Jan de Groot | 1930 - 2008

Halbo Chr. Kool (1907-1968)

kool003 p01

Zijn bekendheid in onze kring ontleende hij aan enkele massa- en lekespelen: een vertaling van ‘De burgers van Calais’, ‘Rond het Eeuwige Vuur’ en ‘De Vogel Phoenix’, waarover zo dadelijk meer.

Halbo Chr.Kool werd 25 januari 1907 geboren in de stad Groningen, waar zijn ouders in de Stoeldraaiersstraat een dameshoedenwinkel hadden: ‘Maison Kool’. Nauwelijks twintig jaar, liet hij al z’n eerste gedichtenbundel verschijnen, ‘Toverformule’, de tweede, kort daarna, werd al minder goed ontvangen. Wel werd een gedicht van hem opgenomen in ‘Het Pierement’, in 1930 gedrukt bij niemand minder dan de drukker-kunstenaar H.N.Werkman. Na het gymnasium had Kool zich laten inschrijven aan de Groningse universiteit voor de studie Frans, die hij niet afmaakte.

Wel komt zijn naam nog enkele jaren voor in de Almanak van de studentenvereniging ‘Vindicat atque Polit’, maar intussen was hij in 1931 al naar Amsterdam verhuisd: Jozef Israëlskade 51A, later Vijzelstraat 85bv. Hij werkte er als kunstredacteur bij ‘Het Volk’ en bij de ‘Wereldomroep’. In die periode ontstond het spel ‘Rond het Eeuwige Vuur’ (1938), na de oorlog vermeerderd met ‘De Vogel Phoenix’(1948). Tijdens de oorlogsjaren verzorgde Halbo Kool samen met Jan H.de Groot en Han G. Hoekstra de samenstelling van het illegale ‘Vrij Nederlandsch Liedboek’ (1944, De Bezige Bij, bij de oprichting waarvan hij betrokken was).

Over Halbo Kool’s werkzaamheid voor de AJC worden we door Jan Meilof in zijn boek over het culturele werk goed geïnformeerd, zie de blz.424 en volgende, en op blz.436-437 over ‘De Vogel Phoenix’. Begonnen in Vierhouten, voert dit spel ons direct al naar het oude Egypte, en naar diepe gedachten over christendom, jodendom en humanisme, maar hoe alles nu precies in elkaar zat bleef voor velen toch wel wat raadselachtig. De dans van Arie Dooyes als vogel Phoenix maakte nog de meeste indruk, maar als je je alleen die dans herinnert is dat eigenlijk niet genoeg om Halbo’s creatie ten volle te waarderen.

kool003 p02

De afdeling Groningen gebruikte als basis Halbo Kool’s vertaling uit de jaren dertig van ‘De burgers van Calais’ door Georg Kaiser. De eerste uitvoering vond plaats in december 1949 bij het dertigjarig bestaan van onze plaatselijke afdeling: zie de foto in Meilof blz. 433. De geheel bezette grote zaal van de oude ‘Harmonie’ (nu afgebroken) gevuld met de verzamelde Groningse ‘rode familie’: 1500 personen, een groot succes! Maar nog méér verguld waren we met de uitvoering in Hilversum, kort daarna, op het ‘Gildefeest’. Onder regie van Reint Woudstra kregen we daar een langdurig spontaan applaus (!) van de andere lekespelers. De indrukwekkende muziek van César Franck, ‘Le chasseur maudit’, had aan dat zo geslaagde optreden een extra lading meegegeven. Een onvergetelijke herinnering.

En dan natuurlijk nog het spel ‘Rond het Eeuwige Vuur’ van 1938, waarvoor Wim van Halm Halbo Kool’s opdrachtgever was, en waar wel geen nadere toelichting voor nodig zal zijn. ‘Prikkebeen’ gaat een verbond aan met ‘Waterdrager’, maar de vijanden van het vuur slagen er uiteraard niet in om het vuur te doven: ‘Het vuur dat niet wordt uitgebluscht’, zoals Koos Vorrink het vier jaar eerder al aan zijn gehoor had voorgehouden bij zijn afscheid. Knap werk van Halbo Kool dat hij het voor elkaar kreeg álle twaalf artikelen van de Rode Valken-/Trekvogelwet in het spel een zinvolle plaats te geven…

Maar het werd een tragisch einde. Op 30 mei 1968 vond men zijn ontzielde lichaam op een landweggetje bij Kortenhoef.

Wij gedenken Halbo Kool als een toegewijde kameraad, die aan ons AJC-leven veel moois en goeds heeft bijgedragen.

Jan de Groot


Lennaert Nijgh schreef ‘Een wonderkind van 50’ over Halbo Kool

 
Toen ie in de jaren dertig debuteerde
Een bleek titaantje in z’n veel te wije broek
Wiens tere poëzie de crisistijd trotseerde
Naar hoger idealen en menselijkheid op zoek
 
Toen werd z’n werk geroemd van alle kanten
Op zo’n talent had men al jarenlang gewacht
Hij zag z’n naam opeens gedrukt in alle kranten
Ze vonden hem nog beter dan ie zelf ooit had gedacht
 
De mandarijnen maakten ruzie in hun blaadjes
En iedereen had hem het eerst ontdekt
Hij werd het middelpunt van culturele praatjes
En al was ie pas begonnen, de verwachting was gewekt
 
Want een wonderkind van twintig
Is altijd een goed begin
Ja, die jongen kan wat worden
Ja, daar zit nog heel veel in
 
Maar van de kunst alleen kan niemand leven
Dus het werd een baantje bij een grote krant
En wat ie verder in z’n leven heeft geschreven
Hield met z’n idealen geen verband
 
’t Was de bezetting die het vuur weer deed ontwaken
Hij wou de ondergrondse in als held
Hij zou de vijand wel eens goed weten te raken
Met de bezieling van z’n literair geweld
 
Het concentratiekamp kwam hij nog net te boven
Maar idealen had ie toen allang niet meer
En alles waar ie ooit in kon geloven
Was verpletterd met de kolf van een geweer
 
En een wonderkind van veertig
Dat is een naar geval
Die zo veel had kunnen worden
Maar die niks meer worden zal
 
Ach, hij deed nog wel een keertje een vertaling of ziets
Waar geen eer mee kon behalen
Maar zijn debuut was niet meer vatbaar voor herhaling
En naar z’n nieuwe werk werd door geen mens getaald
 
Hij heeft nog jaren eenzaam drinkend zitten wachten
In een hoekje van de kunstenaarssociëteit
Waar de jongens nauwelijks om z’n grappen lachten
Maar een pilsje of een borrel kon ie altijd aan ze kwijt
 
Ze hebben hem op z’n kamertje gevonden
Met een briefje aan z’n kinderen in z’n hand
En toen pas schreven ze dat ze ‘m waarderen konden
En hij kreeg een stukje in Vrij Nederland
 
Want een wonderkind van vijftig
Voldoet niet aan z’n plicht
Hij had niet ouder mogen worden
Hij heeft de wereld opgelicht, ja
 
Want een wonderkind van vijftig
Voldoet niet aan z’n plicht
Hij had niet ouder mogen worden
Hij heeft de wereld opgelicht
 
Ach, een wonderkind van vijftig
Dat is immers geen gezicht
Dus om consequent te blijven
Deed ie zelf het boek maar dicht

Piet Cossee (1917-2007)

200710JanCossee2

In onze rijen gaat achter élk beëindigd leven een levensverhaal schuil waarin voor de AJC een hoofdstuk ingeruimd verdient te worden. Verschil maken tussen ‘belangrijke’ en ‘onbelangrijke’ (oud-)leden is in onze traditie immers niet aan de orde, behoort dat in ieder geval ook niet te zijn.

Is er dus in principe geen plaats voor uitzonderingen, er zit ook een meer praktische kant aan. Als je, helaas in elk nummer van ons bescheiden blad opnieuw, de altijd weer te lange opsomming van namen van overleden oud-leden onder ogen krijgt, ontkom je om ruimtelijke redenen niet aan een keus. En die berust dan meestal op de overweging dat hij of zij die ons heeft verlaten voor velen een zekere bekendheid heeft gehad: landelijk, regionaal of beide, en daardoor ‘publicitair’ wat ruimer bedeeld wordt. Het kan ook gebeuren dat iemand pas ná zijn/haar AJC-tijd is gaan opvallen, en in dat geval door opmerkelijke activiteiten in het politieke, sociale of culturele leven van ons land. Ook daar staan we dan even bij stil.

Piet Cossee is 21 juni op 89-jarige leeftijd overleden. Geboren in 1917, heeft hij dus behoord tot de generatie van degenen die in de jaren-dertig AJC-er zijn geweest.  Zestien jaar was Pieter Casper Cossee toen hij in 1933 zijn typografische loopbaan begon bij drukkerij Mouton in Den Haag. Daar kwam hij in contact met de uit Duitsland gevluchte Henri Friedlaender, die op zijn beroepsmatige vorming grote invloed heeft gehad. En dat niet alleen in de onmisbare grafisch-technische zin van gedegen vakmanschap dat berust op principiële verbondenheid met de klassieke waarden van de typografie.

Daarbovenuit is Piet, aanvankelijk in het voetspoor van zijn grote leermeester, altijd trouw gebleven aan de opvatting dat typografie geen particuliere liefhebberij van de vormgever om zichzelfs wille moet zijn. Want in de eerste plaats, zo vond hij, is de typograaf een ‘meespelend’ onderdeel in een groter geheel. Hij wilde ‘intermediair’ zijn tussen schrijver en lezer, afzender en ontvanger, en de ontmoeting tussen die twee bevorderen in dienende ondersteuning. Daar gebruikte hij alle grafische middelen voor, in een optimale presentatie van leesbaarheid. Artistiek hoogstaand, ontwikkelde hij zodoende een eigen stijl.

Na de oorlog –Piet was actief in het verzet- kwamen zijn kwaliteiten ten goede aan zijn vaste relatie met de PTT, waar hij meewerkte aan jaarverslagen en aan postzegels. Menige jonge ontwerper werd door hem begeleid. Een hechte band ontstond ook met het Amsterdamse tijdschrift ‘Castrum Peregrini’, dat inhoudelijk vooral steunde op de (vrij elitaire) leer van de Duitse dichter Stefan George en zijn kring. En van de talrijke door hem vormgegeven boeken van verschillende uitgeverijen werden er in de loop van de jaren heel wat uitverkozen tot ‘de beste van het jaar’.

Door dit alles werd Piet Cossee onbetwist één van de grondleggers van de naoorlogse typografie in ons land. Hij combineerde soberheid met idealisme, met oog voor het detail en drang naar perfectie, enthousiast en met een tomeloze energie, vasthoudend tot en met: geen ‘gemakkelijke’ man dus! Zo wordt hij ook beschreven in een vriendenboekje uit 1987, toen hij vijftig jaar typograaf was. Eén van de auteurs noemde hem vanwege zijn superieure vakmanschap ‘een Bach van de boekvorm’. Geen gering compliment!{mosimage}

200710JanCossee

Hoe zouden we hem nu, op grond van deze karaktereigenschappen, zichtbaar in zijn werk, kunnen typeren als AJC-er uit de jaren-dertig? Het is mij tot mijn spijt niet gelukt iemand te vinden die daarover uit de eerste hand iets zou kunnen vertellen. Ook in de biografische schets van Piet’s vrouw Ri Cossee-Bommeljé gaat het alleen over zijn typografische loopbaan. Een Amsterdamse oud-AJC-er, die eveneens zijn sporen in de grafische wereld meer dan verdiend heeft, en net als Piet viool speelde: Dick Dooyes, noemt in zijn bijdrage aan het boek evenmin de AJC. Maar ook zonder informatie van buiten zijn vak kun je je voorstellen dat Piet Cossee in de AJC zeker de kans gehad zal hebben zich te ontplooien en zich verdienstelijk te maken. Iemand schreef: ‘Met zijn brede maatschappelijke belangstelling fulmineerde hij hevig tegen het onrecht in de samenleving.’ En een Duitse collega-vormgever herinnerde zich: ‘Cossee gehörte der gleichen Gruppe der sozialistische Jugendbewegung an wie u.a. Koos Vorrink. Es war ihr Ziel, mit einem vorbildlichen Leben für die Arbeiterjugend ein Beispiel zu sein’.

‘Ein Beispiel’: dat was Piet Cossee voor velen die zich, ná hem, bezig hielden en houden met de vormgeving van velerlei soorten drukwerk. Een voorbeeld dus: was hij dat ook in de AJC? Kent iemand hem nog? Het zou prettig zijn als er onder onze lezers iemand zou zijn te vinden die mijn onvolledige bijdrage op dit punt nog wat completer zou kunnen maken.

Jan de Groot 

‘Zou Koos niet komen?’

Een karikatuur zoals je hier ziet ontleent een deel van z’n zeggingskracht aan een zekere mate van overdrijving, dus ook van aandikken van verschillen. Je kunt ze daardoor nooit helemaal ‘letterlijk’ nemen. ‘Zijn deze vier deelnemers aan het Pinksterfeest van 1934 niet veel te klein en te kinderlijk neergezet?’ Ja, dat is duidelijk het geval. Maar dat is natuurlijk met opzet zo gedaan, want Funke Küpper wilde de tegenstelling tot de ‘grote’ en anders ogende Koos Vorrink een extra accent geven. Daar was in het genoemde jaar dan ook een speciale aanleiding voor, zoals we zullen zien.

Koos Vorrink, geboren in 1891, was, we weten het allemaal, bijna vanaf de oprichting van de AJC in 1918 voorzitter van de landelijke organisatie geweest, met een onderbreking van slechts enkele jaren. In 1934 was hij gezien zijn leeftijd dus wel aan iets nieuws toe, en dan het liefst in een positie waarin hij voor zijn ruimschoots gebleken politieke inzichten, vlammende inspiratie en markante daadkracht volop de ruimte zou krijgen.

Met generatiegenoten als Dr.H.B.Wiardi Beckman, en anderen, zou hij krachtig invulling kunnen gaan geven aan de nieuwe uitgangspunten die in de SDAP in de jaren dertig aan de orde waren. En zo gebeurde het ook: op het partijcongres van 1934 in Haarlem werd Koos, als ‘jongere’, tot voorzitter van de ‘grote beweging’ gekozen, mede dankzij de ‘lobby’ die door de AJC voor zijn benoeming was gevoerd. Dat was voor Koos geen geringe overstap, en daarbij kon hij het dan ook niet  stellen zonder een zekere uiterlijke aanpassing aan de nieuwe omstandigheden.

Van hun anti-burgerlijke subcultuur hadden de AJC-voormannen duidelijk genoeg blijk gegeven, onder andere door het dragen van afwijkende kleding, zoals kuitbroeken, onconventionele beenbekleding, hoge schoenen, kortom: door een soort uniform-achtige uitmonstering. Op foto’s uit de jaren twintig en dertig kun je ze geregeld bij manifestaties in dit krijgshaftige tenue zien lopen. Vergeleken met de leidinggevenden van de oudere partijgarde vielen mensen als Vorrink zodoende nogal uit de toon.

Zijn acceptatie als nieuweling in de partijtop werd door deze kleding bepaald niet bevorderd, nog afgezien van de nieuwe politieke inhouden, die ook niet overal in goede aarde vielen. Boven-zestigjarigen als K.ter Laan, Schaper, Oudegeest (Vorrinks voorganger als partijvoorzitter) en boven-zeventigjarigen als Wibaut, Vliegen en Henri Polak, om maar enkele SDAP-prominenten uit die jaren te  noemen, waren te zeer in de negentiende eeuw geworteld om deze kledinggewoontes als ‘normaal’ te kunnen beschouwen.

Begrijpelijk dus dat Koos in zijn nieuwe rol z’n AJC-plunje maar opborg en zich met bekwame spoed een net burgerpak aanschafte, of misschien z’n  oude burgerkostuum schielijk naar de stomerij bracht.

Anderzijds was hij er ook de man niet naar om zijn solidariteit met de hem zo vertrouwde AJC op stel en sprong voor zijn vroegere makkers verborgen te houden… En zo verscheen hij, na zijn benoeming tot SDAP-voorzitter, als vanouds wel op het Pinksterfeest, óók op dat van 1934. Maar: viel daar in z’n oude bekende omgeving met z’n nette pak nu juist weer volledig uit de toon! Maar herkenbaar als altijd natuurlijk! ‘Zou Koos niet komen?’ moet dus met de nodige korrels zout genomen worden. Voor Funke Küpper waren de consequenties van Koos’ nieuwe rol in ieder geval reden genoeg om met deze onverwijlde gedaantewisseling toch een beetje de spot te drijven: precies wat de doelstelling is van elke goede karikaturist. En een goede wàs hij.

Nawoord

Wie mij met mijn schrijverij voor ons ‘gele blaadje’ door de jaren heen een beetje gevolgd heeft, zal het wel niet ontgaan zijn dat de persoon van Koos Vorrink niet in alle opzichten tot mijn favorieten behoort. Dat is niet omdat ik zijn grote verdiensten voor de opbouw van de  AJC en de vernieuwing van de  SDAP zou willen betwisten. Integendeel, die verdiensten zijn onomstreden, zo heb ik meermalen betoogd. Sommige daarvan zouden we in de actualiteit van nu zelfs heel goed kunnen gebruiken. Zo mis ik in onze dagen van schaarste aan krachtige, tot de verbeelding sprekende, persoonlijkheden in de Partij van de Arbeid wel eens de sterkte van Vorrinks uitstraling.

Een voorbeeld? Toen Wouter Bos, vóór de laatste Kamerverkiezingen, in een televisiedebat van Balkenende het verwijt te horen kreeg dat hij ‘niet eerlijk’ zou zijn, toen zou Vorrink als hij daar gestaan had, in plaats van minzaam te glimlachen deze onwaarachtige opponent gegeven hebben wat hij op dat moment had verdiend: een fikse afstraffing in de vorm van een ongenadig pak rammel. Striemende woorden waren althans mij in die situatie meer welkom geweest dan zwijgend deze ongehoorde belediging over je heen te laten komen.

Jan de Groot

(In een licht afwijkende versie eerder opgenomen in Contact, oud-AJC-groep Groningen, negende jaargang nr 2, april/mei 2007)

De ‘Herinneringen’ van J.H.Schaper

SchaperOpa

Als je in de eerste na-oorlogse jaren hebt behoord tot de examenklas-leerlingen van het Groningse Heymans-Lyceum in de Nieuwe Sint-Jansstraat, dan heb je daar les gehad van onder anderen de heer J.H.Eisses. Bij ontmoetingen van leerlingen uit die tijd kan het bijna niet missen dat ‘Jelle’, zoals zijn bijnaam luidde, bij het karakteriseren van de docenten van toen het eerst ter sprake komt. ‘Jelle’ was geen onopvallende geschiedenisleraar. Geboren en getogen Groninger, doorspekte hij z’n lesverhalen met dialect, en van de notities die je op zijn gezag in de marges van het leerboek moest aanbrengen, zitten er menige onuitwisbaar, zij het met weinig historische relevantie, in je geheugen. ‘Schrijf d’r maar ev’n bij, jongens: koning Waldemar was ‘n dikke minne’. Geïnteresseerd in zijn vak, had ik een goede relatie met deze zo merkwaardig lesgevende (en ‘overhorende’) leraar. Op een dag kwam hij, middenin een beschouwing over Bismarck (‘vroeg kaalhoofdig’), naast mij staan en vroeg zonder enige aanleiding zachtjes: ‘Hèt pa ook zo’n rood bibelteekje, jong?’ Daar kon ik niet anders dan ja op zeggen: ‘maar groot is het niet, meneer’. Zichtbaar tevredengesteld ging hij, teruggekeerd op zijn vaste plaats, verder met Bismarck (‘heroïsche gestalte’).

En inderdaad had mijn vader enkele boeken die vele rechtgeaarde SDAP-ers al van de jaren dertig af in hun bezit plachten te hebben, – ik durf niet te zeggen: hadden gelézen. Daaronder bevonden zich de beide delen van de ‘Herinneringen’ van J.H.Schaper, tot aan zijn overlijden lid van de Tweede Kamer voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Een halve eeuw van strijd luidde de titel, deel I uit 1933 (264 blz.), deel II uit 1935 (438 blz.), uitgegeven door J.B.Wolters’ Uitgeversmaatschappij, Groningen/Batavia. Op het stofomslag in rood de tekst: ‘In dit boek geef ik mijne herinneringen weer van ongeveer een halve eeuw van strijd en leed der werkende klasse en van mijzelf.’ Door zijn aanwezigheid vroeger thuis staat dit werk, meer nog dan Wolters’ Ot en Sien, aan het begin van mijn betrekking tot deze gedenkwaardige uitgeverij, een relatie die -na 1967 met Noordhoff erbij- formeel meer dan 35 jaar zou duren. Vanwege de uitzonderlijke plaats die ‘Schaper’ mede daardoor bij mij inneemt, wil ik hier aan de memoires van deze prominente Groninger en parlementariër in hun politieke context enige aandacht wijden.

Johan Hendrik (Andries) Schaper werd in 1868 geboren in de Pelsterstraat, het tweede huis vanaf de Vismarkt. Al jong wist hij door een bericht in een plaatselijke krant de aandacht op zich te vestigen: als huisschildersgezel had hij bij een karweitje aan een gevel in de Stoeldraaierstraat, de zwaartekracht onderschattend, ernstig rugletsel opgelopen. Dit ongerief bezorgde hem overigens wel de ‘winst’ om twee jaar lang als liggend patiënt zijn door armoede veroorzaakte onderwijsachterstand via zelfstudie te reduceren. Thuis (zeven kinderen) was hij de voornaamste kostwinner. Wettelijke voorzieningen waren er niet. Van zijn baas kreeg hij na de valpartij eenmalig een kwartje. Ons ‘christelijk’ Nederland in de jaren tachtig van de negentiende eeuw…

Zijn mobiliteit hervindend, was Schaper, achttien jaar intussen, al gauw aan te treffen in de rijen van de Sociaal-Democratische Bond. In onze regio volop politiek actief, zoals in deel I (te) uitvoerig wordt beschreven, en door zijn nieuwe baas ontslagen wegens zijn mondelinge en schriftelijke kritiek op de alom heersende beschamende arbeidsomstandigheden, raakte hij hoe langer hoe meer overtuigd van de strategische onvruchtbaarheid van de strijdmethode om het streven naar  meer gerechtigheid uitsluitend met buiten-parlementaire middelen te voeren. Daarvoor was hij te veel realist, en in de heilzaamheid van revolutie geloofde hij niet, zoals ook in latere jaren nog zou blijken. Vergroting van invloed op het verwezenlijken van tastbare, stapsgewijs te bereiken, sociale vernieuwing moest het doel zijn, en daarvoor waren de, door de SDB afgewezen, parlementair-democratische middelen de aangewezen weg. Overigens werd de kracht van deze middelen vooralsnog ernstig tekortgedaan door het ontbreken van algemeen kiesrecht.

Zo werd dan te Zwolle in 1894 de SDAP in het leven geroepen, die, voorzien van een ambitieus programma, via het parlement strijd wilde voeren voor lotsverbetering van de arbeidersbevolking. Met elf anderen behoorde Schaper tot de oprichters. De nieuwe partij kwam vijf jaar later te beschikken over drie (toen van de honderd) afgevaardigden in de Tweede Kamer, onder wie Schaper. Behalve de moeilijk overbrugbare algemeen-maatschappelijke kloof tussen ‘hoeden’ en ‘petten’, was de tegenstelling tussen ‘heren’ en ‘arbeiders’ ook binnen de eigen gelederen niet geheel afwezig. De ‘heren’, die zich uit gewetensvolle, ethisch-bevlogen motieven niet wensten neer te leggen bij de gevolgen van de voortdurende bescherming welke bijbel en wierookvat aan de brandkast boden; versus de ‘arbeiders’: begaafde mannen uit de werkende stand, die zich op eigen kracht tot ontplooiing hadden weten te brengen en vóór alles het oog gericht hielden op haalbare, zij het (nog) niet-ideale, verbeteringen. Grofweg in personen samengevat: mr.P.J.Troelstra, de jonge Friese advocaat, en mensen als Schaper en W.H.Vliegen, een voormalige Limburgse zettersleerling. Deze tegenstelling onder de leidende personen leidde al bij de oprichting soms tot voelbare spanningen en verschillen van inzicht, ook later.

Een enkele keer hielden zelfs de praktisch aangelegden onder hen bij verbeteringsvoorstellen het been stijf, zoals in 1900, toen tot invoering van de leerplicht besloten werd, ondanks de bijna unanieme tegenstand van de katholieke kamerfractie (‘de kinderen behoren niet toe aan den staat, maar aan de ouders’) en de anti-revolutionairen (zij konden dit ‘ingrijpen in den ouderplicht’ evenmin goedkeuren). Maar: ook Schaper en de zijnen wilden, onder het principiële motto ‘alles of niets’ in plaats van het pragmatische ‘beter een half ei dan een lege dop’, het voorstel niet steunen: het ging hen niet ver genoeg zolang er geen ‘schoolvoeding’ en ‘schoolkleding’ aan verbonden konden worden. Het wetsvoorstel werd op het nippertje tóch aangenomen met 50 tegen 49 stemmen, dankzij het paard van de geachte afgevaardigde baron Schimmel(!)penninck. Dit wijze beest was jegens de leerplicht zo coöperatief geweest zijn baas van zich af te werpen, zodat deze, door het daarbij opgelopen letsel, niet aan de stemming kon deelnemen. Als het progressieve dier in dezen zijn verantwoordelijkheid niet genomen had, zou het wetsontwerp door het staken van de stemmen als verworpen zijn beschouwd. Zo komt de vooruitgang tot stand.

Een jaar later kreeg Nederland na veel parlementaire discussie zijn eerste sociale-verzekeringswet in de vorm van een ongevallenverzekering. Geen volmaakte regeling, vond Schaper, zich het kwartje herinnerend, dat waarachtig niet als redelijk alternatief kon gelden. Daarom steunde de sociaal-democratische fractie in dit geval toch wél de regering. Schipbreuk leed Schapers eigen initiatief-ontwerp om wettelijk de tien-urige werkdag ingevoerd te krijgen, nadat in het strijdprogramma van de SDAP bij de oprichting trouwens al een omvangrijke arbeidswetgeving en een acht-urige werkdag was bepleit. Deze feiten worden ter overdenking mede aangeboden aan degenen op sommige kantoren die anno 2006 op vrijdagochtend, met de koffie onder handbereik, hun bureau alvast op orde brengen en aansluitend het pand opgewekt verlaten onder het achterlaten van de groet: ‘tot maandag!’  
                                                                   
Het is wel opvallend dat Schaper in Een halve eeuw van strijd een groot aantal bladzijden nodig had om de controverses met zijn ‘vriend en hoogstaanden medestrijder’ Pieter Jelles Troelstra breeduit te behandelen. Eveneens springt in het oog dat hij daar in zijn Inleiding op blz.7 al op vooruitliep, en, tegen de chronologie van zijn verhaal in, reeds in deel I zijn problematische verhouding met deze partijgenoot uiteen ging zetten: ‘Thans ben ik genoopt, in een minder aangenaam bestek een geschil tussen Troelstra en mij te behandelen.’ (p.190). Samen zijn ze dan al een reeks van jaren, en bepaald niet zonder resultaat, kameraadschappelijk met elkaar opgetrokken, waarvan echter pas deel II uitgebreid verslag doet. De vruchten van hun inspanningen en die van anderen kwamen tot uitdrukking in de verkiezingsuitslag van 1913, die niet minder dan vijftien zetels voor de SDAP opleverde: een winst van acht zetels. In dat jaar kwamen hun ongelijke visies in alle scherpte aan het licht. Wat was het geval?

De oppositie tegen het confessionele kabinet-Heemskerk had zich bij de verkiezingen van dat jaar aaneengesloten tot een uit drie partijen bestaande ‘vrijzinnige concentratie’, wier ‘manifest’ voor een aanzienlijk deel niet vreemd was aan door de SDAP voorgestane hervormingen op het gebied van onderwijs, arbeidswetgeving en vooral: algemeen kiesrecht en ‘staatspensioen’. Van zichzelf had deze ‘concentratie’ geen parlementaire meerderheid, maar met de zetels van de SDAP erbij wél: samen kwamen ze op 55. Dr.D.Bos, de aanvoerder van de vrijzinnig-democraten, die opdracht tot kabinetsformatie had, bood de sociaal-democraten aan om met drie ministers (van de negen) aan de regering deel te nemen. Dat werd door Troelstra, eigenmachtig en tot diepe teleurstelling van de formateur, in eerste instantie zo goed als van de hand gewezen. Na veel onderling geharrewar bleek de opvatting van onder anderen Schaper en Vliegen (‘Aanpakken, die kans!’) uiteindelijk door het partijcongres te worden verworpen, ook nadat Troelstra zich onstandvastig toch bij hún standpunt had aangesloten.

In zijn boek beoordeelde Schaper deze uiteindelijke weigering als een kapitale fout van de SDAP. Hij schreef die in het bijzonder toe aan de te emotionele en eigengereide leidinggevende rol van de fractievoorzitter, die het tegenwicht van zijn politieke vrienden als een ‘intrige’ beschouwde en hun ‘tegenleiding’ meende te moeten verwijten. In Troelstra’s eigen Gedenkschriften wrijft hij dit zijn beide partijgenoten nog eens krachtig in. Schapers Een halve eeuw van strijd draagt, terzake van dit soort vérstrekkende politieke beslismomenten, de kenmerken van een vrij gefrustreerde reactie op wat Troelstra zich in het derde en vierde deel van zijn mémoires provocatief in Schapers richting permitteerde. Die voelde zich miskend en niet fair behandeld. Beide autobiografieën berusten natuurlijk, zoals gebruikelijk bij dit genre, voor een flink deel op zelfrechtvaardiging. Als ik moest kiezen tussen de opvattingen van deze twee zou ik geneigd zijn die van Schaper meer te steunen dan die van zijn partijgenoot-opponent.

En dat laatste zou al helemáál het geval zijn als we het nog even mogen hebben over het veelbesproken optreden van laatstgenoemde in 1918, toen hij tot twee maal toe, een keer buiten en een keer in de Tweede Kamer, onbezonnen en solistisch uitriep dat de ‘arbeidersklasse’, na de gebeurtenissen in Duitsland, ook in Nederland de politieke macht zou moeten grijpen: anti-parlementair. Daarentegen zagen Schaper (en Vliegen, die vaak in één adem met hem genoemd wordt), en met hen nagenoeg de hele partij, daar niets anders in dan schade voor de SDAP. Hervormingen dienden democratisch tot stand te komen, dus met behulp van wettige middelen. Bij afwezigheid van de blunderende fractievoorzitter viel Schaper, de vice-voorzitter, de ondankbare taak ten deel in de Kamer te redden wat er te redden viel door Troelstra’s laakbare handelwijze zo goed en zo kwaad als hij kon te nuanceren: een staaltje van vérgaande politieke solidariteit, tegen beter weten in, in een situatie waarin mijns inziens, ondanks Troelstra’s charismatische persoonlijkheid en zijn enorme verdiensten voor de partij gedurende vele jaren, beter tot beëindiging van zijn politieke loopbaan besloten had kunnen worden. Temeer omdat hij -zoals Schaper in zijn boek met welgekozen voorbeelden toelicht- ook ná zijn ‘vergissing’ niet ophield op twee gedachten te hinken. Maar het congres juichte, ongerijmd genoeg, Troelstra toe, en schoot te kort in waardering voor de door Schaper bekwaam maar contrecoeur opgebrachte poging zijn mede-strijder rugdekking te verschaffen. In een open brief in de partijkrant van de SDAP, Het Volk, van 4 december 1918, ‘Aan de partijgenooten’, een meesterstuk van fundamentele politieke stellingname, rekende hij vervolgens af met alle revolutieromantiek; volledig geciteerd, deze brief, op p.243-247 van deel I. Schaper liet niet na ook de vele adhesiebetuigingen die hij daarop ontving in zijn boek in extenso op te nemen.

Met deze te grote uitvoerigheid raken we meteen aan de bezwaren waarmee direct al het eerste deel door kritische lezers werd beoordeeld. Tot die bedenkingen behoorde ook de wijze waarop de auteur had teruggeblikt op de onvolmaakte relatie met zijn inmiddels overleden fractievoorzitter.  De relatief ruime aandacht die ik hier in deze bespreking van Schapers boeken aan de verhouding Schaper-Troelstra heb gegeven, correspondeert niet alleen met wat de auteur zelf daarover ruimschoots te berde bracht, maar eveneens met de ontvangst die zijn werk in partijkringen te beurt viel.  

In De Socialistische Gids van maart 1934 maakte dr.Henri Polak zich omstandig tot tolk van de gevoelens waarmee de ‘partijtop’ op het verschijnen van het eerste deel had gereageerd. Nadat hij eerst de zijns inziens onnodige wijdlopigheid van het levensverhaal aan de kaak had gesteld, wraakte hij vervolgens de buitenproportionele omvang van de tekst gewijd aan Schapers verhouding met de man met wie hij op cruciale politieke momenten zo van grondhouding had verschild. En waarom, zo vroeg dr.Polak zich af, moest de rijkelijk onderbouwde zelfrechtvaardiging gepaard gaan met zo veel breed uitgemeten persoonlijke grieven, en dat nog wel op een vroege plaats in het werk die geheel tegen het historische tijdsverloop inging? Polak schreef het vooral daaraan toe dat deze memoires – het betreft het eerste deel, het tweede deel is niet meer in het genoemde tijdschrift besproken – bij velen een ‘onbehagelijke indruk’ hadden achtergelaten. In ander verband komt men ook wel de kwalificatie ‘rancuneus’ tegen.

Of het aan deze gereserveerdheid heeft gelegen of dat er andere oorzaken een rol hebben gespeeld valt moeilijk te zeggen, maar een feit is wel dat J.B.Wolters zo goed als zeker van de verkoop hogere verwachtingen heeft gehad. De verkochte aantallen gaven de uitgeverij althans geen aanleiding op een bestseller te kunnen bogen. Van deel I werden in 1933 en volgende jaren respectievelijk 1171, 99, 19 en 13, dus in totaal 1302 exemplaren verkocht, van deel II in 1935: 952 en in 1936: 26, dus samen 978 exemplaren. Zoals uit deze aantallen is op te maken, hebben 324 kopers van het eerste deel het, teleurstellend genoeg, bij het tweede deel laten afweten. De auteur heeft het niet meer meegemaakt, het verschijnen van het tweede deel al niet: hij overleed te Voorburg op 31 augustus 1934.

Wat bezielde eigenlijk een uitgeverij, die zich ervan bewust geweest moet zijn dat haar kracht lag in het uitgeven van school- en studieboeken en die daarbuitenom nauwelijks verkoopervaring bezat, desondanks een werk te laten verschijnen zo duidelijk voor de ‘publieksmarkt’ bestemd? (Hadden de bescheiden verkoopcijfers dáármee wellicht te maken?) Het archief van Wolters-Noordhoff bevat geen correspondentie met Schaper of met diens erven, zodat aanwijzingen voor de bereidheid tot het uitgeven van deze memoires niet daaraan zijn te ontlenen. Waaraan dan wel?   

Van oudsher placht J.B.Wolters (1836-1968) in zijn uitgeefbeleid weloverwogen ruimte  vrij te houden voor boeken die weliswaar niet voor de directe ‘markt’, het onderwijs, bedoeld waren en waarvan de winstgevendheid dan ook allerminst vaststond, maar wel: voor boeken die een functie hadden om haar betrokkenheid tot uitdrukking te brengen met de eigen regio, waarmee zij zich verbonden wist. Er zijn daarvan vele voorbeelden te geven. Dat Schaper een hoogst verdienstelijke Groninger was paste binnen dit beleid. De eigen politieke voorkeuren van de directie speelden daarbij principieel geen rol.     

Wie nu als (oud-)uitgever de verschijningsvorm en de inhoud van Schapers memoires waagt te beoordelen, vraagt zich af of ‘het geheel voltooide manuscript’ (F.J.Schaper, p.5), dat Schapers drie zoons in de nalatenschap van hun vader aantroffen, niet beter tot een minder omvangrijk deel II bekort had kunnen worden. Anders nog, en dan met instemming van de auteur: waarom niet al eerder voor een uitgave in één handzaam deel gekozen werd, op de wijze van bijvoorbeeld F.M.Wibauts Levensbouw. In het bijzonder voor zoon B.W. (Bertus), de latere Leidse hoogleraar-geschiedenis, zou een condensatie in deze zin na het overlijden van de auteur waarschijnlijk geen onmogelijke taak zijn geweest, uiteraard met handhaving van de authenticiteit van zijn vaders werk. Het zou de opbouw, de leesbaarheid en waarschijnlijk ook de verkoopbaarheid van het werk ten goede hebben kunnen komen, en ongetwijfeld zou er zodoende ook ruimte beschikbaar zijn geweest voor een personenregister. Het ontbreken daarvan moet in een werk als dit toch wel als een tekortkoming worden beschouwd.

Dit alles neemt niet weg dat ik de twee delen van Een halve eeuw van strijd ook in deze vorm niet graag in mijn sociaal-historisch ‘bibelteekje’ zou willen missen, mede omdat ik er de waarde aan toeken van eerbetoon aan Schaper, de Groninger van hoge rang, gewaardeerd door vriend én tegenstander; aan meneer Eisses, de goedhartige leraar; en: aan de man die rechts op de foto van de onthulling van Schapers grafmonument met zijn lange gestalte en donkere haarbos wat boven de andere aanwezigen uitsteekt: mijn dierbare vader.


Op de begraafplaats Esserveld in Groningen werd in 1935 een grafmonument ter nagedachtenis aan J.H.Schaper onthuld. Het kunstwerk was ontworpen door Willem J.Valk, lid van ‘De Ploeg’, het werd aangeboden door de gewestelijke federatie van de SDAP. De foto toont Schapers oude politieke vriend W.H.Vliegen als spreker. De man rechts op de foto met lange gestalte en donkere haarbos is Carolus de Groot.


gepubliceerd in

Een Beeld van een Boekenclub, Opstellen over verzamelen en lezen, Groningen 2007
ISBN 978-90-811391-1-3

De Notenkraker, 1907 – 1936

omslagNotenkraker

Van Het Zondagsblad naar De Notenkraker

Op De Notenkraker moest men zich weliswaar afzonderlijk gaan abonneren, maar de lezers van Het Volk kregen korting: zij betaalden vijf cent per week of vijfenzestig cent per kwartaal; de losse abonnementen, die er maar heel weinig waren, kostten een kwartje meer. Men ontving voor deze bedragen een tijdschrift van acht pagina’s ter grootte van 33,5 cm bij 24,5 cm, in zwart-wit op niet al te best papier gedrukt. Foto’s, waarmee de redactie het een enkele keer probeerde, kwamen niet tot hun recht. De Notenkraker moest het hebben van de tekeningen: lijncliché’s waarmee de gezette tekst werd gecombineerd en tot een aantrekkelijk geheel opgemaakt. Een en ander leidde tot een blad met een oplage die tot aan 1913 varieerde van 5.500 tot 8.900 exemplaren, en daarmee was het ‘rode’ strijdorgaan al direct royaal uit de cijfers geraakt van diezelfde kleur.

Door de verzelfstandiging van Het Zondagsblad, dat de exploitatie van de krant te zeer was gaan belasten, ontstond er een meer op satire gericht blad met een duidelijker inhoudelijk profiel. Wel bleef, als voorheen, in de verhouding van tekst tot tekening als richtsnoer gelden: ‘In woord en beeld, wellicht meer nog door het beeld dan door het woord, aan de meest verdoofden en gebogenen duidelijk te maken, welke hun plaats, hun onwaardige, onverdiende plaats is in deze maatschappij’. Deze politieke diagnose kon het uiteraard niet stellen zonder de nodige aanvulling: ‘en daarin verandering te brengen’. De Notenkraker zou een effectief wapen ter bereiking van dit nastrevenswaardige doel moeten worden. De miserabele toestand waarin een groot deel van onze bevolking had te leven verschafte alle grond om het ijveren voor aanzienlijke verbeteringen een nuttige functie te geven.

In onze dagen, waarin we ons druk maken over de toekomst van de algemene oudersomswet, schijnt het verleden van dit ‘dossier’, destijds ‘staatspensioen’ genoemd, bijna vergeten. Ter opfrissing van de notie over hoe het er ruim honderd jaar geleden met de sociale voorzieningen in ons land voorstond, is het wellicht niet overbodig W.H.Vliegen te citeren, één van de mannen van 1894: ‘Toen de SDAP werd opgericht was er geen enkele voorziening voor de gevolgen van ouderdom en invaliditeit. Er was nog geen ongevallenwet; geen leerplicht; geen woningwet; geen enkele beperking van den arbeidstijd dan alleen voor vrouwen en jeugdigen beneden zestien jaar, voor wie deze elf uur per dag bedroeg, met vele uitzonderingen; geen gezondheidswet; geen cent subsidie voor de bestrijding van tuberculose; geen ziekteverzekering; geen enkele voorziening bij werkloosheid; geen algemeen kiesrecht voor mannen en natuurlijk al helemaal geen vrouwenkiesrecht. Daar was dus wel het een en ander te doen’, zo besluit in alle nuchterheid deze oud-zettersleerling, wiens leesbare boeken over de geschiedenis van de SDAP gedurende de eerste 25 jaren van haar bestaan ook honderd jaar na de oprichting nog het predikaat ‘klassiek’ toebedeeld kregen.

Daar was dus wel het een en ander te doen, – welk weldenkend mens had het durven ontkennen. Maar blijkbaar kon de zo nodige hervorming naar het oordeel van de sociaal-democraten toch niet helemaal worden overgelaten aan de andere politieke partijen, in vol vertrouwen op een redelijke afloop. In plaats van de wantoestanden, die in Vliegens realistische opsomming zo duidelijk in het oog springen, als volstrekt onaanvaardbaar te veroordelen en als veranderbaar te beschouwen, meenden sommige partijen de beschamende sociale verhoudingen te kunnen legitimeren met behulp van een beroep op zogenaamde machten van hogere orde. 

In meer aardse zin was er evenwel véél te doen, en De Notenkraker zag er een noodzakelijke taak in een actieve rol te vervullen bij de bestrijding van politieke tegenstanders in de vorm van een satirische benadering van scherp kritisch gehalte.

De toenmalige hoofdredacteur van Het Volk, P.L.Tak, had in 1905 zijn medewerker Eduard Polak benoemd tot redacteur van Het Zondagsblad, en in deze functie werd hij ook belast met de redactionele coördinatie van De Notenkraker. Aanvankelijk gebeurde dit overleg door middel van redactievergaderingen, gezamenlijk met de verschillende medewerkers, maar weldra verzorgde Polak de contacten met elk van hen afzonderlijk. Het zwaartepunt bij de voorbereidingen voor het gereedmaken van het blad komt dan geheel en al te liggen bij de intensieve en vriendschappelijke samenwerking met een jonge tekenaar, afkomstig van de Radebinnensingel te Groningen, die tot aan zijn dood in 1918 in niet geringe mate het gezicht van De Notenkraker zou gaan bepalen: Albert Pieter Hahn.

Albert Hahn, de ziel van De Notenkraker 

‘Een kleine man, zwak van lichaam, bestemd voor een vroegen dood, maar met een zonnig gezicht, geestigen lach, vol levenslust en gezonden humor, een levende loochening van het woord dat een gezonde geest slechts kan huizen in een gezond lichaam’. (W.H.Vliegen, 1931).

ALBERT HAHN (1877-1918) leed aan tuberculose in een rugwervel, als gevolg waarvan hij jarenlang thuis of in het ziekenhuis in bed lag, vaak met de tekenpen in de hand. Toch zag hij kans ondanks veel ziekteverzuim de ‘Academie Minerva’ in zijn geboortestad met de hoogste lof te doorlopen. Een andere tekenaar die het tot grote vermaardheid zou brengen was daar een van zijn mede-leerlingen: Cornelis Jetses. In 1896 zette Hahn zijn opleiding, met een rijkstoelage, voort in Amsterdam, onder meer aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten (bij prof.August Allebé), en ook hier trok hij op met een later bekende Nederlander: dr.Jan van den Tempel, minister van Sociale Zaken in 1939, die noodgedwongen met kwast en verfbus zijn studie moest financieren.

Uit deze studietijd dateert Hahns lidmaatschap van de SDAP, dat hem, de goed opgeleide en begaafde kunstenaar, met Het Zondagsblad in aanraking bracht. Dat belette hem echter niet, ook getekende bijdragen te leveren aan andere bladen, niet specifiek socialistische, zoals De Ware Jacob, een satirisch blad met enige allure, dat zijn naam ook al uit Duitsland had geïmporteerd: Der Wahre Jakob. Ook aan deze Duitse variant werkte Hahn af en toe mee.

Van zijn werk voor De Ware Jacob is vooral de markante, trefzekere karikatuur van dr.A.Kuyper, de voorman van de anti-revolutionairen, bekend gebleven. Al heeft dit alom als meesterwerk erkende portret dus niet in deze vorm in De Notenkraker gestaan, ik wil niet nalaten het hier toch te laten zien.

Door met zijn proeftekening als winnaar uit de bus te komen, vóór de schilder Kees van Dongen, toen Het Zondagsblad een prijsvraag had uitgeschreven om een tekenaar te engageren, kreeg Hahn een vast dienstverband bij deze voorloper van De Notenkraker. Uit die periode stammen enkele beroemde tekeningen van zijn hand, die vele lezers vóór zich zullen zien zelfs als hier slechts de titels aangeduid worden: ‘De brandkast beschermd met bijbel en wierookvat’ (de winnende tekening); ‘Gansch het raderwerk staat stil als…’; de zogenaamde ‘Worgprent’; en ‘Onder de dwangwetten’, de laatste drie met een duidelijke verwijzing naar de spoorwegstakingen van 1903.

In januari 1907 was Albert Hahn, nog geen dertig, zodoende allang geen onbekende kunstenaar meer in ons land. Met zijn tekentalent, gevoed en gemotiveerd door een goed ontwikkeld politiek instinct, vinding- en initiatiefrijk, en ook nog eens begiftigd met een meer dan gemiddelde taalvaardigheid, werd hij al spoedig vrijwel als synoniem gezien aan het blad dat hij diende. Hahn zou met zijn ontembare werkdrift en sterke geest de ziel van De Notenkraker worden. 

In Hahns korte leven was zijn ‘productie’ zeer veelomvattend. Het aantal prenten waarmee van week tot week de hele voorpagina gevuld werd moet in de buurt van zeshonderd gelegen hebben, het werk ter grootte van een halve bladzijde in het ‘binnenwerk’ bovendien ten minste nog enkele honderden meer. De talrijke kleinere afbeeldingen in de vorm van prentjes en vignetten plus de paginagrote portretten van prominente SDAP-ers, vooral in 1913 en 1914, zijn bij deze, op persoonlijke taxatie berustende, aantallen nog niet inbegrepen. Bovendien ontwierp hij vele boekbanden, exlibris, affiches.

Deze indrukwekkende opsomming van Hahns scheppend werk betreft slechts de numerieke omvang, maar zegt nog niet alles over de kwaliteit ervan. Dat niet iedere tekening in de verplichte regelmaat van een weekblad een voltreffer kon zijn is duidelijk. Subjectief bezien dient deze kwaliteit overigens wel vanuit twee gezichtspunten te worden vastgesteld. Een onbetwist artistiek meesterwerk hoeft de ‘boodschap’ die erin gelegd is immers nog niet te heiligen, en omgekeerd: een als tekening niet goed gelukte prent kan in de strijd tegen maatschappelijk onrecht desondanks een zware en doeltreffende lading vervoeren, door de zeggingskracht van het gebruikte argument. Hahn scoorde vaak op beide aspecten.

Het is goed bij de waardebepaling in het oog te houden dat de satirische tekening het element van overdrijving van bepaalde stereotiepe persoonskenmerken meestal niet schuwt. Bij Hahn en zijn opvolgers wilde dat zeggen dat de ‘ontrechte proletariërs’ nogal eens lichamelijke kracht en onverzettelijkheid uitstraalden, en voorzien waren van handen als kolenschoppen en vastberaden vierkante kaken. Kortom: aan stoere verschijningen geen gebrek. Een vermagerde stakker was soms ook heel functioneel. En de tegenstanders? Dat waren de verpersoonlijkingen van de vijf k’s: kapitaal, kerk, koningshuis, kazerne en kroeg, de instituties die de betere maatschappij in de weg stonden, omdat ze, elk om hun eigen beweegredenen, er naar het oordeel van hun opponenten belang bij hadden de maatschappelijke ongelijkheid zoveel mogelijk in stand te houden. En deze personen werden bijna altijd karikaturaal in beeld gebracht als schaamteloze, dikbuikige, welgedane, afstotende gestalten, die geacht werden hoognodig aan ogenblikkelijke ontmaskering toe te zijn. Hoon werd hun deel.

De politieke feiten en vooral feitjes van de dag waarop de tekeningen betrekking hadden, blijken, als je uit het grote aantal wilt gaan selecteren, dikwijls zover verwijderd van de grote lijnen van de historische gebeurtenissen, dat zelfs raadpleging van terzake dienende ‘bronnen’ niet altijd alle informatie verschaft die voor de duiding van de satirische weergave onontbeerlijk is. Dat stelt grenzen aan de keuze van de illustraties in een werkje als dit, naast de technische reproduceerbaarheid, na verkleining, als bijkomende factor. Gelukkig blijft er nog meer dan genoeg over dat aan beide beperkingen ontsnapt. 

Ook kwesties van minder politiek gewicht maar met grotere herkenbaarheid maakte De Notenkraker tot onderwerp van spot. Gedurende het bewind van het confessionele ministerie-Heemskerk (1908-1913) ontstond er, net als nu, ook al de nodige deining over mogelijke spellingwijzigingen. Nogal ‘drasties’ besteedde de Tweede Kamer twee dagen aan een interpellatie van de vrijzinnig-democraat dr.D.Bos over de houding die de regering diende aan te nemen tegenover de spellingvoorstellen-Kollewijn van 1891.

Tot ‘wettelike’ veranderingen kwam het de eerste decennia niet. In diezelfde tijd was er nog een andere herkenbare kwestie aan de parlementaire orde, waarover we in onze dagen in en buiten het parlement evenmin uitgepraat raken: de maximumsnelheid voor auto’s. Een citaat uit een handboek over parlementaire geschiedenis: ‘Sommige gemeentebesturen hadden de grens vastgesteld op 5 km per uur. (…). Van Citters (a.r.) voelde meer voor 10 km, de snelheid van een paard in matigen draf, en Ter Laan (soc.dem.) vond het rijden met een vaart van meer dan 12 km altijd onbesuisd’. Ook Hahn dacht er met de hem vertrouwde ironie het zijne van. 

Anders dan zijn collega Joh. Braakensiek bij De (Groene) Amsterdammer, bedacht Hahn zelf welke onderwerpen uit de actualiteit van de verstreken week voor een voorplaat in aanmerking kwamen, wat aanvankelijk de taak was geweest van Troelstra, die hem zeer bewonderde en stimuleerde. Deze zelfstandigheid, die ook de daarbij horende teksten omvatte, hield echter risico’s in bij zaken waarover in de SDAP-gelederen (nog) geen eenstemmigheid bestond en waarin Hahn dan zelf positie koos. Zo’n situatie van heel wat groter politiek belang dan zaken van spelling en van snelheden van auto’s, deed zich voor na de verkiezingen van 1913.

Hahns tekening laat hier duidelijk zien dat hij zich opstelde aan de zijde van hen die de SDAP geen gebruik wilden laten maken van de geboden kans in de regering zitting te nemen, terwijl dat standpunt in de partij allerminst onomstreden was. Toetreding met drie ministers was mogelijk geworden doordat de SDAP van zeven op achttien zetels was gekomen, voldoende om de ‘concentratie’ van liberalen en vrijzinnig-democraten aan een royale meerderheid te helpen. Dat had ook zin, want bij voor de sociaal-democraten belangrijke onderwerpen als algemeen kiesrecht en staatspensioen lagen grote stappen voorwaarts in de lijn van de verwachting. Na hoogoplopend intern beraad werd de toegestoken hand van de vrijzinnig-democraat dr.D.Bos, die met de kabinetsformatie was belast, niet aanvaard. Door vervreemding van het ‘proletarisch sentiment’ van de achterban, zo vreesde ten slotte een congresmeerderheid, zou de SDAP gevaar lopen te bezwijken onder haar eigen succes, en ‘ze’ zouden dat natuurlijk ook zó bedoelen.

In deze karikaturale (ver)tekening van Hahn zal Dr. Bos zich niet hebben herkend. Hij was een integere en progressieve bruggenbouwer met sterke, de SDAPSDAP. De prent van Hahn heeft aan het voorkomen daarvan zeker niet bijgedragen. aansprekende, ideeën op tal van gebieden. Dat hij in zijn constructieve opzet niet kon slagen werd voor hem dan ook een bittere teleurstelling, door prominente voorstanders als J.H.Schaper en W.H.Vliegen beoordeeld als een ‘kapitale fout’ van de SDAP. De prent van Hahn heeft aan het voorkomen daarvan zeker niet bijgedragen.

Het kwetsen won het soms (on)behoorlijk van de spot, de striemende hekelaar evenzeer van de milde, zachtmoedige waarnemer die er na zijn overlijden enigszins van hem gemaakt werd. Echter: wie van zijn harde kritiek het mikpunt werd, kon veel baat vinden bij een dikke huid.

Als er één persoon was die dat aan den lijve ondervond dan was het wel Dr.A.Kuyper, die met zijn uitzonderlijke gaven als journalist, als geleerde, als organisator, als redenaar en: als politicus, naar het oordeel van de sociaal-democraten toch ernstig te kort schoot in het voeren en bevorderen van hervormingsbeleid, in en na de jaren waarin hij een ministerie leidde (1901-1905). Hahn liet geen gelegenheid voorbijgaan om de A.R.-leider in honderden spotprenten tot doelwit van zijn politieke ongenoegen te maken, dikwijls niet zonder humor, dat moet gezegd. Bij een interview merkte Hahn eens op: ‘Kuyper, dat is een kerel! Persoonlijk heb ik natuurlijk niets tegen dien man, ’t is een geniale figuur. Maar ik vind z’n politiek zoo beroerd.’ In vele gedaanten kom je Kuyper, De Notenkraker’s rijkste bron, dan ook tegen –zelfs nog in de jaargang 1918, toen Kuypers glorietijd voorbij was–, maar dikwijls allesbehalve flatterend: nu eens als spook en ronddrijvend wrak, dan weer als ingezakte pudding en als nerven in een plank die met zijn gezicht samenvallen, of enkel als een vraagteken.

De rake prent uit De Ware Jacob (zie pagina 13 van dit boekje) was ondertussen een eigen leven gaan leiden en werd door Hahn opnieuw gebruikt na enkele ‘affaires’ waarin Kuyper verwikkeld was geraakt. Maandenlang werd het openbare leven door enkele niet al te gewichtig  lijkende kwesties beroerd met een heftigheid die slechts past bij zaken van cruciaal politiek gewicht. In 1903 had Kuyper als minister de decoratie mogelijk gemaakt van iemand die aanzienlijke bedragen aan de kas van de anti-revolutionaire partij had geschonken, een afkeurenswaardige ‘ruil’, die zes jaar later aan het licht kwam.

Kuypers gehavende reputatie leidde tot zijn deemoedige bijna spreekwoordelijk geworden uitspraak: ‘Het boetekleed ontsiert den man niet’: de zogenaamde ‘lintjesaffaire’. Het pleistertje op z’n neus verwijst naar een incident dat nog minder om het lijf had: het onfortuinlijke moment dat Kuyper in een hotel te Brussel ‘bij het doen van wat gymnastische oefeningen’ ongekleed voor een venster zichtbaar was. Men hield er niet over op… De oneffenheid op z’n voorhoofd met de tekst ‘Van Heeckeren-zaak’, waarbij ook minister De Marees van Swinderen betrokken was, stelde uit een oogpunt van Kuypers onduidelijke rol in onze kustverdedigingspolitiek wat meer voor, maar alles bij elkaar ben je toch geneigd het allemaal nogal overdreven te vinden. En in ieder geval bleef Kuyper voor Albert Hahn ondanks deze ‘beschadigingen’ nog altijd: ‘de Geweldige’.

Kuyper zelf verklaarde in het voorwoord van de uitgave Kuyper in de caricatuur slechts ‘schik’ gehad te hebben in wat goede karikatuur was, maar dat kon hij op die plaats gemakkelijk zeggen, aangezien de meest confronterende tekeningen in deze publicatie, tot groot ongenoegen van Hahn, wijselijk werden weggelaten… In soortgelijke boekjes over Colijn en Troelstra laten deze politici zich in dezelfde geest uit. Als je ze moet geloven hebben ze er eigenlijk alleen maar van genoten. 

De voorplaat van de twaalfde jaargang nummer 31 gedateerd 3 augustus 1918 is de laatste prent die Hahn in die week voor De Notenkraker op zijn ziekbed gemaakt heeft. In gedrukte vorm heeft hij deze creatie niet meer gezien: op dezelfde dag dat deze aflevering bij de abonnees in de bus viel is hij overleden. 

Het hele nummer van 10 augustus werd aan zijn heengaan gewijd, met bijdragen van veler hand. Het valt op dat in geen van die bijdragen aandacht werd besteed aan de vorm en de stijlmiddelen die Hahns prenten kenmerken noch waardoor hij artistiek werd geïnspireerd. De inhoudelijke thematiek, als onderdeel van de politiek-satirische emancipatiestrijd van de arbeidersbeweging, kreeg voorrang boven de kunsthistorische aspecten. Het heeft lang geduurd eer daarin in algemene zin verandering is gekomen. ‘Politieke tekenaars waren in het Nederland van de negentiende en twintigste eeuw tot nu toe geen interessante onderwerpen voor kunsthistorici’, schrijft in 1988 Bettina Spaanstra-Polak, die de lijnstilering van de ‘Jugendstil’ en het werk van Th.Th.Heine en Olaf Gulbransson voor het Duitse satirische tijdschrift Simplicissimus als Hahns voornaamste inspiratiebronnen beschouwt. Zij besluit haar artikel als volgt:

‘Ik schroom niet om Albert Hahn als éénling in de Hollandse caricatuurkunst van het begin der twintigste eeuw een politiek tekenaar van internationale allure te noemen.’

Dat oordeel is geen geringe lof. Nog niet zo lang geleden in het stadsdeel Hoogkerk een straat naar hem te noemen is dan ook wel het minste dat Groningen ter ere van Hahn kon doen. In 1985 werd hier overigens al wel een tentoonstelling van zijn prenten gehouden.

Zonder Albert Hahn verder

Na het overlijden van Hahn nam zijn collega L.J.Jordaan, tekenaar voor De Notenkraker sinds 1909, de belangrijkste taken van hem over, in de eerste plaats de grote voorplaat, die als het visitekaartje van elk nummer kon worden gezien. Na verloop van tijd kreeg hij daarbij hulp van Tjerk Bottema en Albert Hahn Junior.

L.J.JORDAAN (1885-1980) was een veelzijdig en buitengewoon productief man, die al op zijn zeventiende met het tekenen van karikaturen begonnen was en dat als politiek tekenaar bijna zestig jaar zou blijven doen, dus ook voor andere bladen. Toen Johan Braakensiek met zijn werk bij De (Groene) Amsterdammer was gestopt, werd Jordaan zijn opvolger als hoofdtekenaar en redacteur. Ook bij latere generaties behield hij zijn bekendheid door zijn medewerking, na de oorlog, aan het dagblad Het Parool en het weekblad Vrij Nederland. 

Niet minder grote faam verwierf Jordaan zich als pleitbezorger van het destijds nieuwe medium film. Met onder anderen Menno ter Braak richtte hij in 1927 de Filmliga op, die aandacht vroeg voor de internationale avant-gardefilms en de vertoning daarvan stimuleerde. Daarmee beoogden zij deze nieuwe vorm van kunst niet uitsluitend te blijven zien als ‘de valse romantiek van de kapitalistische amusementsindustrie, die slechts afleidt van onze beschavingsarbeid’ (Koos Vorrink als leider van de AJC). Het was, dramatisch genoeg, juist deze pioniersrol in de filmkunst die voor Jordaan aanleiding werd zijn medewerking aan De Notenkraker te beëindigen. Hij, de bevlogen filmrecensent en -journalist, had zich laten strikken als jurylid in een commissie die te beslissen kreeg over de verkiezing van een Nederlandse imitatie-Jacky Coogan, het Amerikaanse filmsterretje dat in Chaplins The Kid uit 1921 de rol van haveloos jochie had vervuld. (In boekvorm was die nieuwe Jacky er eigenlijk al: vergelijk Kruimeltje (1922) van de naar Amerika geëmigreerde Van Abkoude met deze eerste langspeelfilm van Chaplin).

Jordaans ‘ongemakkelijke’ collega Jan Rot, na incidentele medewerking in het tijdperk-Hahn nog maar net ‘vaste’ tekenaar sedert 1926, had zich zodanig geërgerd aan Jordaans deelname aan ‘kinderexploitatie’, dat hij in de aflevering van 1 januari 1927Het Volk, J.F.Ankersmit. De senior tekenaar Jordaan hield de eer aan zichzelf, en vertrok.  meende zijn collega de maat te moeten nemen. Hij deed dat zonder overleg vooraf met het slachtoffer, wat natuurlijk tot een conflict leidde. Jordaan tekende protest aan bij redacteur Johan Winkler, die de betrekkelijke nieuwkomer echter de hand boven het hoofd hield. Ook in de volgende twistronde bleef Rot protectie genieten van de hoofdredacteur van

Ook JAN ROT zélf (1892-1982) moest trouwens in conflictueuze sfeer het veld ruimen. Er zijn aanwijzingen dat hij, met zijn geprononceerde opvattingen in combinatie met de reputatie van ‘lastig heerschap’, niet zo goed ‘lag’ bij het partijbestuur. Sommige van zijn tekeningen, bijvoorbeeld die over het koningshuis, strookten niet langer met wat de SDAP in de jaren dertig als ‘politiek gewenst’ begon te beschouwen. Een tweede periode duurde maar kort, nadat de steun van Winkler hem was komen te ontvallen door de herbenoeming van A.M.de Jong als redacteur. Voor wie een tijdlang als vaste medewerker aan De Notenkraker verbonden was geweest openden zich echter gemakkelijk deuren naar andere organisaties en hun organen binnen het sociaal-democratisch netwerk. Zo ook toen voor Jan Rot. Zijn naam komen we ook in de jaren na de oorlog nog geregeld tegen, niet alleen als tekenaar maar ook als actief lid van de federatie-Amsterdam van de Partij van de Arbeid. Rot’s strijdbaarheid, ook opnieuw jegens personen binnen de eigen gelederen, blijkt uit de ‘kop’ van een interview met hem in Vrij Nederland van 21 juni 1975: ‘Ik sta op m’n recht en wie me dat betwist straf ik af’. Ga er maar van uit, dat hij, zodoende, het scherpe wapen van de politieke karikatuur nog weer terdege heeft gehanteerd. 

TJERK BOTTEMA (1882-1940) had zich na de dood van Albert Hahn als vaste medewerker bij Jordaan aangesloten. Zijn eerste voorplaat dateert van 10 oktober 1918. Al vóór de Eerste Wereldoorlog verbleef hij veel in het buitenland, en van 1920 af werd Parijs zijn woonplaats, waar hij zich, evenals tijdens de oorlogsjaren in ons eigen land, ook als veelzijdig schilder deed kennen. Vanuit zijn nieuwe woonplaats, waar hij kennelijk niet onkundig bleef van de politieke ontwikkelingen in Nederland en daarbuiten, stuurde hij zijn tekeningen aan de redactie op. Bottema was bovendien veel onderweg in andere Europese landen en daarvan deed hij dan uitvoerig verslag in De Notenkraker. De reeks reportages van zijn reis door Griekenland bijvoorbeeld strekt zich in de jaargang 1932 over vele nummers uit, verlucht met talrijke tekeningen over plaatselijke toestanden, waarbij de satire ontbrak.

Dat waren niet de enige bijdragen van deze Bottema, niet te verwarren met zijn jongere broer Tjeerd, uitgeverij Noordhoffs ‘Jetses’. Het aantal spotprenten en karikaturen van Tjerks hand loopt tot en met 1936 in de honderden. Maar het accent verplaatste zich: een man met zijn internationale oriëntatie zag, ook politiek, in het begin van de jaren dertig de zorgelijke ontwikkelingen in Duitsland verontrust aan. Het opkomend anti-semitisme nam hij, onderkoeld maar bijtend, geregeld onder vuur. Het was dan ook geen wonder dat hij in 1940 alle reden had de Franse hoofdstad te ontvluchten om uit handen van de Duitse bezetters te blijven. Op De Notenkraker in z’n geheel waren de nazi’s overigens al vanaf 1933 ten zeerste gebrand; de naam van het blad dat hen zo belaagde werd zelfs niet genoemd, alleen maar bewust genegeerd. Bottema’s uitwijkpoging naar Engeland bracht hem niet in veiligheid: de boot waarop hij zich met vele anderen bevond ging de diepte in. Mét hem verdronk onder vele anderen ook de dichter H.Marsman.

ALBERT PIETER HAHN JUNIOR (1894-1953) was, anders dan zijn hier vermelde familienaam en zijn voornamen doen veronderstellen, geen zoon van de man die hij samen met anderen als politiek tekenaar in 1918 opvolgde. Toen deze laatste met zijn latere vrouw ging samenwonen, had zij uit een eerder huwelijk al twee kinderen, onder wie Albert, die genoemd was naar zijn vader Albert Pieter Dijkman. Het was dus niet meer dan toeval dat de jonge Albert na wijziging van zijn achternaam de artistieke relatie met zijn stiefvader op deze wijze had kunnen accentueren, zodoende onbedoeld wel bevorderend dat de kwaliteiten van hen beiden eerder met elkaar zouden worden vergeleken. Bij alles wat je over hem geschreven vindt zie je dat dan ook gebeuren. En hoewel Albert Hahn Jr. grote verdiensten voor de ‘rode familie’, blijkend uit allerlei soorten drukwerk, niet ontzegd kunnen worden, valt de vergelijking toch niet in zijn voordeel uit, wat uiteraard geen schande is.

Wellicht mede onder invloed van het veranderde politieke landschap van de jaren twintig en dertig, maakten de felle aanklachten die er in het werk van zijn stiefvader besloten konden liggen, bij de stiefzoon plaats voor een wat tammere, minder expressieve uitdrukking.

Ook reeds voordat de signering ‘Hahn Jr.’ op de prenten verscheen had hij Senior al menigmaal geholpen bij het gedetailleerd ‘invullen’ van diens werk. Aan een dichtbij aanwezige leerschool heeft het Junior zodoende dus niet ontbroken. De Amsterdamse kunstnijverheidsschool Quellinus deed de rest.

Behalve honderden tekeningen voor De Notenkraker illustreerde Hahn Jr. een groot aantal boeken en ontwierp hij talloze boekbanden, die licht herkenbaar zijn door hun sterk decoratieve, krachtig gestileerde belettering.

Een nieuwe tekenaar, die van 1920 af een vaste medewerker werd, de Vlaming GEORGE VAN RAEMDONCK (1880-1966), introduceerde ingrediënten waarmee De Notenkraker nooit bijzonder verwend was geweest: levenslust, lichtvoetigheid, humor. Op die wijze liet hij zien dat sociaal-democraten behalve oppositie voeren ook nog konden lachen. Eerder had hij al voor De Groene Amsterdammer getekend, maar zijn bekendheid in ons land berust vooral op zijn getekende aandeel in het stripverhaal Bulletje en Boonestaak, dat vijftien jaar lang in Het Volk verscheen, met tekst van A.M.de Jong, aan wiens zijde Van Raemdonck met veel van zijn werk te vinden was. Hij liet het populaire tweetal, de ‘troetelkinderen van de sociaal-democratie’, zelfs uit de strip stappen teneinde hen een bezoek te laten brengen aan De Notenkraker.

In veel van zijn tekeningen schuwt Van Raemdonck het verfijnd uitgewerkte detail niet, en de contrasten van krachtige lijnvoering en grote witte vlakken zoals die onder anderen bij Hahn Sr. te vinden zijn komen bij hem dan ook minder vaak voor. Een ander genre, waarmee hij ook in België faam verwierf, was het maken van portretten. Dat aspect van zijn kunnen wordt hier gedemonstreerd aan de hand van het portret van zijn Notenkraker-collega Albert Funke Küpper, uit 1934, diens sterfjaar.

ALBERT JOHANN FUNKE KÜPPER (1894-1934) was in 1927, toen Joh.Winkler de redactie voerde, deel gaan uitmaken van het groepje vaste medewerkers. Door het wegvallen van L.J.Jordaan in datzelfde jaar mag men wel vaststellen dat hij op het juiste moment  binnenkwam. Anders dan de –lichamelijk– zo karig bedeelde Hahn Sr., was Küpper ‘een forse, sportieve figuur, een robuuste persoonlijkheid’, zoals de redacteur met wie hij later samenwerkte, A.M.de Jong, het uitdrukte, en een steunpilaar voor De Notenkraker. Tragisch genoeg was ook Funke Küpper, net als Hahn, maar een kort leven gegund: hij kwam, veertig jaar oud, om het leven toen zijn auto in botsing kwam met een trein. Auto’s: zijn grote voorganger was er in het begin van de eeuw al bang voor geweest: zie zijn tekening op pagina 19.

Bij zijn dood oordeelde Cornelis Veth, schrijver over en zelf beoefenaar van prentkunst: ‘Het socialisme in Nederland verloor in Funke Küpper zijn tweede grooten tekenaar. Hem is een nog korter werkzaamheid beschoren geweest dan Albert Hahn, wiens werk hij zo verdienstelijk voortzette, met meer veelzijdigheid dan die van zijn sympathieken voorganger, die in zijn prenten zulk een eenvoudige klare taal wist te spreken. Funke Küpper heeft met zijn onbedwingbare energie veel kanten van zijn bijzonder talent gegeven. Nu eens is het zijn scherpe, rake geest, dan de vinding, dan weer het hart, soms de gratie, altijd het spontane beeldende vermogen, en vaak de beminnelijke humor.’ (In memoriam Albert Funke Küpper. Arbeiderspers, Amsterdam, 1935).

Funke Küppers plotselinge dood viel in een periode waarin hij moeilijk kon worden gemist. Van de tekenaars op dat moment was hij de enige die lid was van een redactionele beleidscommissie waarin verder de redacteuren A.B.Kleerekoper, A.M.de Jong, Arie Pleysier en Piet Bakker zitting hadden. De directeur van de Arbeiderspers, Y.G.van der Veen, wilde een poging wagen de daling van het aantal abonnees te keren door de zwart-wituitvoering om te zetten in meerkleurendruk, hetgeen vanaf januari 1933 de aantrekkelijkheid van het blad inderdaad zou gaan verhogen. Funke Küppers platen op de voorzijde ‘werden niet zelden meesterstukjes van bouw en expressie, ook door die kleuren waarvan men niet zeggen zou dat ze slechts uit een paar tinten waren ontstaan. Hij stelde daaraan hoge eisen en ik ken weinig journalistieke prentkunst die tot een volmaakter kunstwerk is geworden’ (C.Veth). Door zijn opleiding aan de Kunstacademies in Rotterdam en Den Haag was Funke Küpper goed op de hoogte van de moderne druktechnieken van zijn tijd.

Verre van ideeënloos als er voorstellen moesten komen voor prenten én teksten, zette hij, in wat zijn laatste jaren zouden worden, een zwaar stempel op het uitvoerend beleid. Zijn overlijden wordt daardoor, in één adem met de naam van Albert Hahn, (te) vaak door sommigen gezien als de voornaamste oorzaak van De Notenkraker’s ondergang. Mij lijkt het te ver gaan het einde van het blad tot deze ene factor te reduceren, mede omdat daardoor de verdiensten van de andere tekenaars onvoldoende recht wordt gedaan. Er was méér aan de hand.

Bij het doorzien van een aantal afleveringen van de laatste jaargangen valt het op dat de thematiek sterk aan het veranderen is ten opzichte van die in de jaren twintig. Naast de scherpe maar vergeefse bestrijding van Colijns bezuinigingspolitiek komt met grote regelmaat de zorgelijke internationale situatie aan de orde, en in menige prent worden de uitwassen van de nazi-ideologie met behulp van actuele gebeurtenissen aan de kaak gesteld, niet alleen door Funke Küpper (zie de illustratie), maar ook door anderen. Tjerk Bottema noemde ik in dit verband al. 

Er werd ook wel door andere oorzaken afscheid genomen van gewaardeerd talent. MEIJER BLEEKRODE (1896-1943) en JOHAN VAN HELL (1889-1952) zagen zich gedwongen hun medewerking te beëindigen toen zij zich in 1932 hadden aangesloten bij de Onafhankelijke Socialistische Partij, van welke linkse afsplitsing van de SDAP De Notenkraker niet als spreekbuis kon gelden. Voor het eigen orgaan van de OSP, De Fakkel, zetten beiden als de belangrijkste kunstenaars van dat blad hun grafische werkzaamheid nog enkele jaren voort. Daarna bleven alle twee zich wijden aan de schilderkunst.

Nog als SDAP-er had Bleekrode van Het Volk de opdracht ontvangen een reeks houtsneden van vooral ‘prominente partijgenoten’ te maken, ter publicatie in deze krant. Omdat veel van zijn werk, onder meer om technische redenen, zich hier minder goed voor reproductie leent, koos ik voor een van deze portretten, dat van de Amsterdamse wethouder dr.F.M.Wibaut. Het jaar van Bleekrode’s overlijden zegt genoeg over zijn levenseinde. Ook zijn vrouw kon aan dat lot niet ontkomen.

Johan van Hell (in zijn tekeningen voor De Notenkraker zich ook noemende: Jo van Hel) was, met palet en klarinet, een opmerkelijk dubbeltalent. Van een blijvende verbintenis bij het Concertgebouworkest zag hij af, teneinde de handen vrij te houden voor de beeldende kunst. Hoe zichtbaar het sociaal engagement in zijn werk aanwezig is weet eenieder die nog het afgelopen jaar de tentoonstelling heeft bezocht, aan zijn werk gewijd. Van Hell en zijn vrouw hebben veel betekend voor de A.J.C., de socialistische jeugdbeweging waarmee zij zich sterk verbonden voelden. Overigens was Bleekrode’s eerste expositie, al in 1925, gehouden in een van de Amsterdamse ruimten van dezelfde Arbeiders Jeugdcentrale (1918-1959). 

Bij het doorzien van de dertig jaargangen tref je, behalve de reeds genoemden, nog veel meer namenvan kunstenaars aan; ze kunnen hier niet meer aan bod komen. Om enkelen van hen in willekeurige volgorde althans te noemen: Marie de Roode-Heijermans, J.J.Ottens, Harmen Meurs, W.A.van der Walle, Henk Melgers, J.Rotgans, Ton van Tast (= Anton van der Valk), Wybo Meijer, Willem van Schaik, Ley, E. Smalhout, Karel van Seben, Peter van Reen, wiens rake prent in Het Volk van 15 februari 1936 aanleiding werd tot een proces, waar de Hoge Raad aan te pas moest komen voordat de hoofdredacteur, J.F.Ankersmit, uiteindelijk werd vrijgesproken van de beschuldiging: ‘opzettelijke beleediging een hoofd van een bevrienden staat aangedaan’. Voor de goede orde: die bevriende staat was Duitsland, het hoofd Adolf Hitler.

Het geschreven woord

Toen De Notenkraker begon te verschijnen dachten de oprichters dat de effectiviteit van de over te dragen politieke boodschap wel eens meer door ‘het beeld’ dan door ‘het geschreven woord’ bepaald zou kunnen worden. Dat hadden zij goed gezien, want de teksten trokken bijna altijd minder de aandacht dan de tekeningen, door alle jaargangen heen. A.B.Kleerekoper zei het in 1918 op zijn wijze: ‘Naar den Notenkraker verlangde men om de platen van Hahn. De teksten daaromheen waren niet meer dan drooge greppels, onmisbaar als afscheiding tusschen malsche weide en vruchtbare akker.’ Deze bewuste verschrompeling van de eigen tekstbijdragen heeft hier natuurlijk vooral de functie een tegenstelling te forceren die de grootheid van de gestorvene moest onderstrepen, maar geheel onwaar is het niet, ook niet als de geldigheid van deze woorden uitgebreid wordt met de jaargangen ná 1918.

De redacteuren droegen zelf nauwelijks zichtbaar bij aan het bevochtigen of verbreden van de ‘drooge greppels’. Hun taak bestond vooral uit het meedenken over onderwerpen voor de prenten, het binnenhalen en soms het vertalen van ‘feuilletons’, het onderhouden van de contacten met de medewerkers, zorg voor de organisatie en voor de productie. De namen van alle drie kwamen hiervóór al even ter sprake. In chronologische volgorde werd de redactie gevoerd door:

EDUARD POLAK (1880-1962). Deze was ook lid van de redactie van Het Volk. Hij vervulde, evenals zijn oudere broer Henri, tal van functies in partij, vakbeweging en publieke sector. In 1927 was hij zo vriendelijk om een selectie, die Albert Hahn Jr. had gemaakt uit het werk van zijn stiefvader, van toelichtingen te voorzien. Dat was in dát jaar al niet overbodig, laat staan in ónze dagen. De toen actuele politieke gebeurtenissen waar de tekenaars op inha(a)kten zijn zonder hulp in veel gevallen niet altijd helder te interpreteren. 

Polak werd enkele jaren na de dood van Hahn opgevolgd door A.M. DE JONG (1888-1943), door sommigen in de jaren twintig wel beschouwd als ‘de literaire smaakmaker van de sociaal-democratie’, maar algemene waardering voor die rol kreeg hij terecht niet. Eigenlijk had ‘A.M.’ ook bij zijn redacteursfunctie (1920-1925 en 1933-1936) wel wat meer weerstand moeten krijgen, want datgene wat hij zich van zijn eigen veelomvattend oeuvre permitteerde als feuilleton in De Notenkraker op te nemen, had noch met politiek noch met satire iets te maken. In romans als De zware weg kun je met wat goede wil nog wel iets sociaals ontdekken, maar wat had Merijntje Gijzen vanaf november 1924Het verraad (Querido, 1925), mee te stimuleren. Er staan natuurlijk andere verdiensten, nu niet in de financiële zin, tegenover, al was het alleen maar dat hij Van Raemdonck aan De Notenkraker koppelde. En dat men hem in 1933 terughaalde voor een tweede termijn kan niet op louter negatieve bevindingen hebben berust. bijna een jaar lang wekelijks in het weekblad te zoeken? Deze vóórpublicatie is al te gemakkelijk op te vatten als een gratis promotioneel initiatief om de verkoop van het eerste deel van de Merijntje-cyclus,

Tussen de beide perioden-De Jong in werd De Notenkraker geleid door JOHAN WINKLER (1898-1986), die een studie Duits had gecombineerd met de functie van secretaris van de voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van de SDAP, mr.P.J.Troelstra. Winkler heeft ook Het Volk met verschillende redactionele werkzaamheden gediend. Zijn meer dan duizend bladzijden tellende bloemlezing uit de wereldliteratuur, Oogst der tijden, Arbeiderspers, 1940, sierde de boekenkast van menig sociaal-democratisch gezin in een tijd dat ‘de beweging’ en haar nevenorganen zich nog inspanden voor niet alleen de materiële welvaart maar ook voor de ‘culturele verheffing’ van de arbeidende bevolking. Dat Winklers taakopvatting in alle opzichten een sieraad voor het door hem geleide blad was lijkt wat te sterk uitgedrukt. Hij vertrok in 1933. Net als bij Ed.Polak en A.M.de Jong was er ook voor hem nog een leven ná De Notenkraker. Na de oorlog werd Winkler hoofdredacteur van het weekblad Vrij Nederland. Zijn romantisch getinte beschouwingen over de Duitse literatuur herinner ik mij nog goed.

Dat De Notenkraker lange tijd een ‘politiek-satyriek’ weekblad mocht heten waarin ook nog iets viel te lezen dat bij de doelstelling paste, is vooral te danken aan slechts enkele schrijvende medewerkers.

Verreweg de belangrijkste van hen was ARIE WILLEM IJZERMAN (1879-1956). Van 1907 tot en met 1936 heeft hij ononderbroken met zijn erudiete en leesbare satirische én informatieve bijdragen aan de reputatie van De Notenkraker verbaal bijgedragen als geen ander. Zijn stukken verschenen bijna nooit onder zijn eigen naam, maar onder een hele reeks pseudoniemen: Symen Betaal, Batavus X, Pen-Arie, en zo meer. Daarmee nam hij met ijzeren regelmaat het leeuwendeel van de teksten voor zijn rekening. A.W.IJzerman was lid van de Tweede Kamer sinds 1922 en secretaris van de SDAP-fractie. Hij sprak in deze kwaliteit niet veel, maar publiceerde des te meer, niet alleen journalistiek werk, maar ook een aantal omvangrijke boeken over het kapitalisme, waar je je nu niet anders dan met moeite doorheen kunt worstelen. In het herdenkingsjaar van het Communistisch Manifest van Marx en Engels verzorgde hij in 1948 een editie van dit geschrift, voorzien van een uitvoerig commentaar. Deze bescheiden man was zijn loopbaan begonnen als surnumerair bij de belastingdienst, naar welke functie hij, niet vrij van spot, in een van zijn genoemde schuilnamen in de gebiedende wijs verwees.

A.B.KLEEREKOPER (1880-1943) deed het als auteur van De Notenkraker met nog minder dan een pseudoniem. Hij ondertekende zijn bijdragen met een davidster met slechts twee letters erin, nog weer een letter minder dan de afkorting ABK waaronder hij bekend werd als auteur van zijn Oproerige Krabbels, een dagelijks terugkerend cursiefje, dat tot 10 mei 1940 van hem in Het Volk verscheen. Hij was daarmee al in 1915 begonnen, en dat is tevens het jaar waarin De Notenkraker werk van deze Oproerige Krabbelaar begon op te nemen. Dat bestond niet alleen uit artikeltjes die leken op zijn ‘krabbels’, maar ook uit spotgedichten, soms nogal lange, die vermoedelijk minder lezers trokken dan het proza.

Anders dan zijn collega-satiricus was hij een slagvaardig en geestig spreker, die altijd volle zalen trok. Op stedelijk, provinciaal en landelijk niveau vervulde hij functies voor de SDAP. Kleerekoper was tevens lid van het bestuur van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, dat zich om het kennisniveau en het geestelijk heil van de sociaal-democratische achterban bekommerde.

Al onder A.M.de Jong, maar aansluitend versterkt onder zijn opvolger, werden de andere bijdragen gaandeweg steeds minder politiek. Datzelfde verschijnsel kon je waarnemen bij de feuilletons, die aanvankelijk meer of minder een sociale strekking hadden, maar meer en meer plaats gingen maken voor verhalen waaraan dat element ontbrak. Zo bekeken stond ‘Merijntje’ dus niet helemaal op zichzelf. De medewerking van Mr.Punch, waarachter de Rotterdamse journalist, auteur en latere VARA-bestuurder ARIE PLEYSIER (1892-1984) schuilging, behelsde een wekelijkse halve pagina onder de titel ‘Buiten de grenzen’: een leerzaam en goed leesbaar overzicht van de internationale politieke ontwikkelingen – puur informatief, geheel en al onsatirisch, maar desnoods binnen de bredere doelstellingen nog redelijk te verdedigen als middel tot politieke bewustwording en verhoging van de strijdbaarheid, die bij De Notenkraker van de aanvang af zo hoog in het vaandel hadden gestaan.

Nog enkele jaargangen verder, – en dan zien we Henk van Laar verschijnen met een artikel over zoetwaterslakken in de nieuwe rubriek ‘Kleine natuur-historische studies’. N.Tj.Swierstra neemt de geschiedenis van de mensheid onder de loep; mr.dr.G.van den Bergh neemt ons mee op astronomische uitstapjes en vertelt ons alles over het weer en de weervoorspelling; een bijna niet weer ophoudende reeks artikelen ‘Over het leven der woorden’ door W.Zift wordt voortgezet door Henri Polak, de oudere broer van Eduard, die in het bijzonder de plantennamen voor zijn rekening neemt; een zekere ‘v.B.’ doet verslag van een bootreis op de Amazone; een verslag van Tjerk Bottema over zijn reis door Spanje promoveert ineens tot een aangename verrassing, omdat hij er flink wat tekeningen, hoewel onsatirische, aan toevoegt, maar direct daarna blijkt de strijd voor lotsverbetering geen doorgang te kunnen vinden zonder een beschouwing over de toewijzing van autonummers, enz.enz., het een na het ander, alsof het een cursus algemene ontwikkeling betrof.

Allemaal heel verantwoord en boeiend, maar had de redactie van wat ooit Hahns weekblad was dát nu niet aan het Instituut voor Arbeidersontwikkeling kunnen overlaten of het zaterdagse bijvoegsel van Het Volk ervoor kunnen interesseren? Een enkele keer bracht het overlijden van een voorman uit ‘de beweging’ uitkomst, bijvoorbeeld in het nummer van 11 januari 1930, als (alweer) A.W.IJzerman, nu dus onder zijn echte naam, persoonlijke herinneringen ophaalt aan het overleden Tweede-Kamerlid G.W.Sannes, in 1925 in plaats van J.W.Albarda bijna opvolger van Troelstra als fractievoorzitter. Na diens overlijden enkele maanden later komt er een aflevering die voor een groot deel gewijd is aan respect voor en dank aan diens inspirerende, hoewel niet onomstreden, persoonlijkheid. Maar direct daarna gaan we weer: uit Amerika is een geheel nieuw fenomeen overgewaaid, het kruiswoordraadsel, en De Notenkraker kan het niet laten zijn lezers ook daarvan te laten profiteren.

Door dit alles, waarover ik hier op mijn beurt, enigszins door ‘spot’ geïnfecteerd, wat raillerend schrijf, kon De Notenkraker nauwelijks nog aanspraak maken op de ondertitel ‘politiek-satyriek weekblad’. Op de band van de ingebonden jaargangen bleef die toevoeging ook in deze periode toch gewoon staan.

In de twee volgende jaargangen veranderde er aan de aard van de hier gegeven bloemlezing weinig; ik onthoud mij nu van voorbeelden. Intussen was het aantal abonnees, van 37.000 in 1924, gedaald tot 17.100 in 1932: meer dan een halvering. Er zou er iets moeten gebeuren om verdere achteruitgang te stuiten. 

De Notenkraker in kleur

En er gebeurde iets. Met ingang van 1933 werd er, naar vorm én inhoud, een ware metamorfose geïntroduceerd. Daartoe was besloten door Y.G.VAN DER VEEN (1884-1940), de stuurse, weinig populaire, maar door daadkracht gedreven directeur van de Arbeiderspers te Amsterdam. Voortaan werd De Notenkraker in kleur gedrukt, in zoverre dat er één steunkleur aan het zwart toegevoegd werd, wisselend per nummer en met slim gebruik van rasters, die meer tinten suggereerden dan er in feite op de drukpers waren gebruikt. Deze techniek werd door Hahn Jr., Bottema, Van Raemdonck en Funke Küpper, die nu beurtelings de voorplaat verzorgden, goed beheerst. Werd het blad door dit kleurgebruik al een uitnodigender aanzien verleend, de toegankelijkheid werd verder vergroot door de toepassing van een schreefloze letter, die tot makkelijker leesbaarheid leidde. Met behoud van de opmaak in drie kolommen werd de lay-out veel doorzichtiger. Dat kan iedereen zien die een oud en een nieuw nummer ter vergelijking naast elkaar legt. Dan valt ook de betere kwaliteit van het papier op.

Deze verfrissende nieuwe formule qua uiterlijk ging gepaard met een ingrijpende herziening van het inhoudelijk beleid. Slechts korte tot zeer korte artikeltjes gaven de toon aan, waarbij het niet-politieke naar de achtergrond werd gedrongen en de satire weer kansen kreeg. Met ‘humor en satire van elders’ werd de hele achterpagina gevuld: ‘cartoons’ uit een groot aantal buitenlandse, overwegend Europese, kranten en tijdschriften.

Ook in de keuze van op de hak genomen personen, partijen en toestanden viel een opmerkelijke ommezwaai te constateren, die parallel liep aan de zich wijzigende politieke opstelling van de SDAP in het laatste decennium vóór de oorlog. De politieke tegenstanders in eigen land, mogelijke partners in een verder verschiet, werden meer met rust gelaten, op twee groeperingen na die nooit partner zouden kunnen worden: de communisten en de NSB, die voortdurend op de korrel werden genomen. Dat had, wat Mussert en zijn beweging betreft, natuurlijk alles te maken met de veranderde politieke situatie in Duitsland in hetzelfde jaar als De Notenkraker’s gedaantewisseling. Alle Notenkraker-tekenaars en -tekstschrijvers trokken direct nadat de nazi’s in 1933 aan de macht waren gekomen ongewoon fel van leer tegen alles wat er toen al aan, althans voor De Notenkraker herkenbaar, verderfelijks tot ons land doordrong. Funke Küpper liet op de voorplaat van 7 april 1934 Hitler en Goering optreden met Albert Einstein paginagroot op de achtergrond, met het opschrift: ‘Duitschlands grooten van geest van burgerschap en bezit beroofd’. Er ging nauwelijks een week voorbij waarin de nazi-terreur niet met dergelijke frontale aanvallen in beeld kwam.

Waarom moest zo’n uniek blad in 1936 ter ziele gaan? Want dat ging het, en ondanks dat De Notenkraker er, na de heroriëntatie op vorm en inhoud, weer zijn mocht en consequent met tekst en tekenpen zijn pijlen stuurde in de richting waarin ze gestuurd moesten worden, daalde het aantal abonnees, na een kortstondige stijging in 1933 en 1934, tot 9.820 in 1936. Waardoor? De abonnementsprijs bedroeg voor abonnees van Het Volk en zijn nevenedities niet meer dan zes cent per week, één cent meer dan in 1907, met dezelfde omvang van acht pagina’s, maar nu dan met kleur. Losse nummers kostten een dubbeltje. Zeker, er was onder de bejaarden en de honderdduizenden werklozen in de jaren dertig veel armoede, waarvan de huidige jongere generaties zich geen voorstelling meer kunnen of willen maken. Maar toch: zou de ondergang van dit ongeëvenaarde weekblad met zijn eens zo gekoesterde functie van strijdorgaan van de SDAP alleen dááraan gelegen kunnen hebben? Die vraag wil ik in een kort slotwoord proberen te beantwoorden.

Het einde van De Notenkraker

Nederland telde in de winter 1934-’35 een half miljoen als zodanig geregistreerde werklozen, die een wekelijkse ‘steun’ genoten van gemiddeld zo’n twaalf gulden, en ook de minder onfortuinlijken die wel geregeld werk behielden moesten met hun gezinnen tobben om met goed fatsoen de malaise het hoofd te bieden. Maar als deze zo ontluisterende nooddruft de enige oorzaak van de neer- en ondergang van De Notenkraker zou zijn geweest, blijft onverklaard hoe tegelijkertijd het geïllustreerde sociaal-democratische familieblad Wij –zich richtend op het hele gezin–, gestart in februari 1935, nog in datzelfde jaar en met nagenoeg dezelfde doelgroep een oplage van bijna 70.000 exemplaren wist te bereiken.

In de jaren daarna stoomde het blad zelfs op naar de 100.000, terwijl de abonnementsprijs van een dubbeltje nog vier cent hoger lag dan die van het weekblad dat het loodje zou gaan leggen. Twijfels aan het financiële argument alléén worden ook gewekt door de groei van de in 1927 opgerichte (toen nog sociaal-democratische) VARA, die de Radiogids uitgaf, in 1933 met een oplage van niet minder dan 137.564 exemplaren, en dat programmablad kreeg men evenmin gratis thuisbezorgd.

Twee gezellige periodieken, als concurrenten ‘binnenshuis’, twee keer een medium dat ontspannen bekeken c.q. beluisterd kon worden. Geen ‘moeilijke’ tekeningen meer die om een interpretatie vroegen, maar boeiende foto’s en aansprekende geïllustreerde reportages, hoe langer hoe meer smakelijke niet-politieke tekst: dat was andere kost. En muziek, waarmee je alleen maar door middel van een knopje de kamer kon vullen…  Deze voorkeur voor ongecompliceerd en  verstrooiend kijk- en luisterplezier, dat wegvoerde uit de dagelijkse beslommeringen, verhoogde de overlevingskansen van De Notenkraker niet. Hoewel nu weer op beter niveau beland, was het aloude weekblad bovendien in kringen van de bovenlaag van de partijgelederen veel van zijn reputatie kwijtgeraakt, omdat het ‘hogere beschaving’ zou missen.

Wat verder afbreuk deed aan het politieke élan was het teleurstellende feit dat het stembuspercentage (22) van de SDAP bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1933 nog steeds hetzelfde was als dat van 1918, hetgeen het al aanwezige gevoel van moedeloosheid en verlammende onmacht nog wel moest versterken. Waar was het allemaal goed voor? Binnen deze status quo1935), waarin de SDAP pleitte voor maatregelen die de werkloosheidsbestrijding belangrijke impulsen zouden kunnen geven.

Het nieuwe colportageblad Vrijheid Arbeid Brood (1933), oplage tegen de 150.000, deed z’n uiterste best het sociaal-democratische alternatief aan de man te brengen, maar met het ontmoedigende commentaar ‘Wat in het plan bruikbaar is, doet de regering reeds’ (Colijn), werd het weldra terzijde geschoven. Daaraan kon dus ook al geen politieke inspiratie worden ontleend. bleek er ook nog eens geen ruimte te zijn voor het ‘Plan van de Arbeid’ (1935), waarin de SDAP pleitte voor maatregelen die de werkloosheidsbestrijding belangrijke impulsen zouden kunnen geven. Het nieuwe colportageblad Vrijheid Arbeid Brood (1933), oplage tegen de 150.000, deed z’n uiterste best het sociaal-democratische alternatief aan de man te brengen, maar met het ontmoedigende commentaar ‘Wat in het plan bruikbaar is, doet de regering reeds’ (Colijn), werd het weldra terzijde geschoven. Daaraan kon dus ook al geen politieke inspiratie worden ontleend.

Het komt mij voor dat de hier genoemde factoren er in belangrijke mate aan hebben bijgedragen, dat de voedingsbodem van De Notenkraker meer en meer begon te  verschralen. De plotselinge dood van Funke Küpper, met alle waardering die hem toekomt, was weliswaar een gevoelige klap, maar de oorzaken lagen dieper: er was méér aan de hand.

De directie van de Arbeiderspers zag zich door de drastische daling van de oplage geconfronteerd met toenemende stijging van het exploitatietekort. Deze verliespost wilde men zich niet langer permitteren, onder meer met het oog op de belangrijk geachte doelstelling de abonnementsprijs van Het Volk met z’n oplage van rond 200.000 exemplaren onbedreigd veilig te stellen. Daarmee stond het lot van het ‘politiek-satyriek weekblad’ wel vast: het zou moeten verdwijnen. En zo ‘viel’ het doek over De Notenkraker.

Bronnen

  • J.F.Ankersmit, Een halve eeuw journalistiek. Querido, Amsterdam, 1937
  • Albert Hahn Jr., Prenten van Albert Hahn Sr. Een keuzeuit zijn werk. Met een toelichting tot zijn platen door Ed.Polak. Becht, Amsterdam, 1927
  • Marien van der Heijden, Albert Hahn. Th.Rap, Amsterdam, 1993
  • W.Langeveld, Politiek per prent. Een inleiding tot de politieke beeldcommunicatie. Ambo, Utrecht, 1989
  • P.J.Meertens e.a. (red.), Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Diverse delen. IISG/Aksant, Amsterdam, 1986-2003
  • P.J.Oud, Honderd jaren, 1840-1940. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland. Van Gorcum, Assen, 1954
  • Herman Pijfers, Met goed fatsoen. Omzien naar de jaren dertig. De Prom, Baarn, 2000
  • Bettina Spaanstra-Polak, ‘Albert Hahn en zijn inspiratiebronnen’, in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 1987. Unieboek, Houten, 1988
  • A.C.J.de Vrankrijker, Geschiedenis der sociaal-democratische week- en dagbladpers in Nederland. Arbeiderspers, Amsterdam, 1950
  • W.J.van Welderen Rengers, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland, derde deel, 1901-1914, door W. H. Vermeulen. Nijhoff, ’s-Gravenhage, 1950
  • W.H.Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed. Geschiedenis der Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in Nederland. Drie delen. Ontwikkeling/Arbeiderspers, Amsterdam, 1923-1938
  • Koos van Weringh, Albert Hahn. Tekenen om te ontmaskeren. Arbeiderspers, Amsterdam, 1969

” ‘De Notenkraker’, Korte schets van een ‘politiek-satyriek weekblad’, 1907-1936 ” verscheen in gedrukte vorm ter gelegenheid van de jaarwissseling 2006-2007 als nieuwjaarsgroet voor familie, vrienden en relaties. 

‘Fout’ geboren

Toch ondervonden velen van hen in persoonlijk en maatschappelijk opzicht soms jarenlang hinder van dit verleden van hun ouders, dat ze als een last met zich mee droegen, en soms nog dragen. Dat bleek ook uit een groot onderzoek dat in 2002 werd uitgevoerd door het Historisch Nieuwsblad.

In ditzelfde tijdschrift, het nummer van juli/augustus 2006, las ik dat het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) in Amsterdam 100.000 euro beschikbaar heeft gesteld voor voortgezet onderzoek naar de ervaringen van deze groep Nederlanders. Van de kant van een van de ministeries werd er nog een zelfde bedrag aan toegevoegd. (Dat levert dus een subsidie op van niet minder dan 440.000 gulden, zo kan ik nog steeds maar niet laten snel om te rekenen: om voor mijzelf even het besef levend te houden waar het eigenlijk over gaat, maar dit terzijde). De bedoeling is om over de uitkomsten van dat aangekondigde onderzoek een boek te laten verschijnen, als aanvulling dus op het boek dat ik in januari aan het eind van die bijdrage al noemde.

De onderzoekster, die twee jaar de tijd krijgt om met haar werk voor de dag te komen,meldt nu in het Historisch Nieuwsblad: ‘Ik vind de rol van de kerken heel interessant. Ik kan me voorstellen’, zo schrijft zij, ‘dat het gemakkelijker was om weer geaccepteerd te worden binnen de kerk dan bijvoorbeeld binnen de sociaal-democratische zuil.’

Deze uitspraak bevalt mij niet. Zoiets moet je pas zeggen, vind ik, nádat het nog te verrichten onderzoek dit eventuele verschil aan het licht heeft gebracht. Voorlopig is het niet meer dan een vooroordeel. Je komt het wel vaker tegen: gelovigen zouden zogenaamd betere mensen zijn dan –in dit geval: sociaal-democratische- ongelovigen, omdat voetstoots maar wordt aangenomen dat ‘de kerk’  exclusief mensen oplevert die in hun praktisch handelen louter en alleen steunen op bijbelse uitgangspunten. Was het maar waar! Wie het geloof daarin niet bezit en dus in een ‘God’ –in welk geloof dan ook- niets méér ziet dan een zelf verzonnen product van de menselijke geest, die hoeft om deze reden in tolerantie en vergevingsgezindheid waarachtig niet ten achter te blijven bij ‘de kerk’, zoals de onderzoekster zich voorstelt.

Ons bezoek van destijds aan de ‘fout’ geboren kinderen in het opvangverblijf in Marum past in ieder geval niet in het beeld dat door haar, wat al te voorbarig, alvast werd opgeroepen.

N.B.:
Het Historisch Nieuwsblad is een heel lezenswaardig maandblad voor wie belang stelt in de geschiedenis in relatie tot wat er in de huidige tijd zoal in de wereld gebeurt. Het blad opent daardoor niet alleen vensters op vervlogen tijden, maar draagt ook bij aan een beter begrip van de actualiteit. Het doet dit met niet te lange artikelen, ruim geïllustreerd, veel in kleur. Je kunt voor 12.50 euro aan een proefabonnement van vier nummers komen via telefoonnr 023-5183337 of via www.historischnieuwsblad.nl. Ik zou het doen als ik al niet geabonneerd wás.

Jan de Groot

Contact, Mededelingenblad van de oud-AJC-groep Groningen,
achtste jaargang nr 3, augustus 2006

Mevrouw Verwey-Jonker en de jubilarissen

Zij had een pleidooi gehouden voor een grotere mobiliteit van de werknemer, voor de bereidheid van werkkring te durven veranderen of door een blijvende studiehouding beter ‘bij’ te blijven in maatschappelijke en vakinhoudelijke ontwikkelingen. ‘Het schijnt als een enorme verdienste te worden beschouwd als iemand 25 of 40 jaar in dezelfde baan blijft hangen, maar het zou beter zijn de jubilea maar gewoon af te schaffen’, was haar wat krasse en provocerend geventileerde opvatting.

In de reacties van de geïnterviewden klonk veel verzet, zelfs verontwaardiging, door over zóveel onbegrip over het veilig beschermde klimaat waarbinnen je bij ‘onze firma’ toch gewoon kon blijven werken als je dat zelf wilde. ‘Waarom zou je eigenlijk veranderen? We hebben het toch goed met elkaar? En schoolboeken zullen er altijd wel nodig blijven. Waar maak je je dus druk om? Betaalt Wolters-Noordhoff soms geen heel goede salarissen?’ Een uitzondering op dit soort nogal primitieve reacties maakte R.K.Aeneae Venema, procuratiehouder, die ‘voor’ en ‘tegen’ zorgvuldig tegen elkaar afwoog. 

En ook J.Foekens van gaf blijk van realiteitszin: ‘De ontwikkeling in onze maatschappij gaat in een versneld tempo. Steeds minder tijd is er nodig om een nieuwe vinding operationeel te maken. Daarom geloof ik dat mevrouw Verwey in de toekomst helemaal gelijk zal krijgen. Zij is haar tijd wat vooruit’, aldus de man van Personeelszaken. Daar kun je natuurlijk wel aan toevoegen dat zij haar tijd nog verder vooruit geweest zou zijn als ze bij haar redenering ook ruimte zou hebben vrijgehouden voor het nú zo actuele verschijnsel, dat het niet alleen gaat om de durf om te veranderen, maar om de bittere noodzaak, gezien de massa-ontslagen die in onze tijd aan de orde van de dag zijn of dreigen te komen: geen vrijwillige beslissing om het jubileum te missen, maar noodgedwongen.

In het nummer van het personeelsorgaan van januari/februari 1970 schreef ik als vervolg op de reacties van mijn collega’s het volgende artikel, met de titel die hierboven al vermeld is. Het siert de redactie dat men zo fair was m’n bijdrage aan het weinig omvangrijke periodiek toch onverkort op te nemen.

Het kroonlid van de Sociaal-Economische Raad, mevrouw dr.H.Verwey-Jonker, staat bekend als een bekwame vrouw, die haar sporen heeft verdiend niet alleen binnen de politieke partij waarvan zij al tientallen jaren deel heeft uitgemaakt, maar ook in allerlei kringen daarbuiten. Het is daarom verheugend dat de redactie in het novembernummer aandacht heeft besteed aan enkele van haar recente uitspraken over de mobiliteit van de werknemer.

De opmerkingen die enkele respondenten, als antwoord op een redactionele vraag om commentaar, daaraan hebben verbonden, bevatten zeker veel waars. Toch zijn naar mijn  mening een aantal kanten van deze belangrijke zaak nog niet duidelijk genoeg belicht, en daarom wil ik er graag nog het een en ander aan toevoegen.

Het is mij opgevallen, dat de meeste commentaren, evenals het redactionele voor- en nawoord, uitgaan van de situatie volgens welke het de werknemer vrij zou staan om (uiteraard bij leven en welzijn) zelf te beslissen over de duur van zijn dienstverband. ‘Ik verander niet, ik wil jubileren bij het bedrijf waar ik nu werk’. Deze opvatting echter is een miskenning van de maatschappelijke realiteit. Deze realiteit houdt in, dat er zich in de maatschappij veranderingen aan het voltrekken zijn ten aanzien waarvan de werknemer niet over voldoende middelen beschikt om die te keren, ook al zou hij het willen. In feite beslist hij niet, in ieder geval niet alleen, want de onderneming in haar geheel is in het geding.

Immers, als we spreken over de mobiliteit van de werknemer, kan dat moeilijk anders worden gezien dan in onmiddellijk verband met de mobiliteit van de onderneming zelf. Ook deze is mede maatschappelijk bepaald. Als het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten zijn zetel van Assen naar Hoevelaken verplaatst, of als Het Vrije Volk zijn bedrijven naar Rotterdam laat verhuizen, of als sommige ministeries bepaalde diensten naar Limburg of Apeldoorn overbrengen, dan is er voor geen der betrokkenen, inclusief de ondernemers zelf, een andere keus dan: mee verhuizen, of van baan veranderen. Voor beide is mobiliteit nodig. Men zal wel moeten. Als het in de textiel slecht gaat, of als de mijnen in Zuid-Limburg worden gesloten, of als ontwikkelingen van technische aard omscholing nodig maken, zoals in sommige bedrijfstakken aan de orde is, dan is in al deze gevallen mobiliteit van alle betrokkenen, ook en vooral van de werknemer, een absolute vereiste. Men zal wel moeten.

Vele bedrijven fuseren, en mensen die het kunnen weten voorspellen ons dat deze fusiebewegingen  nog wel enige tijd zullen aanhouden. Fusies kunnen soms voor vele werknemers goed uitpakken, maar er is niet veel fantasie voor nodig om zich voor te stellen dat het ook anders zou kunnen. Het verlangen naar verandering van betrekking  is dan lang geen denkbeeldige aangelegenheid. Zou het mogelijk zijn dat mevrouw Verwey ook dááraan heeft gedacht? En wat gebeurt er als tengevolge van fusie personeel overbodig wordt? Dan zal er naar een andere baan moeten worden uitgekeken. Men zal wel moeten.

Het voorgaande biedt niets nieuws, elke krantenlezer of tv-kijker weet ervan. Zou mevrouw Verwey het als lid van de S.E.R. dan niet weten? Men kan dat allemaal hard noemen, en daartegenover de beschutting van het jubileum stellen, maar die tegenstelling is mijns inziens niet reëel. Met gebrek aan waardering voor hen die een 25- of 40-jarig jubileum hebben gevierd heeft het vaststellen van deze maatschappelijke realiteiten natuurlijk niets te maken.

Het onderdeel van mevrouw Verwey’s betoog waarin over inhouding van een maand salaris wordt gesproken (als ‘straf’ voor wie zijn of haar jubileum beleeft) is dan ook duidelijk ‘bij wijze van spreken’ bedoeld, misschien ook om hen die gewend zijn wat emotioneel te lezen voor de nodige publiciteit te laten zorgen.

Waardering dus voor jubilarissen, al ligt hun prestatie niet onvoorwaardelijk in het feit dat zij niet naar elders zijn vertrokken. Eén ding is echter zeker: het aantal jubilarissen zal in de toekomst naar verhouding afnemen. Laat ons heel dicht bij huis blijven en constateren dat van de vele functionarissen die de laatste jaren bij ons in dienst zijn getreden, niet het minst in directie en staf, de meesten reeds een of meer andere werkkringen achter zich hebben.

Sommigen van hen zullen nooit jubileren, te minder waar de pensioenleeftijd neiging tot dalen zal vertonen. En dat is mijns inziens goed, deze beweeglijkheid. Prof.dr.J.Kistemaker heeft het op een vergadering van werkgevers in de metaalindustrie zo gezegd: ‘Bedrijfsinteelt is strijdig met geestelijke mobiliteit’. Met geestelijke mobiliteit zal hij wel bedoelen dat men niet de eenmaal verkregen verworvenheden moet ‘koesteren’ en daarop blijven teren, maar dat men door impulsen van buitenaf bereid moet blijven, ook na 25 jaar of langer, te leren, en voorts dat men positief moet staan ten opzichte van de vernieuwingsprocessen die aan de gang zijn. En die aan de gang moeten zijn, niet omdat al het oude waardeloos is, maar in verband met de hiervoor bedoelde ontwikkelingen. Ook ten aanzien van deze bereidheid zich in te spannen door voortdurend te blijven leren, van elkaar en van experts buitenshuis, ook daarbij is niet de vraag aan de orde, of men dat zelf wel wil. Het zal wel moeten.

Ik heb het idee dat dit de dingen zijn waaraan mevrouw Verwey onder meer heeft gedacht toen zij tot haar uitspraken kwam. Die moeten niet, enigszins uit hun verband gerukt, in paniek of verontwaardiging worden ontvangen. Eerder is erkentelijkheid op haar plaats voor de scherpe wijze waarop we hier met de maatschappelijke realiteit worden geconfronteerd. Wie deze realiteit wil veranderen, zal met zeer sterke papieren moeten komen. ‘Het hele pensioenprobleem is een enorm ondoorzichtige rommel’, heeft mevrouw Verwey nog gezegd. Dat hoeft ons uit haar mond niet te verbazen. Immers, juist deze pensioenregelingen zijn een remmende factor op de door haar bepleite grotere mobiliteitsbereidheid.

Prof.Kistemaker zegt daarover: ‘Het is een schandelijke situatie dat we thans in het jaar 1969 weten dat iemand die 45 jaar oud is, praktisch niet meer weg kan bij een bedrijf waar hij werkzaam is, vanwege zijn pensioenrechten. Dat is een vorm van slavernij.’ Wij zouden in plaats van die laatste term misschien beter kunnen lezen: ‘ongewenste dwangrelatie’, omdat de wederzijdsheid van de beide posities daardoor objectiever wordt weergegeven, inzoverre namelijk de morele verplichting die een werkgever soms gevoelt om een werknemer van boven de 45 niet te ontslaan een even knellende band kan zijn als de remmingen die de werknemer heeft ‘vanwege zijn pensioenrechten’.

Het schijnt dat het leervermogen tussen het twintigste en zestigste jaar eigenlijk maar heel traag achteruit gaat. Gelukkig maar, met het oog op de zo nodige geestelijke mobiliteit. Maar dit betekent dan tevens, dat de neiging van vele werkgevers om alleen te vragen naar sollicitanten van beneden de 40 een voorbeeld is van discriminatie op basis van een vooroordeel. Het zou eerder verdwijnen als het pensioenprobleem werd aangepakt, zoals mevrouw Verwey wil.

Ten slotte zij nog gewezen op een merkwaardige tegenstrijdigheid die in al deze ontwikkelingen besloten ligt. Terwijl de maatschappelijke tendenties enerzijds om de versterking van de mobiliteitsbereidheid vragen is het anderzijds dezelfde maatschappelijke ontwikkeling die de fusietendens kracht bijzet. Daardoor is het heel goed mogelijk dan men, mobiel binnen dezelfde bedrijfstak, niet werkelijk bereikt wat men beoogt, namelijk van onderneming veranderen, eenvoudig omdat de concurrent van vandaag de fusiepartner van morgen kan zijn. Ook dat is een maatschappelijke realiteit.

Jan de Groot

Oorlogskinderen

Deze expositie, die in elk van de twaalf provincies te zien was of nog zal zijn, loopt al vanaf maart 2005. Dit jaar zullen achtereenvolgens Drenthe (tot 13 februari), Overijssel, Groningen, Utrecht en Zuid-Holland nog aan de beurt komen. (Zie ook de website www.oorlogskind.nl).

Wat kinderen in de Tweede Wereldoorlog meegemaakt hebben wordt natuurlijk door uiteenlopende omstandigheden bepaald. De opvattingen van hun ouders waren in veel gevallen richtinggevend. Ook denk je al gauw aan de vele joodse kinderen die in het geheel niet meer aan ‘zich herinneren’ toegekomen zijn. Anderen hadden te lijden onder de barre voedseltoestanden in de ‘hongerwinter’. Woonde je als kind in een gebied waarin zich gevechtshandelingen afspeelden, dan wordt het denken aan toen daardoor sterk beïnvloed. Ik noem maar enkele voorbeelden van situaties die op de tentoonstelling aandacht krijgen.

Bij die twaalf verhalen is er, mijns inziens terecht, ook één gewijd aan kinderen van wie de ouders lid waren van de NSB, dus ‘fout’ waren. Waren de kinderen van deze ouders daardoor eveneens fout? Nee, want zij waren geen ‘daders’ maar ‘slachtoffers’, in die positie terechtgekomen door het toeval, of noem het: noodlot. Niemand bepaalt nu eenmaal zélf wie zijn of haar ouders zullen worden, en over plaats en tijd van je geboorte heb je ook niet veel te vertellen. Is ons eigen lidmaatschap van de AJC voor velen van ons niet eenvoudigweg het gevolg geweest van de politieke gezindheid van onze ouders, met wie we, hoewel praktisch nog ‘ongevormd’, als een bijna-vanzelfsprekendheid solidair waren? Aan helemaal zelfstandig een politiek getinte keus maken zijn de meeste twaalfjarigen niet toe, – nu niet en toen niet.

Zo kon het, droevig genoeg, gebeuren dat kinderen van NSB-ers in emotionele verbondenheid met hun ouders wérkelijk geloofden dat vader en moeder, of één van hen beiden, zich inzetten voor een betere wereld. Er werd hun voorgehouden dat ze wegbereiders waren van een andere, komende cultuur en dat ze de opdracht hadden om fakkeldragers te zijn in het licht van een Nieuwe Tijd, – een formulering die ons qua sfeer en woordkeus niet onbekend in de oren kan klinken.

De schokkende ontdekking van de historische werkelijkheid en de bittere ontgoocheling kwamen pas later. Maar de mentale belasting van de gevoelens van ‘schuld’ en van ‘schaamte’ voor iets waarvoor zij, als kind, geen eigen verantwoordelijkheid hadden gedragen, heeft in de levens van vele van deze NSB-kinderen diepe sporen achtergelaten. Jeugdherinneringen werken, zoals iedere oudere weet, soms heel lang door. Het valt meestal niet mee om er een deksel op te doen. Daar komt in dit geval nog bij dat de aanhoudend vernederende bejegening door sommige mensen uit hun sociale omgeving (buurt, school, werk) in latere jaren geen bijdrage inhield tot hun maatschappelijke integratie. Je zou haast geloven dat de onbillijke afwijzende houding van deze ‘betere’ Nederlanders af en toe berustte op hun valse verwachting: ‘hoe meer wij hen zwart maken, des te meer gaat ons eigen grijs op wit lijken’.

Dat echte daders gestraft moesten worden is een uitgemaakte zaak, en dat is te weinig gebeurd, vooral in Duitsland. Maar: de vele duizenden kinderen die bij het bombardement op Dresden in februari 1945 gedood werden, waren dat ‘daders’? De twee miljoen ‘Heimatvertriebenen’ die door het verleggen van de Oost-Europese grenzen na de oorlog het leven verloren, waren dát dan ‘daders’? Die zullen zich tussen de massa’s mensen zeker opgehouden hebben, maar wat valt de kinderen onder hen te verwijten?

Direct na de oorlog zijn er circa 150.000 NSB-ers opgepakt: meelopers, verdwaasde idealisten, of gefrustreerden die je altijd en overal vindt. Maar ook anderen, met daadwerkelijk en actief misdadig gedrag op hun geweten, voorzover aanwezig. Voor hen allen werden er, naast de gevangenissen, zo’n honderd opvangkampen en tehuizen ingericht, en daarin vonden ongeveer achtduizend kinderen een tijdelijk onderdak. Dat waren kinderen van wie beide ouders vastzaten, terwijl er geen ooms en tantes, grootouders, buren of vrienden bereid of in staat waren hen als pleegkind op te vangen.
                                                    *
Eén van deze opvangkampen bevond zich in Marum, een plaats op zo’n vijftien kilometer westelijk van de stad Groningen. Niet lang na de oorlog hebben de Rode Wachten van de afdeling Groningen voor de jonge ‘bewoners’ van dat kamp een ‘bonte avond’ verzorgd. Er verbleven trouwens ook wel volwassenen: zo zat onder anderen de secretaris-generaal van het departement van onderwijs in de jaren ’40-’45, professor J.van Dam, daar een deel van zijn straf uit. Ons ging het natuurlijk om de jeugd. ‘Waarom zouden wij onverzoenlijk en beschuldigend moeten zijn tegenover kinderen die niets anders hadden ‘misdaan’ dan aanhankelijkheid betonen aan hun ouders?’ Dat zal de achtergrond zijn geweest van onze goedbedoelde handreiking.

Wat we daar die avond zoal hebben laten horen en zien weet ik niet meer precies, maar aan zang en dans zal het wel niet ontbroken hebben. Ook niet aan samenzang waarschijnlijk. Dat laatste had in ieder geval gemakkelijk gekund, want sommige van ‘onze’ liederen, nogal eens uit het Duits vertaald, waren ook bij de jeugd in de zaal niet onbekend, – af en toe met een ándere tekst, zo neem ik aan. Wat ik overigens wél zeker meen te weten is, dat Annie Posthumus een gedicht voordroeg en dat ze daarbij een rode jurk aan had! Behalve dit detail herinner ik me niets, en dat werpt nog weer eens een merkwaardig licht op het verschijnsel ‘geheugen’. Even heb ik er zelfs aan getwijfeld of die hele tocht naar Marum niet alleen maar in mijn verbeelding had plaatsgevonden: niemand van het Groningse groepje oud-leden kon mij er iets over meedelen. Had ik mij dan zó vergist? Totdat Kees van der Woude mij wist te vertellen dat hij na  ons optreden nog gecorrespondeerd had met iemand uit het publiek van de bewuste avond. Die bevestiging van Kees was wel een geruststelling voor me …
 
Wat er van een aantal van jongeren in deze situatie geworden is valt te lezen in een boek van Bas Kromhout, waar je bepaald niet vrolijk van wordt: ‘Fout geboren. Het verhaal van kinderen van foute ouders’ (2004). Over het lang niet volmaakte ‘politieke beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders 1945-1955’ kun je lezen in ‘Snel, streng en rechtvaardig’ door Peter Romijn (1989).

Naschrift
Nadat een eerdere versie van dit stukje verschenen was in ‘Contact’, het periodiekje van de Groningse groep oud-AJC-leden, achtste jaargang nr 1, januari 2006, kreeg ik verrassenderwijs twee reacties. De ene behelsde het vermoeden dat het initiatief van dit bezoek aan Marum niet bij onze afdeling zelf had gelegen, maar dat het plaatsvond op aanwijzing of voorstel van het hoofdbestuur. Onmogelijk is dit natuurlijk niet, maar er zijn geen bewijzen voor.

Een andere vriend diepte uit z’n geheugen de waarschijnlijkheid op, dat het helemaal niet zulke onschuldige lieverdjes waren voor wie wij ons beste beentje hadden voorgezet. Sommigen zaten daar gevangen omdat ze  dienst genomen zouden hebben bij de SS! Als dit inderdaad zo geweest is, moet ik vrezen dat het de bedoeling van dit artikeltje wel enigszins zou hebben beïnvloed. Aan de strekking daarvan heb ik toch maar niets veranderd.

Jan de Groot

Na de bevrijding

Schoon en stralend is, gelijk toen, het voorjaar,
Koud des morgens, maar als de dagen verder
Opengaan, is de eeuwige lucht een wonder
Voor de geredden.

In ’t doorzichtig waas over al de brake
Landen ploegen weder de trage paarden
Als altijd, wijl nog de nabije verten
Dreunen van oorlog.

Dit beleefd te hebben, dit heellijfs uit te
Mogen spreken, ieder ontwaken weer te
Weten: heen is, en nu voorgoed, de welhaast
Duldloze knechtschap –

Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,
Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet
Eén van de ongeborenen zal de vrijheid
Ooit zo beseffen.

Uit: J.C.Bloem, Sintels, ’s-Gravenhage, A.A.M.Stols, 1945

Lees je de gedichten van J.C.Bloem (1887-1966), dan valt het je, anders dan hier, als kenmerk ervan op dat er bijna altijd een grondtoon in doorklinkt van weemoedig reiken naar onwerelds geluk, van melancholieke berusting in de ontoereikendheid en in de eindigheid van het leven, van hunkerend verlangen naar het onhaalbare. ‘Het verlangen’, zo heet ook zijn eerste bundel uit 1921. Bijna een kwart eeuw later verscheen het hier opgenomen gedicht, dat, mét ‘Het lied der achttien dooden’ van Jan Campert, in ons land tot de bekendste poëzie over de bezettingsjaren is gaan behoren.
 
‘Na de bevrijding’ neemt in het werk van de dichter een aparte plaats in. Het gedicht is (zeldzaam bij Bloem) gegoten in de vorm van een ‘ode’: een lofdicht dat gewijd is aan een persoon of gebeurtenis van niet-alledaags karakter. Het is al een heel oud (rijmloos) genre, afkomstig uit de klassieke oudheid, maar ook in latere eeuwen veel beoefend. Zo speelt, zoals we weten, ‘Ode an die Freude’ van Schiller een imposante rol in Beethoven’s negende symfonie: ‘Alle Menschen werden Brüder’. Van dat laatste legden de jaren 1940-’45 geen al te duidelijk getuigenis af. Het wil met die mooie gedachte trouwens nog steeds niet zo erg vlotten.

Half april 1945 bij de gevechten in en om Zutphen, waar Bloem toen met zijn vrouw Clara Eggink woonde, waren de gezinsleden door een granaatinslag in hun huis maar net aan de dood ontsnapt. De granaat ontplofte in het bed waaruit zoon Wim even eerder was opgestaan. De wat statige toonzetting in het gedicht ging dus gepaard met grote persoonlijke betrokkenheid, wat bij een ode overigens wel vaker het geval is. En in dat tumult schreef Bloem dit sterke gedicht. Hij voltooide het op 10 mei, zijn verjaardag, vijf jaar na de dag waar het in de eerste regel over gaat: het begin van de Duitse bezetting, toen de zon in de eeuwige gang van de seizoenen precies zo had geschenen als bij het einde ervan.

En nu dan: de verlossing, de bevrijding, in de optrekkende ochtendnevel de boeren in de mooie en stralende voorjaarslucht alweer aan het werk, terwijl het nabije gebulder van de kanonnen nog niet eens tot zwijgen was gekomen. Maar de ‘welhaast duldloze knechtschap’, dat was: de niet te verdragen toestand van onderdrukking, was ten einde. Niemand die dit niet aan den lijve heeft ondervonden ‘zal de vrijheid ooit zo beseffen’.

De vele van onze AJC-vrienden die dit bevrijdende besef niet meer hebben mogen beleven, worden ook dit jaar met onverflauwde gevoelens herdacht.      
 
Jan de Groot