk duidelijk, dat in vele opvoedingssituaties, zoals die … enz. 

Is het trouwens zo natuurlijk dat het iedereen duidelijk is? Laten we er hier niet te lang bij stilstaan, maar wel even constateren dat de vraag waar het bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’ bij ‘vertrouwen’ naar terugverwijst, voor de meeste leerlingen een moeilijkheid oplevert: verwijst het naar leerkracht, leerling of kind? In het volgende hoofdstuk komen we op deze verwijswoorden uitvoeriger terug.

Dit hoofdstukje over zinsbouw en zinslengte kan als slot geen betere illustratie krijgen dan het volgende citaat uit de jongste begroting van het ministerie van Financiën. De zin gaat over de oprichting van een administratiebureau in Zwolle en luidt als volgt: 

‘Aangezien gebleken is, dat het door het ontbreken van een voldoende aanbod van krachten in ‘s-Gravenhage en de omringende gemeenten niet mogelijk is om eenvoudige administratieve werkzaamheden ten behoeve van het ministerie en de daaronder ressorterende dienstonderdelen op de normale wijze te doen verrichten door krachten in ambtelijk dienstverband óf op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, zodat hiervoor anders dan bij uitzondering een beroep moet worden gedaan op krachten van z.g. uitzendbureaus, zijn de gedachten er naar uitgegaan om de uitvoering van de vorenbedoelde daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden geleidelijk te concentreren bij een afzonderlijk daartoe ingesteld administratie-bureau, waarvoor Zwolle als vestigingsplaats is gekozen. ‘

Behalve dat de aanloopzin van 71 woorden (!) die uit het opvoedkundeboek in lengte nog overtreft, zit in deze zin van 103 woorden zo ongeveer wel alles wat u op de voorgaande bladzijden hebt gelezen. In het negatieve dan.

3    Leestekens

Globaal genomen zijn er twee opvattingen over leestekens: 

leestekens zijn pauze-aanduiders (de ritmische opvatting); 

leestekens zijn zinsontledingstekens (de grammaticale opvatting). 

Zonder stelling te nemen in deze controverse willen we slechts vaststellen, dat een teveel aan leestekens, vooral komma’s, even hinderlijk kan zijn als een te-weinig. 

Voor- en tegenstanders van de ene en de andere opvatting kunnen elkaar misschien vinden in de gezamenlijke erkenning, dat leestekens in de zin dezelfde functie vervullen als de indeling in alinea’s, paragrafen en hoofdstukken van de tekst als geheel. Zowel het een als het ander dient om de structuur helderder te maken en daardoor de leesbaarheid te vergroten. 

Met uitroeptekens moet men evenmin royaal zijn. Ze maken een tekst gauw te schreeuwerig. En ze zijn er dikwijls het symptoom van dat de schrijver quasi in extase geraakt over wat hij schrijft, terwijl de lezer er niets bijzonders aan vindt, zijn schouders erover ophaalt en het gevoel heeft, dat men op een geforceerde manier bij hem aanklopt. Hetgeen zijn achterdocht wekt.

Vraagtekens brengen soms een welkome variatie. Men kan er een vragende zin mee afsluiten en eventueel zelf het antwoord laten volgen. Een teveel geeft het geschrevene een te wervend karakter. Met mate gebezigd verlevendigen vraagtekens echter de tekst. 

Doel van de interpunctie is dus: de leesbaarheid verhogen.

4 Woordgebruik

Het werkwoord

Lijdende en bedrijvende vorm 

Het komt de levendigheid van een tekst ten goede, als men de zinnen zoveel mogelijk in de bedrijvende en niet in de lijdende vorm zet. Ofschoon het lang niet altijd van belang is, te weten wie de handeling verricht, verdient toch de bedrijvende vorm meestal de voorkeur. Steeds maar een vorm van ‘worden’ te moeten lezen verveelt gauw l Er komt meer actie in de zin. als men de ‘dader’ van de handeling noemt. Gemakkelijk is dat niet altijd, omdat, bijvoorbeeld bij de exacte vakken, het aantal subjecten dat bij het spel is betrokken nu eenmaal beperkter is. Toch zou men het ook daar kunnen proberen, bijvoorbeeld op de volgende manier6:

Lijdende vorm

Door figuur 14 wordt getoond dat voor grote waarden altijd x wordt gevonden. De juistheid van dit getal werd achteraf door metingen bevestigd.

Bedrijvende vorm

Figuur 14 toont (of: In figuur 14 zien we) dat voor grote waarden altijd x wordt gevonden. Achteraf hebben metingen de juistheid van x bevestigd.

Ook het onbepaalde voornaamwoord ‘men’ kan ter afwisseling dienen als de auteur de handelende persoon met kan of niet wil aanduiden. Een te frequent gebruik van ‘men’ maakt de tekst echter even doods als een steeds herhaalde lijdende vorm.

Soms kan de lijdende vorm toch gewenst zijn, als het er namelijk om gaat te trachten, twijfel weg te nemen over de vraag wat het onderwerp is en wat het lijdend voorwerp. Voorbeeld7:

Toeval, een verlegenheidsbegrip dat de wetenschap voortdurend van haar terrein terugdringt, enz.

Al lijkt de betekenis duidelijk, toch zal menige lezer zich afvragen: dringt het toeval de wetenschap of de wetenschap het toeval terug? Andere gezegd: is ‘dat’ onderwerp of lijdend voorwerp? De verduidelijking ligt nu in een zin in de lijdende vorm:

Toeval, een verlegenheidsbegrip dat door de wetenschap voortdurend van haar terrein wordt teruggedrongen, enz.

Opeenhoping van werkwoordsvormen 

Werkwoordsvormen die op een kluitje zitten maken de tekst minder goed leesbaar. Ze verzwaren de stijl, zoals bijvoorbeeld blijkt uit:

Het zal zeker niet lang meer duren dat deze typen olifanten in het geheel niet meer geobserveerd zullen kunnen worden.

Het scheelt al vijfentwintig procent als we ‘zullen’ weglaten, wat kan zonder verlies aan duidelijkheid en verandering van betekenis. Zetten we de bijzin bovendien in de bedrijvende vorm, dan is het resultaat:

Het duurt zeker niet lang meer dat we deze typen olifanten in het geheel niet meer kunnen observeren.

Wie het onderste uit de kan wil, kan er dan nog van maken:

Het duurt zeker niet lang meer dat het observeren van deze typen olifanten in het geheel niet meer mogelijk is.

Wie dat doet bedient zich echter wel van een mogelijkheid waarmee men voorzichtig moet zijn, zoals hierna ter sprake komt.

De infinitief als zelfstandig naamwoord

Gaat de schrijver het hele werkwoord te vaak als zelfstandig naamwoord gebruiken (zoals hierboven: ‘het observeren’), dan wordt de tekst moeilijker leesbaar. Temeer is dat het geval als er om dat zelfstandig naamwoord heen nog andere woorden, bijwoorden bijvoorbeeld, een plaats moeten vinden. De tekst ‘pakt’ niet, getuige de volgende zin8:

Het al of niet zich kunnen aanpassen aan het onvermijdelijk in levenspraktijk belemmerd worden door langdurige ziekte hangt af van het bewust aanvaarden van de situatie.

Wie de drie infinitieven-als-zelfstandig naamwoord heeft gevonden, vergelijke de vorige zin met deze:

Langdurige ziekte belemmert ons onvermijdelijk in onze levenspraktijk. Of wij ons hieraan kunnen aanpassen hangt af van onze bewuste aanvaarding van de situatie.

In het concept-verkiezingsprogramma van een politieke partij die het oprechte streven naar contact met de kiezers hoog in het theoretische vaandel heeft geschreven, lezen we de volgende zin:

De partij zet zich in voor het voortgaande actief bevorderen van het verbeteren van het openbaar vervoer,

hetgeen – zoals men gelukkig zelf inzag – een vrij omslachtige manier van formuleren is voor:

De partij zet er zich voor in, het openbaar vervoer verder te verbeteren.

De infinitieven-als-zelfstandig naamwoord zijn er nu uit en de zin heeft een minder hoge graad van abstractie gekregen.

Nog een voorbeeld, nu weer in de schoolsfeer. Het staat vast, dat:

Het kiezen van de boeken wordt verricht door de leraren zelf,

een minder directe formulering is dan: 

De leraren zelf kiezen de boeken.

Verwijzingswoorden

Er is weinig zo funest voor leesbaar schrijven als de vrees voor de herhaling van hetzelfde woord. Veel auteurs zijn te bang hetzelfde woord meer dan één keer in één zin te gebruiken. Dan nemen ze hun toevlucht tot allerlei Verwijzingswoorden, zoals: die, deze, laatstgenoemde. Het is soms een heel gezoek om te vinden wie de persoon is naar wie of wat de zaak is waarnaar de auteur nu precies verwijst. Ook bij bezittelijke voornaamwoorden is het niet altijd even duidelijk wie of wat er wordt bedoeld als er meer personen of zaken in één zin zijn genoemd:

Dat in vele opvoedingssituaties, zoals die van de leerkracht tot zijn leerling, iets terug te vinden zal moeten zijn van de liefde tot het kind in het algemeen, wil zijn vertrouwen volledig tot zijn recht komen, is natuurlijk iedereen duidelijk.

Het bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’ bij ‘recht’ slaat duidelijk terug op ‘vertrouwen’. ‘Zijn’ bij ‘vertrouwen’ is echter lang niet zo gemakkelijk in relatie te brengen met een tevoren genoemde zelfstandigheid. Naar wie verwijst het, naar leerkracht, naar leerling, naar kind? De lezer zou al gemakkelijker kunnen kiezen als de schrijver in plaats van leerling leerlingen had geschreven. Maar dan nog is het niet vanzelfsprekend genoeg waar ‘zijn’ naar verwijst. Hetzelfde probleem komt voor in de zin:

De vorst lichtte de minister erover in dat hij zijn reputatie zou schaden als hij de brief niet zou schrijven. (Wiens reputatie?)

Wel duidelijk maar ook lachwekkend is het effect in deze zin uit een boekje voor het meisjesnijverheids-onderwijs:

Het zuigflesje moet goed schoon worden gehouden; na het kindje te hebben gevoed moet de moeder het met kokend water steriliseren.

Kortom, het is beter in geval van mogelijke twijfel de naam van de persoon of zaak te herhalen. R. Gunning schrijft hierover in zijn boek The tech-nique of clear writing (New York, 1952): ‘There is hardly anything more ruinous to good writing than the rule of thumb against repetition of the same word’.

Homoniemen

Woorden die op dezelfde wijze worden geschreven maar een verschillende betekenis hebben (homoniemen) komen bij honderden in onze taal voor. In vele gevallen is er geen enkele reden tot misverstand, omdat het zinsverband er geen twijfel over laat bestaan in welke van zijn betekenissen een woord op zeker moment is gebruikt. Zo hoeft er in het taalboek tussen vertrek (Zimmer) en vertrek (Abreise), in een biologieboek tussen das (halsdoek) en das (mar-terachtig roofdier), bij aardrijkskunde tussen kraal (glazen bolletje) en kraal (dorp van kaffers), in een boek over zettechnieken tussen augustijn (monnik) en augustijn (twaalfpuntsletter) enz. door de contextniet met zoveel woorden onderscheid gemaakt te worden.

Is er dus ogenschijnlijk geen probleem, toch moet men voorzichtig zijn met zijn oordeel. Mevr. B. de Leeuw-Polak vertelt in haar artikel ‘De kunst van het leesbaar schrijven’ (Onze Taal, december 1957, blz.45) welke onverwachte reacties er van de kant van ouders kwamen toen hun schriftelijk werd gevraagd, hun pupillen op een bepaalde datum even te laten inenten tegen difterie. Toen na afloop de zeer slechte opkomst werd onderzocht, was het antwoord van de moeders: ‘Wat denkt u wel, dat ik mijn kind in zijn pupil zal laten inenten?’ Gaf hier de dubbele betekenis van ‘pupil’ verwarring, in Limburg bracht een aantal volwassenen de zin ‘Zij leefden in harmonie’ serieus in verband met een fanfarekorps (Dr. W. Blok, Is de krant leesbaar?, biz. 320 van Levende Talen, juni 1966). 

Dat in een krant een foto van prins Bernhard als bijschrift de kop van het weerbericht kreeg dat eronder stond, moet een ondeugendheidje van de zetter zijn geweest. De tekst luidde: ‘Geen vorst van betekenis’. Terzake. Het is een feit dat vooral onze kinderen veel gauwer een verkeerde betekenis aan een woord hechten dan men op het eerste gezicht zou verwachten.

Om te beginnen zijn er de homoniemen die zelfs in een bepaalde context verduidelijking nodig kunnen hebben. Men kan zich bijvoorbeeld de technische tekst voorstellen waarbij het aan te bevelen is zich af te vragen of de dubbele betekenis van ‘kranen’ (hef-werktuigen en vloeistofafsluiters) tot vergissingen kan leiden.

Met ditzelfde onderwerp heeft het volgende voorval te maken. In de geschiedenisles, vijfde klas lagere school, is het verdrag van Verdun aan de orde, door de onderwijzer voor de elfjarigen op z’n Nederlands uitgesproken. Een jongen (hij behoort niet tot de domsten van de klas) denkt niet aan de plaats van die naam, maar aan drie lange stroken land, die, verdund, in de plaats kwamen van het oorspronkelijke gebied! Niemand kan beweren dat hij niet had nagedacht. U oppert: Maar had die onderwijzer dan niet verteld dat Verdun een plaatsnaam is? Jawel, maar de jongen had toen, op die zomerse dag, waarschijnlijk net zijn aandacht bij een leuk vogeltje buiten. Er vliegen helaas nog veel van die vogeltjes in en buiten het schoolleven rond, teneinde des schrijvers intenties op didactisch onverantwoorde wijze te helpen saboteren. De auteur zij er zich dus steeds van bewust dat homo-
niemen tot misverstanden aanleiding kunnen geven. We moeten niet te gauw menen dat de betekenis wel uit het zinsverband zal blijken, want wat voor de auteur vanzelfsprekend is, is dat soms voor de lezer helemaal niet. Een nadere bepaling of een ander woord is dan noodzakelijk.

Soms gebruiken schrijvers met opzet een woord dat niet één begrip maar twee begrippen dekt. Zij doen dat dan gemakshalve, omdat zij anders gedwongen zouden zijn deze begrippen duidelijk van elkaar te onderscheiden. Het voordeel van deze diplomatieke vaagheid bestaat slechts in schijn: de lezer betaalt het gelag. Het is ontegenzeglijk beter, woorden met een scherp omlijnde betekenis te gebruiken, die niet meer dan één uitleg toestaan. Tenslotte moet de taal de gedachte niet verhullen maar verhelderen. Maar er is soms inspanning voor nodig om dat te bereiken.

Moeilijke woorden

Schrijft iemand een artikel of een boek voor vakspecialisten, dan kan het zijn dat in zijn tekst veel moeilijke woorden voorkomen. Het gaat te ver, er om die reden aanmerkingen op te maken. Het is heel goed mogelijk dat het onderwerp het niet zonder deze moeilijke woorden kan stellen; ze kunnen immers behoren tot de terminologie waarvan elk vak nu eenmaal een bepaalde hoeveelheid bezit. Wie dat vak kent, is ook vertrouwd met deze terminologie en voor hem staan de woorden die daartoe behoren – mits de auteur ze goed gebruikt – het juiste begrip dus niet in de weg.
Woorden evenwel waarmee de auteur wel maar de lezer niet bekend is, moeten, als de auteur ze niet kan missen, met groot beleid worden opgediend. Als de auteur ze niet kan missen, – want in het algemeen kan men vaststellen dat eenvoudige woorden, als we daarmee hetzelfde kunnen uitdrukken, te verkiezen zijn boven moeilijke woorden. De lezer is geneigd zijn belangstelling te verliezen wanneer u hem voortdurend woorden voorzet die hem het uitzicht op de betekenis van de tekst beletten. De communicatie wordt er dan door bemoeilijkt.

Toch is het een van de functies van het goede leerboek dat het een bepaalde woordenschat die deel uitmaakt van het onderwerp, tot het eigendom van de leerlingen moet maken. Het gebruik van een aantal moeilijke woorden is daarom onvermijdelijk. Niet alleen daarom, maar ook omdat een verzorgde stijl, waarin boeken behoren te zijn geschreven, soms vraagt om schakering die tot de keus van een moeilijk woord kan leiden. Ook om die reden moet men de leerlingen ermee bekend maken, maar: weloverwogen.

Er zijn verschillende manieren om de leesbaarheid van een leerboek niet onder een teveel aan moeilijke woorden te laten lijden. We noemen er vijf.

  1. Hun aantal tot het nodige beperken. Voor wat dat betekent zie boven.
  2. Ervoor zorgen dat de leerling met het moeilijke woord in aanraking wordt gebracht door middel van woorden die hem al bekend waren: hem van het bekende naar het onbekende leiden.
  3. De moeilijke woorden niet laten ophopen, maar ze strategisch over de tekst spreiden door ze te ‘doorschieten’ met bekende begrippen.
  4. Ze in verband brengen met een bekend woord dat op dezelfde wijze is gevormd (bijvoorbeeld bij aardrijkskunde: biosfeer – bioscoop) of een Interessante ontstaanswijze toelichten.
  5. De moeilijke woorden herhalen, zodat de leerlingen vertrouwd raken met hun vorm en betekenis.

Het is duidelijk dat met het bovenstaande geen Ot-en-Sien-stijl voor alle niveaus wordt gepropageerd. We willen er slechts de nadruk op leggen dat het noodzakelijk is, goed voor ogen te houden wat men bij het gebruik van moeilijke woorden teweegbrengt (of niet teweegbrengt) bij de groep waarvoor men schrijft. De auteur is heus veel gauwer te moeilijk dan hij zich over het algemeen bewust is.

Vergelijken we bijvoorbeeld de leerboeken voor de eerste klas van het havo (aardrijkskunde, geschiedenis, biologie om een paar vakken te noemen) met die voor de eind-examenklas, dan komen we tot de conclusie dat er te weinig verschil is ten aanzien van het gebruikte vocabularium. Op grote schaal – en niet alleen bij leerboeken – wordt er voorbijgegaan aan het feit dat de lezer de inhoud van de tekst die voor hem is bedoeld eenvoudig mist, mede wegens het ondoordacht gebruik van moeilijke woorden.

Het volgende citaat uit een publikatie9 van C. A. G. Planije is daarvan een duidelijk bewijs. N.b.: het heeft betrekking op leerlingen van middelbare scholen, waar niet eens de slechtste leerlingen naar toe gaan.

‘Teneinde enige vaste grond onder de voeten te krijgen bij het doorkruisen van dit slecht in kaart gebrachte terrein (het moeilijke woord), is in 1962 omstreeks de kerstvakantie op een tiental middelbare scholen in Amsterdam en het Gooi een kleine enquête ingesteld om te zien, of eerste-klassers de taal van hun boeken konden begrijpen. Uit willekeurige boeken werden twee willekeurige bladzijden gekozen, die nog niet behandeld waren. Vervolgens werd de leerlingen gevraagd een synoniem of omschrijving te geven van die woorden en uitdrukkingen waarvan vermoed werd dat ze ‘moeilijk’ waren. Het onderzoekje was beslist niet wetenschappelijk opgezet, beoogde volstrekt niet meer te zijn dan een voorzichtige verkenning. En de beoordeling was uiterst mild.Maar één ding bleek overduidelijk: zelfs de pessimist was nog te optimistisch geweest. Dat velen woorden als ‘schematisch’, ‘conservatisme’ en ‘gecondenseerde’ niet kennen zal niemand verbazen. Maar dat 21 van de 29 leerlingen niet weten wat ‘aanvankelijk’ betekent, 24 onbekend blijken met de betekenis van ‘martelaar’, 20 ’terechtstellen’ niet zien als ‘doden’, dat 11 van de 28 kinderen het woord ’tekst’ niet blijken te kennen en 19 niet in staat zijn ‘in zwang zijn’ te vertalen, dat 17 van een groep van 25 niet weten wat een ‘schrille tegenstelling’ is, dat 12 van de 20 verstek laten gaan bij het woord ‘onvolkomen’ en 10 bij ‘geneigd’, dat ‘schematisch’ een scheve snee in de borstkas, ‘demonen’ gebeurtenissen, ‘vereenzelvigen’ namaken, ‘dialoog’ professor en agenda, ‘wand’ huid genoemd wordt – een bloemlezing die gemakkelijk is uit te breiden – dit alles is toch wel onthullend.’

Uit het citaat blijkt wel heel duidelijk dat ‘moeilijke woorden’ niet hetzelfde is als ‘vreemde’ woorden. Immers, wie aan ‘de intransigente keizer’ verduidelijkend ‘onverzoenlijk’ toevoegt, mag er niet op rekenen dat dit ogenschijnlijk gewone woord vermag waartoe het vreemde woord niet in staat was. Idem: inadequaat – onevenredig; absolute overgave – onvoorwaardelijke overgave, enz. enz. Beide versies kunnen ‘moeilijke woorden’ zijn, en dan heeft ook de ‘vertaling’ verdere uitleg nodig.

Sommige auteurs moeten er tevens voor gewaarschuwd worden geen deftige, hoogdravende woorden en uitdrukkingen te gebruiken waar het eenvoudige woord niet misstaat. Plechtige taal is onder bepaalde omstandigheden heel passend, zelden echter als men een ander iets duidelijk wil maken. Men bereikt er de lezers beslist minder goed mee. De stijl wordt erdoor verzwaard, hetgeen de leesbaarheid vermindert.

Het omgekeerde komt in de praktijk minder voor. Voor de volledigheid noemen we het: Men moet ook weer niet naar de andere kant doorslaan door zich te bedienen van de meer of minder banale kreten-van-de-dag. Eenvoud sluit een zekere waardigheid nog niet uit.
Een indrukwekkend voorbeeld van taalgebruik zonder opsmuk en tegelijk zonder platvloersheid is het werk van Huub Oosterhuis, wiens bundels (Bid om vrede bijvoorbeeld) door hun eenvoud een grote indringendheid bezitten. Over eenvoud en taal schreef Guillaume van der Graft in een gedicht ter herdenking van Martinus Nijhoff:

‘Eenvoud voltooide hem steeds meer. De taal begreep steeds beter wat hij zeggen wilde’.

Eenvoud die nog steeds het kenmerk van het ware is.

5 Verdere vooorwaarden

Wat op de voorgaande bladzijden werd opgemerkt over zinsbouw, zinslengte, leestekens en woordgebruik, vormt op zichzelf genomen toch geen uitsluitende basis voor een leesbaar geschrift. Men schiet er weinig mee op als de fundamenten niet deugen. Het is, met andere woorden, heel goed mogelijk een artikel of een boek te schrijven waarin wel voldaan is aan alle eisen van zinsbouw enz., terwijl zo’n publikatie desondanks slecht leesbaar blijft10. Dat is mogelijk als aan een aantal essentiële voorwaarden niet voldaan wordt. Daarom mag deze verhandeling niet worden besloten zonder dat ook wordt opgemerkt, al zal het voor veel lezers ten overvloede zijn, waaruit deze onmisbare voorwaarden bestaan. De tekst moet berusten op een logische organisatie, en een belangstellingsbasis leggen, op de lezer gericht.

Logische organisatie

Belangrijkste gedachten

Essentieel bij het schrijven van een betoog is, dat het geschrevene hoe dan ook op een logische organisatie berust. In de eerste plaats heeft men daarbij te denken aan een heldere presentatie van de belangrijkste gedachten, omdat een heldere indeling van de stof door de schrijver essentieel is voer een helder begrip bij de lezers. Om die logische indeling van de stof te bereiken zal de auteur zich het doel duidelijk voor ogen moeten stellen en zal hij vervolgens de weg waarlangs hij dat doel wil bereiken nauwkeurig en voortdurend in gedachten moeten houden.

Welke middelen staan hem op de weg naar het doel ter beschikking?

  1. De lezer aan het begin van een uiteenzetting duidelijk inlichten over het onderwerp dat aan de orde komt en over de hoofdgedachten die samen dat onderwerp vormen.
  2. Een ordelijke opvolging van gedachten in acht nemen, waarvan de lezer de logica kan volgen.
  3. Een logische indeling in hoofdstukken en paragrafen maken, beide zorgvuldig op maat gesneden.
  4. Duidelijk het verschil laten uitkomen tussen hoofdzaken en bijzaken.
  5. Het belang onderkennen van zinnen die tot het onderwerp inleiden en van zinnen die de conclusie van het onderwerp vormen.
  6. Belangrijke onderwerpen samenvatten op plaatsen die voor dat doel strategisch het meest geschikt zijn.

Bijzonderheden

In de tweede plaats behoort tot logische organisatie: het benutten van de functie die bijzonderheden kunnen bezitten. Bijzonderheden moeten zo worden gegeven dat ze de hoofdgedachte in een tekst ondersteunen, doordat ze het begrip over de hoofdgedachte uitbreiden en verhelderen. Bijzonderheden moeten dus de voorstelling van zaken versterken en de aandacht toeleiden naar de hoofdzaken – hun betekenis accentueren. Het is duidelijk dat ze daarom met beleid gedoseerd moeten worden.

Uit het voorgaande volgt dat bijzonderheden zó onder woorden moeten worden gebracht, dat ze zich niet gaan opdringen als belangrijke nieuwe gedachten. Een zelfstandig leven mogen ze dus niet gaan leiden. Bijzonderheden moeten bijzonderheden blijven en mogen niet meer aandacht vragen dan er in het verband van het gehele betoog als speciale details aan toekomt.

Het is een van de deskundigheden van de goede uitgever dat hij de auteur kan helpen de structuur, die deze op de bovenbeschreven wijze in zijn manuscript heeft aangebracht, typografisch optimaal zichtbaar te maken. Dat specialisme heeft de uitgever binnen of buiten de muren van zijn huis voor de auteur beschikbaar. Het gaat hem er daarbij volstrekt niet alleen om, een mooi boek te maken. Bovenal wil hij een boek uitgeven dat door zijn goede vormgeving aan bruikbaarheid heeft gewonnen. De ervaring heeft uitgewezen dat deze bruikbaarheid nog groter wordt als auteur, uitgever en boekverzorger al over de vormgeving praten nog vóór de tekst is geschreven. Door samen na te gaan welke stof er precies moet worden overgedragen, komen zij over de presentatie tot een betere opvatting dan het geval zou zijn als het boek niet in teamverband tot stand kwam.

Allerlei mogelijkheden van visualiseren kunnen, mits tijdig overwogen, bijdragen tot het eindresultaat: een boek dat werkelijk informatie overdraagt. Dat het mogelijk is iedere medespeler zijn eigen verantwoordelijkheid te laten behouden heeft de praktijk eveneens duidelijk laten zien.

Belangstellingsbasis

Belangrijkste gedachten

Een tweede fundament is, het leggen van een belangstellingsbasis. Ook dit heeft in de eerste plaats betrekking op representatie van de belangrijkste gedachten. De gehele uiteenzetting moet worden beheerst door het behandelde onderwerp en door de belangrijkste gedachten die erin zitten. Deze moeten in het brandpunt van de belangstelling worden gezet. Hoe kan de auteur dat bereiken?

  1. Door een eenvoudige, recht op de man afgaande benadering van het onderwerp te geven zonder lyrische ontboezemingen.
  2. Door zich zo vaak als het kan te bedienen van een natuurlijke ontwikkelingsgang van zijn gedachten, die bij de lezers leidt tot de conclusie: ‘Ik begrijp waarom het zó is en niet anders’.
  3. Door de moeilijke begrippen als het kan te laten voorafgaan door een zaak die iedereen al bekend is, liefst een ervaringsfeit uit het leven van de lezers zelf, waardoor zij via het bekende toegang krijgen tot het moeilijke. Door gebruik te maken van datgene wat de lezers al weten mag men bij hen allicht meer belangstelling verwachten.
  4. Door te schrijven in overeenstemming met het belangstellingsniveau van de lezers, welwillend maar niet geforceerd.
  5. Door een goede verhouding in het oog te houden tussen het aantal ideeën per onderwerp en dit belangstellingsniveau. Het is niet altijd goed, zoveel mogelijk feiten in zo weinig mogelijk woorden te willen stuwen. De ideeëndensiteit mag niet te groot zijn.

Verwijzingen en relaties

Ten tweede heeft het leggen van een goede belangstellingsbasis te maken met de aanwezigheid van verwijzingen en relaties. De lezer kan de betekenis van een tekst het best begrijpen wanneer die tekst verwijzingen bevat die een beroep doen op zijn eigen ervaringen en die leiden tot een goede relatie daarmee. Men mag aannemen dat hij dan eerder geneigd is over een probleem na te denken en het uit eigen initiatief te onderzoeken. Als men zo schrijft kan het zijn, dat de lezers actief tegenover een tekst komen te staan. Misschien kan men het wagen vragen te stellen die tot tegenspraak prikkelen en daardoor de eigen activiteit van de lezer vergroten.

Grotere activiteit kan ook worden verwacht van de lezer die betrokken is bij de vraag, waarom van hem verlangd wordt een tekst te lezen. De lezer die begrijpt waarom men hem met een bepaalde tekst in aanraking heeft gebracht, zal, zo mag men aannemen, eerder geneigd zijn de gedachten en verwikkelingen met belangstelling te volgen dan de lezer, die over het ‘waarom’ volkomen in het duister tast.

6     Leesbaarheidsformules

In de Verenigde Staten is men al voor de tweede wereldoorlog begonnen de factoren die de leesbaarheid bepalen grondig te bestuderen. Daarbij zijn opvallende resultaten geboekt. W.S.Gray en B.E.Leary behoorden tot de eerste onderzoekers. Zij noemen in What Makes a Book Readable niet minder dan 288 eigenschappen die op de leesbaarheid van invloed zijn, waarvan zij er 64 meetbaar bevonden. Hun boek verscheen in 1935.

Sedertdien is in Amerika het onderzoek naar de leesbaarheidsfactoren zo intensief ter hand genomen dat het tot een echte wetenschap is uitgegroeid. Dat was mede mogelijk door de ontwikkeling van nieuwe statistische technieken, die tot de opstelling van zogenaamde leesbaarheidsformules konden leiden. Jeanne S. Chall van het Bureau of Educational Research Ohio State University geeft er een uitvoerig overzicht van in haar boek Readability, an Appraisal of Research and Application.

In geen ander samenvattend werk krijgt men een zo volledig beeld van dit onderwerp en van hen die er zich in de Verenigde Staten mee hebben beziggehouden (bijvoorbeeld: Irving Lodge, Dale, Ojemann, Tyler, Farr, Jenkins, Paterson, Peterson, Gunning en Chall zelf). Men kan er zich slechts over verbazen dat er in ons land tot nu toe zo weinig over hun werk is geschreven. Trouwens, de lijst van Nederlandse geschriften die J. Hoogteijling noemt in zijn artikel in Paedagogïsche Studiën van september 1967 (blz.397) is helemaal pover, ook afgezien van de Verenigde Staten. Het wordt hoog tijd dat dit onderzoek ook bij ons krachtiger wordt aangepakt.

De onderzoekers in Amerika pasten in het begin hun formules vooral toe bij het ‘doormeten’ van schoolboeken. Gaandeweg breidde zich dat uit tot een veel groter terrein. Onder meer ging men er ook teksten mee meten die voor volwassenen waren bestemd. In 1954 bestonden er, volgens G. R. Klare en B. Buck in hun boek Knowyour Reader, voor het Engels reeds vijfentwintig verschillende methodes om teksten mee te meten.

Meetbaar zijn uiterlijke kenmerken als zinslengte, woordlengte, het aantal ‘persoonlijke’ woorden, het aantal abstracte woorden, enz. Andere factoren als feitelijke juistheid en logische structuur kan men met formules natuurlijk niet meten. Evenmin zeggen ze ons iets over de persoonlijke affectie van de lezer voor het behandelde onderwerp, hoewel die toch mee de leeshouding bepaalt die hij tegenover de tekst aanneemt. Zo kunnen we het er wel over eens zijn dat bijvoorbeeld het Kinsey-rapport zijn vele lezers minder gevonden heeft door zijn grote leesbaarheid dan door het onderwerp dat erin wordt behandeld. Zijn er dus de nodige beperkingen, verderop zal blijken dat er toch nog genoeg te waarderen overblijft.

Dr. Rudolf Flesch

Van alle onderzoekers die zich in de Verenigde Staten met het onderwerp leesbaarheid hebben beziggehouden heeft Flesch zich wel de grootste populariteit verworven. Dr. Rudolf Flesch emigreerde in 1938 uit zijn geboorteland Oostenrijk naar de Verenigde Staten, waar hij aan Columbia University zijn graad behaalde. Thans doceert hij aan New York University. Zijn leesbaarheidsformules zijn voortgekomen uit zijn onderzoek naar de leesbaarheid van schoolboeken, waarin hij grote tekorten aanwees. Daartoe heeft hij zich echter later niet beperkt. Zo heeft hij onder meer de inhoud van tien jaargangen van de Satwday Evening Post en Ladies Home fowrnal geanalyseerd en de redacties, tot hun grote voordeel, van advies gediend bij de verhoging van de leesbaarheid van die bladen.

Bij Associated Press heeft hij een readability-campagne geleid, met het resultaat dat de leesbaarheid van de berichten, verzonden door de stafbureaus van Associated Prese, met sprongen omhoog ging. Geen wonder dat zijn invloed op de Amerikaanse pers enorm is. Al naar aanleiding van zijn eerste boek, The Art of Plain Talk, schreef de Satwday Review of Literature: ‘Het staat vast dat hij zijn invloed zal laten gelden in de school, thuis, op kantoor, achter de lessenaar, op straat, en, laat het ons hopen, bij de regering’. Inderdaad maakt een toenemend aantal overheidsinstanties, en ook opvoedkundige organisaties en uitgevers, van zijn adviezen gebruik.

Leesbaarheidsformules volgens Flesch

In zijn The Art of Readable Writing (New York, 1949), een boek waarin hij, zelf schrijvend, in praktijk brengt wat hij verkondigt, heeft Flesch zijn opvattingen neergelegd. Na een studiereis door de Verenigde Staten heeft Mevr. B. de Leeuw-Polak over deze opvattingen geschreven in haar boeiende artikel ‘De kunst van het leesbaar schrijven’ (Onze Taal, 26e jaargang nr. 12, december 1957, biz. 45-48). Als een van de eersten in ons land heeft zij voor het vraagstuk van de leesbaarheid aandacht gevraagd. In het volgende is onder meer van haar artikel gebruik gemaakt.

Het woord ‘leesbaar’ omvat volgens Flesch twee begrippen: ‘begrijpelijk’ en ‘interessant’. Een van zijn uitgangspunten is, dat datgene wat begrijpelijk en interessant is voor de ene groep, voor een andere groep volstrekt onduidelijk en stierlijk vervelend kan zijn. Wat leesbaar is voor de een, is onleesbaar voor de ander. Leesbaarheid is dus zeer relatief, zoals Flesch in een formule tot uitdrukking brengt.

De formule voor het leesgemak

Om te kunnen meten hoe de relaties bij een bepaalde tekst precies liggen, heeft Flesch een leesbaarheids-test ontworpen. Deze test ia gebaseerd op de twee volgende hoofdelementen:

1. Het leesgemak (Reading Ease), de mate van leesbaarheid die wordt bepaald door het aantal woorden per zin én het aantal lettergrepen per woord. Hoe minder woorden in een zin voorkomen en hoe korter die woorden zijn, des te gemakkelijker laat de tekst zich lezen. Daar waar de verkorting van de woorden een vergroting van hun aantal in de zin betekent, vindt hij het voordeel van het kortere woord groter dan het nadeel van de langere zin (Voorbeeld: Het is onwaarschijnlijk/Het zal wel niet zo zijn).
2. Het menselijk element (Human Interest). Dit is afhankelijk van de mate waarin de auteur zich direct tot de lezer wendt door middel van verwijzingen naar personen en het gebruik van persoonlijke woorden en zinnen. Hoe meer hij dit doet, des te meer wordt de belangstelling van de lezer gewekt. Deze zogenaamde ‘human interest-score’ is zeer moeilijk te bepalen. Uit proeven is namelijk gebleken dat de vraag wat persoonlijke woorden en zinnen zijn sterk uiteenlopende antwoorden krijgt. De uitkomsten van dit deel van de test zijn dan ook minder betrouwbaar.

Om de formule voor de bepaling van het leesgemak toe te passen moet men als volgt handelen.

Eerste stap: neem steekproeven. Neem van het te onderzoeken boek monsters. Neem er zoveel dat u een behoorlijke indruk krijgt, bijvoorbeeld door uw keus te laten vallen op iedere tiende of vijfentwintigste bladzijde, afhankelijk van het aantal bladzijden dat het boek telt. Het beste is ieder monster bij een nieuwe alinea te laten beginnen.

Tweede stap: tel de woorden. Hebt u de methode voor het nemen van steekproeven bepaald, tel dan de woorden in elk monster tot 100. Een woord is hier elke groep letters en/of cijfers gescheiden door een spatie

Derde stap: bepaal de gemiddelde lengte der zinnen. Neem in een gedeelte van 100 woorden als laatste zin die, welke het dichtst bij de 100 eindigt; dat kan bijvoorbeeld bij het 950 of 1050 woord zijn. Tel de zinnen tot daar aan toe en deel het aantal woorden in deze zinnen door het aantal zinnen van alle steekproeven gezamenlijk. Zinnen die van elkaar gescheiden zijn door een dubbele punt of door een. puntkomma als afzonderlijke zinnen beschouwen.

Vierde stap: tel de lettergrepen. Tel de lettergrepen in de monsters van 100 woorden. Dit gaat het snelst als u iedere lettergreep even onderstreept. Staan er veel jaartallen of cijfers in de tekst, dan is het beter die van de telling uit te sluiten. Deel het aantal lettergrepen door het aantal woorden van het onderzochte stuk (100, iets meer of iets minder) en bereken het gemiddelde voor alle monsters. Men kan natuurlijk ook het gezamenlijke aantal lettergrepen door het gezamenlijke aantal woorden delen.

Vijfde stap: bepaal het leesgemak U kunt nu het leesgemak bepalen door de volgende formule toe te passen:

  1. vermenigvuldig de gemiddelde lengte van de zinnen met 1,02;
  2. vermenigvuldig het gemiddelde aantal lettergrepen per 100 woorden met 0,85;
  3. tel deze getallen op;
  4. trek het verkregen antwoord af van 206,84;
  5. de uitkomst geeft het leesgemak aan.

Het leesgemak is dus: 206,84 — 0,85 x woordlengte — 1,02 X zinslengte.

Opmerking: Bij de afdeling sociologie en sociografie van de Landbouwhogeschool te Wageningen heeft Ir. W. H. Douma een revisie van de formule ontworpen. Hij heeft dit gedaan op grond van de overweging dat het Engels minder woorden nodig heeft dan het Nederlands. Ook de opbouw van de woorden in lettergrepen is voor het Engels en het Nederlands niet gelijk. Ir. Douma stelt daarom voor, de zinslengte niet met 1,02 maar met 0,93 en het aantal lettergrepen niet met 0,85 maar met 0,77 te vermenigvuldigen.

Zesde stap: interpreteer de uitkomst met behulp van het volgende schema

kwalificatie leesbaarheidstijlovereenkomstige schoolopleidingaantal lettergrepen per 100 woordenaantal woorden per zin
90-100zeer gemakkelijk4e leerjaar123 of minder8 of minder
80-90gemakkelijk5e leerjaar13111
70-80vrij gemakkelijk6e leerjaar13914
60-70standaardvgio enz.14717
50-60vrij moeilijkulo, onderbouw vhmo15521
30-50moeilijkbovenbouw vhmo16725
0-30zeer moeilijkuniversiteit192 of meer29 of meer

Eenvoudiger methode

Wie opziet tegen het vermenigvuldigen, optellen en aftrekken, kan de bovenstaande tabel toch gebruiken, mits wel de gemiddelde woord- en zinslengte bekend zijn. Hij heeft dan alleen maar de grafiek op bladzijde 73 in te vullen, waarmee de berekeningen met de formule kunnen vervallen. Wat moet u doen?

Stel het gemiddelde aantal woorden per zin en het gemiddelde aantal lettergrepen per 100 woorden vast, volgens de methode, elders in dit hoofdstuk beschreven. Zet Uw uitkomst uit in de eerste en de derde kolom en verbind de twee punten door een lijn. Het snijpunt met de middelste kolom geeft de graad van leesgemak aan.

Deze formule is een hulpmiddel

De formule van Flesch is niet van absolute waarde, evenmin als welke leesbaarheidstest dan ook. Het is geen handleiding om een goed schrijver te worden, daarvoor is de betekenis ervan te beperkt. Dat weet Flesch zelf ook, ook hij kent er niet meer waarde aan toe dan op grond van de beperkte aard van de formule mogelijk is. De leesbaarheidstests van Flesch zijn hulpmiddelen waarmee bepaalde aspecten (wel: belangrijke aspecten) van leesbaarheid gemeten kunnen worden; andere aspecten als logica, feitelijke juistheid en fraaiheid van stijl kan men er niet mee meten.

Maar één ding kunnen deze metingen de auteur leren: zijn geschrift te zien zoals zijn lezer het doet. Daarin ligt hun betekenis. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de schrijver nu maar ‘naar de formule toe’ moet schrijven. Als hij dat doet, als de auteur zijn zinnen systematisch beperkt tot de lengte die als gemiddelde door de formule wordt aangegeven, ontaardt de stijl in een versimpeld staccato, waarvoor in het begin van dit boekje al gewaarschuwd is. 

Mensen met kritiek op het verschijnsel ‘leesbaarheidsformules’ krijgen door deze verkeerde voorstelling van zaken vaak het schrikbeeld voor ogen dat de formule de oppervlakkigheid in de hand werkt: de taal zou erdoor in een dwangbuis geperst worden en niets anders dan standaardprodukten meer kunnen opleveren. Deze kritiek is ongegrond. Zij berust onder meer op het misverstand dat men alle taalgebruik over één kam scheert.

‘Wat zou er van Couperus over blijven als we zijn boeken gingen ‘fleschen’ ?’ luidt dan ongeveer de vraag. Dat moet men ook niet willen. De schone letteren zijn voor ons probleem niet ter zake: wie een literair werk slecht leesbaar vindt kan het uit eigen vrije wil ongelezen laten. Het gaat hier niet over letterkundige maar over informatieve teksten waar de lezer als onderdeel van zijn studie, beroeps- of burgerplichten niet omheen kan: hij moet ze lezen. En ten aanzien van deze vorm van taalgebruik hebben onderzoekingen in de Verenigde Staten duidelijk aangetoond, dat de bedoelingen van de schrijver beter overkwamen als hij zich rekenschap had gegeven van de aspecten die Dr. Flesch onder de aandacht heeft gebracht.

Men leze er slechts zijn boek The Art of Readable Writing op na om overtuigd te raken van het tegendeel van wat de critici zeggen. Dit boek heeft in geen enkel opzicht iets gemeen met de ‘newspeak’, de verkrachte taal, zoals Orwell die in 1984 laat bestaan. Integendeel, het werk van Flesch behelst juist een waarschuwing voor het gevaar, dat de massa van de mensen dreigt te vervreemden van haar geestelijke voorhoede, zoals Ir. W.H.Douma terecht opmerkt in zijn publikatie De leesbaarheid van landbouwbladen (Wageningen, 1960, biz. 39 en 40).

Tegenover het vermeende gevaar van het gesimplificeerde standaardprodukt, zo betoogt hij, valt ook een taalgebruik te noemen dat op indringende wijze, en tevens voor ieder begrijpelijk, juist tegen anti-democratische tendensen waarschuwt.

De bedoeling van de leesbaarheidsformules is dus niet, de taal geweld aan te doen. Zij zijn ontstaan uit het besef dat er moeilijkheden kunnen bestaan bij de communicatie tussen schrijver en lezer door middel van het geschreven woord. Dat die moeilijkheden niet alleen kunnen bestaan maar er ook werkelijk zijn, zal uit de volgende voorbeelden blijken.

7 Voorbeelden

Leesbaarheid bij de verhouding overheid – burgerij

Verklaring van de burgemeester van Amsterdam, naar aanleiding van relletjes in de binnenstad

Originele tekst

 

‘In onze stad is als gevolg van herhaalde botsingen tussen hoofdzakelijk uit jongeren bestaande groepen en de politie een situatie ontstaan, waarover ik mij ernstige zorgen maak. Wanneer zich opnieuw botsingen zouden voordoen zou hieruit een toestand kunnen ontstaan welke ernstige en reële gevaren inhoudt voor het welzijn en veiligheid, zowel van betrokkenen als van burgers die bij deze botsingen niet betrokken zijn.

 

Herschreven tekst

 

Ik maak mij zorgen over de toestand in onze stad. Waar zou ik anders aan denken dan aan de botsingen met de politie? Als dat zo doorgaat kan niemand nog instaan voor de veiligheid van de rustverstoorders. Zelfs mensen die er niets mee te maken hebben lopen gevaar.

 

‘Daarom doe ik een ernstig beroep op de burgerij in het algemeen en op groeperingen in het bijzonder, maar voorts ook op allen, die in welke vorm dan ook invloed kunnen uitoefenen op een herstellen van de rust in onze stad, om thans niets te doen dat tot nieuwe botsingen aanleiding kan zijn en alles in het werk te stellen anderen ervan te weerhouden activiteiten te ontketenen die een ingrijpen van de politie onvermijdelijk maken.Laten we met ons allen zo wijs zijn het niet tot een herhaling te laten komen. We zijn aan rust toe in onze stad. Bent U het daarmee eens? Probeer dan degenen die het niet willen geloven er óók van te overtuigen.
‘Ik heb opdracht gegeven tot het onderzoeken van mogelijkheden die kunnen meewerken een herhaling van de betreurenswaardige incidenten van de laatste tijd te voorkomen.Van onze kant zijn we bezig te onderzoeken hoe we aan deze botsingen voorgoed een eind kunnen maken.
‘Ik ben bijzonder erkentelijk voor alle ernstige voorstellen die mij op het ogenblik van vele kanten bereiken om tot oplossingen te komen voor het probleem, dat ons thans zo geheel bezighoudt. ‘Ik wil er echter met nadruk op wijzen, dat verstoringen van de openbare orde en veiligheid niet kunnen worden geduld en dat de politie met alle haar ten dienste staande middelen, met name arrestatie, hiertegen zal moeten optreden. In dit laatste verband verwijs ik naar de verklaring van de procureur-generaal, fungerend directeur van politie, waarbij de straffen zijn aangegeven die kunnen worden opgelegd.Natuurlijk dank ik iedereen die mij voorstellen heeft gedaan om het probleem op te lossen. Maar hoe we de zaak ook bekijken, één ding moet ons heel duidelijk zijn: verstoring van de openbare orde en veiligheid kunnen we. beslist niet toelaten! De politie zal er streng tegen moeten optreden.
De procureur-generaal van het gerechtshof in onze stad heeft er al het zijne van gezegd. Hij heeft erop gewezen dat rustverstoorders flinke celstraffen of geldboetes kunnen krijgen.
Laat het zover niet hoeven te komen!
 

 

Aantal zinnen: 7 vs  

Aantal woorden: 257 vs  

Gem. aantal woorden per zin: 36,7 vs  

Categorie: zeer moeilijk (academici)

 

 

16 

191

11,9

gemakkelijk tot vrij gemakkelijk (ongeschoolden)

Stelling: Deze verklaring heeft het grootste deel van de Amsterdammers niet bereikt.

Leesbaarheid in het bedrijfsleven

A Snipperdagen

 

Evenals dit in vorige jaren het geval was, blijkt dat een groot gedeelte van het personeel nog beschikt over een soms niet onaanzienlijk aantal snipperdagen. Wij dringen er bij u op aan, niet tot het alllerlaatste gedeelte van het jaar met het opnemen van de resterende snipperdagen te wachten. Wanneer men door omstandigheden, die niet te voorzien zijn, niet in staat zou zijn om dé snipperdagen in de laatste dagen van het jaar op te nemen, dan gaan ze verloren, want, zoals bekend, is het overhevelen van snipperdagen, die niet werden opgenomen, naar het volgend jaar, in het algemeen niet toegestaan. Indien daartoe geen bijzondere aanleiding bestaat, moet men niet tot het laatste moment wachten met opnemen.

B Neem op tijd uw snipperdagen op 

 

Velen van u hebben nog twee of meer snipperdagen over. Die kunt u beslist niet allemaal tegelijk in de maand december krijgen.

Neem ze dus voor die tijd op! Na december zijn ze vervallen.

Hebt u een goede reden om in december vrij te vragen? Doe het dan nu alvast!

 

 

Gemiddelde zinslengte: 23,6 woorden 

Gemiddelde woordlengte: 1,69 

Niveau van leesgemak: academici

 

 

Gemiddelde zinslengte: 8, 1 woorden

Gemiddelde woordlengte: 1,46 

Niveau van leesgemak: ongeschoolden

Vergelijking van A en B levert onder meer de volgende conclusies op:

A vertoont grammaticaal geen gebreken, maar dat verhindert niet dat de tekst een onaangename bijsmaak geeft. En dit ondanks het feit dat men de schrijver hóórt denken: ‘Laat ik het voorzichtig zeggen, anders worden ze misschien boos’. Toch zal de reactie van vele lezers zoiets zijn geweest als: ‘Nou gunnen ze je je snipperdagen ook al niet meer’. De bereidheid zich open te stellen wordt door tekst A niet bevorderd (informatieverlies). De vele komma’s vormen voor het lezen meer een rem dan een steun.

B is voor ieder begrijpelijk en de toon doet sympathiek aan. (‘Goed dat ze ons even waarschuwen’.) Toch doet de – onbekende – schrijver geen moeite de bedoeling van zijn mededeling achter een rookgordijn van voorzichtig gestelde zinnen te verbergen. Hij schrijft recht op de man af11.

A Mededeling

 

Diegenen onder het personeel die zich nog niet hebben opgegeven als gegadigde voor het telkenjare tegen een speciale korting te bekomen exemplaar van het kerstnummer van het Drukkersweekblad, worden alsnog slechts gedurende betrekkelijk korte tijd in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken dat zij voor zulks in aanmerking wensen te komen.

B Kerstnummer Drukkersweekblad 

 

Ook dit jaar kunt u het kerstnummer van het Drukkersweekblad weer krijgen met een speciale korting van 40%. Sommigen van u gaven zich al op. Wilt u ook een exemplaar voor / 6,— ontvangen? Haast u dan! De heer De Vries kan uw naam nog tot 15 oktober op de lijst zetten. Daarna betaalt u de volle prijs.

Als u ook deze teksten A en B met elkaar vergeleken hebt kunt u gemakkelijk uw conclusies trekken. De situatie ten aanzien van zinslengte, enz. is hier in principe gelijk aan die bij het vorige geval.

Leesbaarheid bij Ligthart en Scheepstra

Een fraai voorbeeld van intuïtie bij het schrijven voor kinderen laten ons Ligthart en Scheepstra zien in hun leesboekjes, die voor het eerst in het begin van onze eeuw bij J. B. Wolters zijn verschenen. Het wonder van hun talent blijkt uit het feit dat vele van deze boekjes tot op de dag van vandaag nog steeds tot de veelgevraagde titels uit het fonds van deze uitgever behoren. Zonder twijfel heeft met dit lange leven te maken dat de auteurs, ofschoon zij niet ‘naar Flesch toe’ hebben kunnen schrijven, de proefondervindelijk vastgestelde normen van deze Amerikaan dicht benaderen. Zoals uit de onderstaande tabelu blijkt, kunnen zij de metingen met de Flesch-formule goed doorstaan.

Onder gemiddelde zinslengte wordt verstaan het gemiddeld aantal woorden per zin.

Onder gemiddelde woordlengte wordt verstaan het gemiddeld aantal lettergrepen per 100 woorden.

Frappant is de regelmatige stijging van de gemiddelde zinslengte van 5 tot 11 woorden.

Overzicht van de gemiddelde zinslengte, gemiddelde woordlengte en leesindex van een aantal Ligthart-en-Scheepstra-uitgaven.

De getallen tussen haakjes in de kolom ‘Leesindex’ geven de index voor de overeenkomstige leerjaren uit de tabel van Flesch aan.

Leesbaarheid in de krant

Een krant schrijft:13

Hoewel individuele afgevaardigden van diverse sportbonden relatief sterk afwijkende meningen bleken te hebben over de realisatie van detailkwesties, kon over de centrale doelstelling van het actieprogram in principe geen divergentie worden geconstateerd, zodat men in goede harmonie een drietal resoluties met eenstemmigheid aannam.

Hetgeen betekent:

Alle afgevaardigden van de sportbonden waren het eigenlijk wel eens over het hoofddoel dat nagestreefd moet worden. In goede samenwerking stelde men een drietal besluiten op en die werden eenstemmig aangenomen. Alleen over de uitvoering van een paar minder belangrijke punten bestond hier en daar verschil van mening. 

8 Noten en literatuur

Noten

  1. H. de Boer e.a.. Schriftelijk rapporteren, Utrecht, 1962, biz. 99.
  2. Teksten behorende bij de A.K.u.-cursus van F.C. van der Werff, Hoe maak ik mijn geschriften leesbaar? Arnhem, 1965, blz.7en8.Van dit werk ia ook een handelseditie verschenen (Rotterdam, 1966).
  3. Onze Taal, 32e jaargang nr. 11, november 1963, biz. 64.
  4. Onze Taal, 320 jaargang nr. 11, november 1963, biz. 63. 
  5. Onze Taal, 360 jaargang nr.2, februari 1967, biz. 27.
  6. H. de Boer e.a., Schriftelijk rapporteren, Utrecht, 1962, biz. 104.
  7. C.F.P.Stutterheim, Taalbeschouwing en taalbeheersing, Amsterdam, 1965, biz. 86.
  8. H. de Boer e.a., Schriftelijk rapporteren, Utrecht, 1962, biz. 102-103. Met een kleine variant ook in: Onze Taal, 36e jaargang nr.2, februari 1967, biz. 27.
  9. ‘Ten geleide’ bij G.J. van der Keuken en P.Minder-hout. Het moeilijke woord, Zutphen, 1966. Het werk van J.Hoogteijling en het sociologisch onderzoek van prof. Van Heek bevestigen de resultaten van deze enquête.
  10. E.M.Peterson, Aspects of Readability in the Social Studies, New York, 1954.
  11. F.C. van der’Werff, De noodzaak van beter taalgebruik bij schriftelijke communicatie, Tijdschrift voor Efficiency en Documentatie, 35, 1965, biz. 1054-1056.
  12. Met behulp van gegevens uit een scriptie van R. H. M. Brouwer (ongepubliceerd).
  13. Teksten behorende bij de cursus van F.C. van der Werff, Hoe maak ik mijn geschriften leesbaar? Arnhem, 1965, biz. 33 en 34.

Literatuuropgave

  • Betts, E. a., Readability, its Application to the Elemen-tary School (Joumal of Educational Research, jaargang 42, biz. 438-450).
  • Blok, W., Is de krant leesbaar? (De journalist, 15 maart 1967, ook opgenomen in Levende Talen, juni 1967, biz. 314-323).
  • Boer, H. de e.a., Schriftelijk rapporteren (Utrecht, 1962). Hieruit is vooral hoofdstuk iv voor ons onderwerp van belang. Zie ook onder Veering J.
  • Brouwer, R. H. M., Onderzoek naar de leesbaarheid van . Nederlands proza (Paedagogische Studiën, oktober 1963, blz.454-464).
  • Chall, Jeannes., Readability, an Appraisal of Research and Application (Ohio State University, Columbus, Ohio, 1958).
  • Douma, W. H., De leesbaarheid van landbouwbladen (Wageningen, 1960).
  • Elias, T., Het staat in de stukken (De Tijd, 29 september 1967).
  • Flesch, R., the Art of Readable Writing (New York, 1949).
  • Flesch, R., How to test Readability (New York, 1951).
  • Gray, W. S. en B. E. Leary, What makes a Book Readable (Chicago University, 1935).
  • Gunning, R., the Technique of Clear Writing (New York, 1952).
  • Hoogdeteijling, J., Toetsing van schoolboeken en examenopgaven door vaststelling van de leesbaarheid volgens Flesch-Douma (Paedagogische Studiën, september 1967, biz. 366-399).
  • Intermediair, De toekomst van het informatieve boek nr. 13, 19 en 23 (1967).
  • Klare, G. R. en B. Buck, Know your Reader. The Scientific Approach to Readability (New York, 1951).
  • Klare, G. R., The Measurement of Readability (lowa State University Press, 1963).
  • Knegtmans, J.J., Leesbaarheid. Een overzicht van het readability-onderzoek in de Verenigde Staten en in Nederland (Amsterdam, Psych. Laboratorium, 1970).
  • Kolkhuis Tanke, J. A., creatieve zakenbrieven (Groningen, 1968).
  • Leeuw-Polak, B. de, De kunst van het leesbaar schrijven (Onze Taal, 260 jaargang nr. 12, 1967, blz.45-48).
  • Miller, G. A., Languagc and Communication (New York, 1963).
  • Murphy, D., communicatie m het moderne bedrijf (Utrecht, 1965).
  • Peterson, E. M., Aspects of Readability in the Social Studies (New York, 1954).
  • Poelje, g. a. van, Persoonlijke onpersoonlijkheid (Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1960).
  • Run, H.W.M. van, Taal en wartaal in de politiek (Dux, juli 1966, biz. 352-357)
  • Stutterheim, C. F. P., Taalbeschouwing en taalbeheersing (Amsterdam, 1965).
  • Veering, J., Het taalgebruik in een rapport (in: H. de Boer e.a., Schriftelijk rapporteren, Utrecht, 1962).
  • Veering, J., Spanning in de zin (Onze Taal, 320 jaargang nr.n, 1963, biz. 63-64).
  • Veering J., Lezen en schrijven (Onze Taal, 360 jaargang nr.2, 1967, biz. 25-28).
  • Vries, J. A. de, onbewerkt en herschreven: een experimenteel lezersonderzoek (Landbouwkundig Tijdschrift, 8oe jaargang nr. 7, juli 1968, biz. 276-280).
  • Werff, F. C. van der, Hoe maak ik mijn geschriften leesbaar? Geprogrammeerde cursus in begrijpelijk en onderhoudend schrijven (Rotterdam, 1966).
  • Werff, F. C. van der, De noodzaak van beter taalgebruik bij schriftelijke communicatie (Tijdschrift voor Efficiency en Documentatie, 35, 1965, biz. 1053-1057).
  • Zondervan, F. en P. van Caldenborgh, Leesbaarheid , deel 2a. Inventarisatie: Vijftig jaar leesbaarheidsonder-zoek, een alfabetische en systematische bibliografie (met los supplement) (Amsterdam, Vrije studierichting taalbeheersing, 1972).
  • Zondervan, F. en P. van Caldenborgh, Leesbaarheids-formules, constructie en betrouwbaarheid (Spektator, jaargang l, 1972, afl. 6). Dit artikel is een omwerking van Leesbaarheid, deel l, van dezelfde auteurs

Atlassensymposium 1977

‘Dames en heren,

Enkele jaren geleden verscheen in Engeland een boek van de econoom Ernst Friedrich Schumacher, getiteld: ‘Small is beautiful’. Credo van deze Engelse auteur van Duitse origine was: ‘Organizations should imitate nature, which doesn’t allow a single cell to become too large. When it grows big, it splits’. Dat klinkt misschien wat vreemd uit de mond van iemand die behoort tot een organisatie die zich binnen vijf jaar door middel van twee fusies nogal weinig van deze wijsheid  aangetrokken heeft. En bovendien: Wat heeft dat nu te maken met dit symposium, zo vraagt u zich waarschijnlijk af, een symposium dat immers gewijd heet te zijn aan het afscheid van professor Ormeling als redacteur van de Bos-atlas en aan het honderdjarig bestaan van die Bos-atlas zelf en zijn positie in het Nederlandse aardijkskunde-onderwijs.

Ik kom daar zo op terug, maar wil graag eerst wat anders doen: u namens Wolters-Noordhoff allemaal hartelijk welkom heten. Vooral met het oog dáárop immers, mag ik deze dag, als niet-specialist in uw vakgebied, in uw midden verkeren. Het is bijzonder verheugend te zien, dat u met zovelen gevolg heeft gegeven aan onze uitnodiging dit symposium te komen bijwonen.

Een bijzonder woord van welkom wil ik richten tot de heer Ormeling, wiens naam zo onverbrekelijk met de Bos-atlas verbonden is, en niet minder ook tot mevrouw Ormeling en de verdere hier aanwezige familieleden van hen. Uw komst onderstreept nog eens extra hoezeer u zich betrokken voelt bij wat ik toch wel, zonder het te bont te maken, mag noemen: een stuk levenswerk van professor Ormeling.

Dames en heren, ‘Small is beautiful’:  is dat nu een geschikt motto voor een openingswoordje dat, al zal het klein blijken, betrekking heeft op een symposium rond de Grote Bos-atlas? Zou daarvoor ‘Big is beautiful’ niet beter op z’n plaats zijn? Dat allitereert een beetje, dus het klinkt nog beter ook. En bovendien zouden we dan, om in de terminologie te blijven, kunnen spreken van de ‘Big Bos’, in het midden latend of we daarmee de Grote Bos-atlas bedoelen of de redacteur ervan. Wie zijn geneigdheid tot relativeren kent weet ook dat hij zichzelf nooit zo zou willen kwalificeren. Zelf heeft Ormeling zich als bewaker van zo vele aspecten van de atlas liever ‘Wolters’ boswachter’ genoemd, een rolverkleining die wij van Wolters-Noordhoff willen vervangen door een andere titel, omdat wij hem door de jaren heen steeds meer zijn gaan beschouwen én waarderen als: de ‘big boss’ van de Grote Bos.

Overigens: met wat wij in de wandeling de ‘periode-Ormeling’ noemen begint eigenlijk de periode van het ‘moderne’ atlas maken, dat wil onder meer zeggen: het solowerk verandert meer en meer in teamwerk. De eisen die onze veranderende wereld en het ook niet stilstaande onderwijs aan de atlas stellen maken het gaandeweg onmogelijk dat de redactie nog door één persoon gevoerd wordt. De vervaardiging van de atlas weerspiegelt daarmee een verschijnsel van onze tijd: in hoger tempo dan voorheen voltrekken zich uitbreiding, en verspreiding van de resultaten, van onderzoek op wetenschappelijk en technologisch gebied. Dat dwingt tot steeds verdergaande specialisatie. Dat we daar treurig over moeten doen geloof ik niet, mits specialismen in organisch verband kunnen en willen samenwerken. Als dat zo is dan kan het geheel meer worden dan de som van de delen.

Ook als we daarin slagen beseffen we heel goed dat de Bos-atlas nooit volmaakt geweest is en het ook nooit zal worden. Sommige stellingen van de forumleden die in de loop van de dag besproken zullen worden wijzen er ook al op dat wij in deze relatieve beoordeling van een van onze eigen kernprodukten niet alleen staan. We weten ook zelf maar al te goed dat er al weer volop aan de volgende druk gewerkt pleegt te worden zodra de vellen van de nieuwste druk van de persen komen. En soms al eerder.  

Dat small beautiful is, zien we ook in de Bos-atlas zelf. Lange tijd lag de nadruk op grote overzichtskaarten, als gevolg van de regionale, ruimtelijk-inventariserende geografie die leidraad was bij het onderwijs. Sporadisch werden enkele kleine in zwart-wit uitgevoerde kaarten over speciale onderwerpen opgenomen. Het is Ormeling geweest die sterk de hand gehad heeft in de groei van het aantal thematische kaarten en kaartjes. Ook hier dus, waar nodig, aandacht voor functionele opsplitsing die niet ten koste gaat van maar ten dienste staat aan het geheel. Om nóg maar eens een open deur in te trappen: ontwikkelingen staan niet stil. Dit symposium is er dan ook duidelijk voor bedoeld bij te dragen aan een visie op de functie van de atlas in het huidige én toekomstige Nederlandse aardrijkskunde-onderwijs.

Geachte heer Ormeling: dit symposium staat toch óók, en niet in de laatste plaats, in het teken van uw afscheid als redacteur. U bent de vierde geweest die de erfenis van de naamgever van de atlas in beheer heeft gehad. J.F.Niermeijer, B.A.Kwast en P.Eibergen gingen u voor. De meester- zelf meegerekend zijn dat dus vijf verzorgers van dit grote kaartenboek geweest, slechts vijf in een tijdsbestek van honderd jaar. Snelle rekenaars onder ons zullen inmiddels becijferd hebben hoe lang een redacteurschap gemiddeld heeft geduurd en het zal hun tegelijk niet ontgaan zijn hoezeer zo’n produkt iemand kennelijk in z’n greep kan houden. U hebt, waarde heer Ormeling, het gemiddelde zelfs nog met twee jaar overschreden. In het dienstverband van J.B Wolters verrichtte u uw taak van 1955 tot 1965. Daarna was u tot 1972 weliswaar hoogleraar aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, maar u bleef de Bos-atlas trouw. En sinds 1972 bent u hoogleraar aan het Internationaal Instituut voor Luchtkartering en Aardkunde te Enschede. Maar u blééf, in uw eigen woorden, onze trouwe ‘boswachter’.

Nu staan we aan het einde van die periode. Uw gevoelens die door zo’n afscheid opgeroepen worden kunnen wij ons goed voorstellen. Ik hoef u eigenlijk niet te zeggen dat wij van Wolters-Noordhoff die gevoelens met u delen, in het bijzonder de medewerkers van ons Geografisch-Cartografisch Instituut met wie u zo lang en zo intensief hebt samengewerkt. Maar overheersend bij dit afscheid is onze grote waardering voor uw persoon en voor de kwaliteit van uw werk. Daar voegen we onze dankbaarheid aan toe voor alles wat u in een periode van 22 jaar van constructieve samenwerking hebt betekend voor ons bedrijf en voor uw én ons troetelkind: de Grote Bos-atlas.

En hiermee, dames en heren, is dit symposium geopend. Ik hoop dat u er allemaal wat aan zult hebben, en dat het u al bekende programma van deze dag u veel nut en genoegen zal verschaffen.’