M.J. Koenen en zijn Handwoordenboek

Het was het afgelopen jaar, om precies te zijn in mei 1997, honderd jaar geleden dat bij J.B.Wolters te Groningen van de hand van M.J. Koenen het Verklarend Handwoordenboek der Nederlandsche Taal verscheen. De verjaardag van Koenens Handwoordenboek is niet de enige aanleiding om aandacht aan de geschiedenis van dit werk en zijn auteur te wijden. We herdenken M.J. Koenen tevens omdat hij honderdvijftig jaar geleden geboren werd. 

1997Deze uitgave verscheen ter gelegenheid van de jaarwisseling 1997-1998 als nieuwjaarsgroet aan familie, vrienden en relaties. De tekst is de bewerking en uitbreiding van een artikel uit het tijdschrift Boekenpost, 5e jaargang, nr 28, maart-april 1997. © 1997 Jan de Groot, Groningen

Inleiding

Het was het afgelopen jaar, om precies te zijn in mei, honderd jaar geleden dat bij J.B.Wolters te Groningen van de hand van M.J. Koenen het Verklarend Handwoordenboek der Nederlandsche Taal verscheen. Dit woordenboek kan gezien worden als de stamvader van wat nu Wolters' Handwoordenboek Nederlands/Koenen wordt genoemd, als 29e editie van de uitgave van 1897. Ofschoon de naam van de uitgeverij van herkomst in de titel behouden is gebleven, is 'Koenen', samen met 'Ten Bruggencate' (Engels), 'Herckenrath' (Frans), 'Van Gelderen' (Duits) en andere Wolters-woordenboeken, sinds enkele jaren opgenomen in het fonds van Van Dale Lexicografie.

Evenals Wolters-Noordhoff, sedert 1968 de naam van de gefuseerde uitgeverijen J.B.Wolters en P. Noordhoff, is deze Utrechtse uitgeverij een onderdeel van het concern (Elsevier) Wolters Kluwer. Men heeft er zich na de overname door Kluwer van de uitgeverij Martinus Nijhoff, toen in 's-Gravenhage, nu in Groningen, in het uitgeven van woordenboeken gespecialiseerd, zoals reeds valt af te leiden uit de keuze van de naamgever van dit bedrijf, de andere prominente woordenboekenauteur: Johan Hendrik van Dale (1828-1872). Ook zijn werk, in oorsprong nog ouder dan dat van Koenen, leeft - zoals bekend - in andere handen nog steeds met ere voort.

De verjaardag van Koenens Handwoordenboek is niet de enige aanleiding om aandacht aan de geschiedenis van dit werk en zijn auteur te wijden. We herdenken M.J. Koenen tevens omdat hij honderdvijftig jaar geleden geboren werd. Evenals bij zijn collega-auteur P.R.Bos, ook van de jaargang 1847, werd zijn naam verzakelijkt tot de aanduiding van een boek: bij de één van een atlas, de 'Bosatlas', bij de ander van een woordenboek, de 'Koenen'. Persoon en werk van deze verdienstelijke lexicograaf zullen hier in kort bestek worden besproken. 

M.J. Koenen, onderwijzer en auteur

Mathijs Jacobus Koenen werd op 11 oktober 1847 te Zutphen geboren, waar zijn vader, afkomstig uit Breda, landmeter was. Het gezin was rooms-katholiek, van de vijf kinderen was Mathijs de vierde in de rij. Al vóór zijn twintigste jaar werd de latere leer- en woordenboekenschrijver onderwijzer in Steenbergen, daarna in Veghel, vervolgens in Den Bosch, waar hij in 1872 tot hoofd van de Rijksleerschool werd benoemd. Het gezin Koenen-Bogaerts verhuisde in 1880 naar Maas-tricht. In deze volgende provinciehoofdstad had Koenen een betrekking aanvaard aan de in datzelfde jaar gestichte Rijkskweekschool, waaraan hij tot aan zijn pensionering in 1911 als leraar Nederlands verbonden zou blijven.

Aanvankelijk woonachtig in de Brusselsestraat, kon de familie later een veel ruimere woning aan de St.-Hubertuslaan betrekken, waaraan de honoraria voor zijn talrijke publicaties alsmede leiding van en artikelen voor enkele onderwijstijdschriften wel niet vreemd zullen zijn geweest. De latere medewerking van Dr. H.J.E. Endepols aan Koenens Handwoordenboek is op deze verhuizing terug te voeren: ze kwamen maar een paar deuren van elkaar af te wonen. Vanaf plm. 1918 zou Endepols méér worden dan buurman en vriend alleen. Tot en met de 26e druk van 1966 zouden de namen van hen beiden band en titelpagina blijven sieren: Koenen-Endepols, zelfs tot 26 jaar nadat Endepols zijn taak als bewerker had neergelegd.

Afgaande op uitlatingen van leerlingen kunnen we vaststellen dat Koenen als leraar hooggenoteerd stond. Hij werd, onderwijsman in hart en nieren, alom geprezen, niet alleen door zijn dochter Marie, die haar vader onder z'n leerlingen telde en die later door haar literaire werk bekendheid zou krijgen, maar bijv. ook door de Friese tekenaar Tjeerd Bottema, die Koenen in zijn autobiografie de beste leraar van de door hem en zijn broer Tjerk bezochte school noemde. Bij het vijftig-jarig bestaan van deze school in 1930 hield een spreker z'n gehoor voor: 'Gij hebt een traditie voort te zetten, gij leeraren en kweekelingen, een traditie, hier gegrondvest en bevestigd door mannen als Koenen en De Gast, wier namen klonken in den lande'. Waarop dit oordeel over Koenen berustte heeft natuurlijk veel te maken met zijn persoonlijkheid, maar niet minder met zijn taaldidactische inzichten.

Koenens werk en opvattingen

Voor zijn boek over de geschiedenis van het Nederlandse schrijfvaardigheidsonderwijs in de negentiende en twintigste eeuw (Muiderberg, 1989) heeft Rudolf Geel als titel een veelzeggende uitspraak van M.J. Koenen gekozen: Niemand is meester geboren. Met deze opvatting wilde Koenen tot uitdrukking brengen dat schrijven naar zijn overtuiging niet een vaardigheid is die je maar 'vanzelf' komt aanwaaien, maar waarvoor 'geleerd' moet worden: door bestudering van goede schrijvers, door het verwerven van inzicht in de taalstructuur, door kennis van grammaticale en stilistische mogelijkheden, door uitbreiding van de woordenschat en door veel oefenen, waarvoor dan natuurlijk ook het benodigde materiaal aanwezig moest zijn. Onomstreden was dit standpunt allerminst. Taaldidactici als J.H. van den Bosch, befaamd exponent van het tijdschrift Taal en Letteren, zagen rond de eeuwwisseling meer heil in de ontwikkeling van het 'natuurlijk aanwezig taalgevoel' en de creatieve toepassing daarvan als middel tot zelfontplooiing. Hun eigen stijl van schrijven laat zien dat de aanhangers van het genoemde beginsel zich in deze 'richtingenstrijd' meer richtten naar de 'omgangstaal' dan naar de 'boekentaal', die zij zagen als uitingen van als beklemmend ervaren schrijftaaltraditie.

Koenen betwijfelde echter of de door zijn opponenten gepropageerde 'levende' taal ook werkelijk uit de taalgemeenschap zelf was geboren; hij dacht dat die taal veelal quasi-literair 'gemaakt' werd, waardoor 'grilligheid of eigenwaan een zijner hoofdkenmerken is'. De normatieve achtergrond van Koenen ('Niemand is meester geboren') hield in, dat onderwijspraktijk zijns inziens gebaseerd moest zijn op het bevorderen van kennis, die leerzaam en vormend diende te zijn, maar ook weer niet zo absoluut dat er geen ruimte voor individuele expressie zou overblijven. Technische vaardigheid alleen levert 'geen frischheid, geen adem der bezieling' op als daar geen individualiteit bij komt, vond ook Koenen. Vorm en inhoud hangen dan uiteraard samen: een gedachte die op zichzelf de moeite van het lezen waard is maar slecht is verwoord, achtte Koenen even verwerpelijk als een volmaakt geformuleerde zin die aan inhoud tekortkomt.

Aan deze gedachtenvorming droeg ook de, later vooral door zijn boek 'Kees de jongen' bekend geworden, onderwijsvernieuwer Theo Thijssen bij. 'Schrijven leer je door te schrijven', was zijn stelregel, waarmee hij zich kantte tegen zowel oude als nieuwe 'methodieken'. Koenen werd in dat verband door hem in wel zeer denigrerende zin bejegend. Enig voorbehoud bij Thijssens eigen geloofwaardigheid is overigens niet misplaatst. Hij was de auteur van een reeks uiterst banale, vernieuwing van het rekenonderwijs tegenwerkende, sommen- en cijferboekjes, nog lang leverbaar ook nadat door P.A. Diels c.s. in de jaren dertig met het rekenonderwijs reeds lang nieuwe wegen waren ingeslagen. Koenen merkte al in 1893 op: 'Er zal, naar wij mogen hopen, een tijd komen, dat niet de examens de rekenkunde langer dwingen in de richting van het sommen maken'. Thijssen en Koenen zullen elkaar weer gevonden hebben in Koenens opinie dat het slagen van taalonderwijs meer afhangt van de kwaliteiten van de onderwijzer dan van de gevolgde methode. Deze, slechts betrekkelijke, waardering voor het leerboek verhinderde Koenen desondanks niet er een aanzienlijk aantal van samen te stellen, het eerste al in 1881.

Het voorgaande kan enigszins een idee geven van de manier waarop Koenen naam maakte als auteur van zijn omvangrijke oeuvre. Het illustreert tevens hoe zeer Koenen bij het samenstellen van het Handwoordenboek het oog gericht hield op de school. In het voorbericht bij de al aanzienlijk lijviger geworden 4e druk van 1903 merkte hij op, 'den stillen wensch te koesteren dat het zóó meer mijn ideaal is genaderd: een vraagbaak te zijn voor studeerenden.' En hij vervolgt: 'Daar ik het heb vrijgehouden van al, wat minder fair is, kan men het gerust aan studeerende jonge dames in handen geven'. Dat waren er overigens nog niet veel. Op het Maastrichtse gymnasium bijv. deed pas in 1911 de eerste vrouwelijke leerling eindexamen.

Met het maken van leerboeken voor bijna alle schoolsoorten en met zijn leraarschap hielden Koenens activiteiten overigens nog niet op. Hij was bovendien in de jaren negentig redacteur van De Schoolwereld, uitgegeven door J.B.Wolters, onder hoofdredactie van H. Scheepstra, en tevens van School en Studie (bij D. Mijs te Tiel), waarin vele artikelen van zijn hand te vinden zijn, ook van lexicografische aard. Voorts zijn er bij de uitgeverijen D. Mijs in Tiel, W.E.J. Tjeenk Willink te Zwolle en Wolters' buurman P. Noordhoff nog verscheidene leerboeken verschenen die zijn naam dragen. Bij J.B.Wolters echter is toch wel het overgrote deel van zijn werk uitgegeven, dit alles nu verdwenen onder het stof van een voorbije tijd, behalve: het Handwoordenboek, en enkele andere woordenboekjes die in het kielzog van het kernproduct meevaren, maar die we hier onbesproken zullen laten.

Uitgever rond de eeuwwisseling

De uitgeverij was na het terugtreden van J.B.Wolters' zwager in 1894 onder leiding komen te staan van zijn oudste zoon, geboren in 1865, evenals zijn vader Eduard Benjamin ter Horst geheten. Het is niet helemaal duidelijk wat voor persoon deze E.B. junior nu eigenlijk was, ook de huidige generaties van de familie Ter Horst zelf hebben geen duidelijk beeld van hem. Uit de feiten blijkt wel dat zijn onmiskenbare talent als uitgever gepaard ging met een zekere neiging tot grandeur in financiële zaken. 'Gij zijt in alles te royaal', hield zijn vader hem in 1895 goedbedoeld voor. Vaststaat ook dat hij te veel hooi op de vork nam door te veel tegelijk naar zich toe te halen, hetgeen ook blijkt uit het grote aantal nieuwe uitgaven dat tijdens zijn bewind het licht zag, en deze belasting deed zijn toch al zwakke gezondheid uiteraard geen goed.

Daarbij kwamen nog de mentale en financiële spanningen van een hoog oplopend conflict met de gemeente Groningen over de installatie van stoommachines als energiebron voor een nieuwe drukkerij, achter het uitgeverskantoor in de Oude Boteringestraat. Zowel de parochie van de aangrenzende rooms-katholieke kerk als de universiteit had daartegen bezwaar aangetekend wegens door hen verwachte geluidsoverlast. Ter Horst had in 1904, het kostbare oponthoud beu, zelfs al contact met een Amsterdamse makelaar opgenomen, in verband met zijn overweging de zaak naar de hoofdstad te verplaatsen, doch nog voordat de juridische strijd over de stoommachines was afgerond stierf hij, nog maar veertig jaar oud. Na zijn overlijden in 1905 werd in Krasnapolsky te Amsterdam een veiling gehouden, waar vele uitgaven die niet rechtstreeks met onderwijs te maken hadden - ook nogal wat van vóór 1894 - in handen van andere uitgeverijen kwamen. Zo kwam Afke's Tiental door Nienke van Hichtum, in 1903 met illustraties door Cornelis Jetses bij J.B.Wolters verschenen, bij de Alkmaarse uitgeverij Kluitman terecht, die er anno 1997 nog steeds commercieel plezier aan weet te beleven.

Ter Horst junior wist dus, alles bijeen, niet de reputatie te vestigen van zijn sterke voorganger, maar het gaat te ver hem daarom niet te prijzen voor het vele goede dat hij als creatief en hardwerkend uitgever heeft verricht. Wie zou het Handwoordenboek van Koenen daartoe niet willen rekenen? En tot op de huidige dag plukt de uitgeverij de rijpe vruchten van zijn uiterst gelukkige greep Jan Ligthart, H. Scheepstra en C. Jetses te verenigen in een harmonieus en ijzersterk trio, al door vele generaties Nederlanders onmiddellijk in verband gebracht met unieke creaties als Ot en Sien. Te weinig wordt soms beseft hoeveel de cultuur in de breedste zin van het woord aan initiatieven van uitgevers te danken heeft, zoals met vele andere voorbeelden zou zijn toe te lichten, ook uit de buitenschoolse sfeer.

In 1895 had Ter Horst reeds het Engelse woordenboek van K. ten Bruggencate uitgegeven, vlak na zijn vroege dood gecompleteerd met Duits (I. van Gelderen, 1906) en Frans (C.R.C. Herckenrath, 1907), waardoor de set Woordenboeken Nieuwe Talen kon ontstaan, die er ook nu nog steeds is, zoals al in de Inleiding vermeld. Uit enige schaarse bewaard gebleven correspondentie maken we op dat Ter Horst en Koenen het goed met elkaar konden vinden. Ze correspondeerden niet alleen, Koenen ondernam voor een persoonlijke ontmoeting met zijn uitgever ook wel de lange treinreis naar het noorden. Omdat een retour Maastricht-Groningen honderd jaar geleden niet of nauwelijks op één dag haalbaar was, logeerde hij dan bij zijn broer, die pastoor was in Sappemeer. In het overleg tussen uitgever en auteur werd ook over prijs en oplage gesproken, zaken die contractueel meestal aan de uitgever zijn voorbehouden.

Het Handwoordenboek ging f 1,50 kosten, de oplage werd 5.500 exemplaren. Het was maar goed dat Ter Horst het aanvankelijke voornemen met 15.000 te beginnen, wellicht op advies van Koenen heeft laten varen, want het duurde zelfs met een derde van dat aantal nog tot 1901 voordat een tweede druk kon verschijnen (f 1,75, maar dan ook al veel omvangrijker dan de eerste uitgave). Na vijftien jaar, dus tot en met 1912, waren er plm. 55.000 exemplaren verkocht, d.i. evenveel als de verkoop in één jaar als gemiddelde in de jaren zeventig, waarmee wordt geïllustreerd welk een hoge vlucht er op dit bescheiden begin is gevolgd. Zover was het echter voorlopig niet. Ik citeer uit een brief van 15 oktober 1897 van Ter Horst aan Koenen, die door de leraar-Nederlands zeker niet als een stilistisch hoogstandje zal zijn bestempeld: 'Het Handwoordenboek is nu wat rustiger, doch 't zal wel goed blijven, in vijf maanden bijna de helft van de oplage is nogal mooi.' Met de tweede helft van de oplage ging het, zoals we zagen, wel héél rustig. Het bleef dus aanvankelijk maar vrij betrekkelijk 'goed' en 'mooi'. Het dieptepunt lag in de jaren 1901/1903, waarin niet meer dan plm. 1.500 exemplaren per jaar werden verkocht. Maar dan zet de groei in, en die heeft 'Koenen' sindsdien niet meer verlaten, al heeft de debietontwikkeling door de jaren heen een vrij grillig verloop gekend, met uitschieters naar boven na het verschijnen van een nieuwe druk als impuls.

Inhoud en kritiek

In 340 bladzijden een volmaakt woordenboek maken lukt niemand en zelfs als de omvang het tienvoudige daarvan zou bedragen blijft het nog een onmogelijke opgave. P.R.Bos wist het zeer beknopt uit te drukken toen hij, om zijn oordeel gevraagd, in een brief van 14 juni 1897 aan de uitgever schreef: 'Geen aanmerkingen, slechts een opmerking: niets is volmaakt.' Hij bedoelde het waarschijnlijk als een compliment, maar met iets minder goede wil is dit oordeel ook als een understatement op te vatten. Niet voor twee interpretaties vatbaar is de bevinding van Het nieuwe schoolblad: 'Van Koenens woordenboek kan getuigd worden, dat men moeilijk een gebied van het moderne leven zal kunnen aanwijzen, waaraan geen evenredige aandacht wordt geschonken.' Dat klinkt positiever dan het werk feitelijk verdiende, want reeds een kleine steekproef brengt aan het licht dat er van 'evenredige aandacht' geen sprake was.

Gebruikt men bijv. W.H.Vliegen, 'De dageraad der volksbevrijding. Schetsen en tafereelen uit de socialistische beweging in Nederland' (Amsterdam, 1902) als toetssteen, dan blijken woorden als klassenstrijd, kapitalisme, arbeidersbeweging, om maar wat te noemen, bij 'Koenen' te ontbreken. Raadpleging van Jacqueline Bel, 'Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900' (Amsterdam, 1993) alsmede van enkele kranten uit het laatste decennium van de vorige eeuw kan niet tot een andere slotsom leiden dan dat veranderingen in de woordvoorraad als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen slechts mondjesmaat aan hun trekken kwamen.

De afkortingenlijst in de 'Sleutel voor den gebruiker' in het voorwerk van het boek toont overduidelijk aan waarvoor daarentegen de aandacht niet tekortkwam: voor de gevestigde schrijvers uit de eerste helft van de negentiende eeuw, die rijkelijk in de voorbeeldzinnen worden geciteerd. Dat zijn Bilderdijk, Staring, Tollens, en anderen, en ook de Camera Obscura komt men er tot C.O. afgekort herhaaldelijk tegen. Vooral van dit laatste werk zou 'Koenen' zich in de voorbeeldzinnen maar langzaam ontdoen. Onbegrijpelijk is dit niet, want op veel middelbare scholen, waar men op 'Koenen' wilde kunnen vertrouwen, bleef Hildebrands befaamde werk uit 1839 nog heel lang op de lijst van verplichte boeken staan. Zonder een geannoteerde editie kon je het niet stellen, óf 'Koenen' moest je te hulp komen.

De conclusie is onontkoombaar: de eerste druk is niet anders te beschouwen dan als opmaat naar grotere bruikbaarheid. De doorbraak naar het komende succes moet deels wel te maken hebben gehad met het niet royaal voorhanden zijn van redelijke alternatieven in het aanbod, maar toch vooral met de verbeteringen en uitbreidingen in de volgende drukken waar Koenen zelf voor zorgde. De omvang was in de 4e druk van 1903 al meer dan verdubbeld, de kwaliteit gestegen, en sinds de 15e druk van 1926, bewerkt door Dr. Endepols, overschreed het aantal pagina's zelfs de 1.200. Deze dikte is, op de 27e druk van 1974 na, sindsdien vrij stabiel gebleven. In de constante beperking van de omvang kan men de hand van de uitgeverij vermoeden, die met het oog op de prijs en dus de verkoopbaarheid voortdurend op de wenselijkheid van evenwicht tussen 'toevoegen' en 'schrappen' gewezen zal hebben. Dat was voor de bewerkers na Koenen geen gemakkelijke opgave, en dat is het nog steeds niet, want het aantal nieuwe woorden dat zich in onze dagen verdringt om te worden opgenomen is buitengewoon groot.

Koenens opvolgers

Als de drukken worden meegeteld waaraan Dr. J. Endepols heeft meegewerkt zonder zijn naam op de titelpagina te laten zetten, dan beslaat zijn auteurschap een even lange periode als die van Koenen zelf: zo'n twintig jaar. Hij hechtte er dan ook zeer aan dat het woordenboek voluit Koenen-Endepols werd genoemd. Nog in 1956 bij het verschijnen van de 24e druk, terwijl hij zich al zestien jaar eerder had  teruggetrokken, noemde hij het boek toch nog steeds 'Koenen-Endepols'. Dat deed hij, de mede-auteur, overigens niet alleen, zelfs nu nog wordt ook door vele anderen deze benaming van het Handwoordenboek gebruikt.

De verdiensten van Endepols' bewerking zijn vooral dat hij het wetenschappelijk niveau van 'Koenen' aanzienlijk heeft verhoogd. Hij schroomde niet, zich te verzekeren van de bijstand van vakmensen op gebieden waarin hij zelf minder thuis was, bijv. bij de herziening van biologische termen. Aanvankelijk nog wat afgeremd uit 'piëteit voor den eersten bewerker' en uit vrees 'inbreuk te maken op rechten van een eervol verleden' (woord vooraf bij de 15e druk) heeft Endepols het Handwoordenboek ingrijpend gemoderniseerd. Ook voor 'volkstaal' ruimde hij meer plaats in, het gebruik door 'studeerende jonge dames' ten spijt. Latere bewerkers zouden zich overigens wat 'onfatsoenlijke' woorden betreft nog heel wat minder scrupuleus betonen.

Tot aan zijn dood heeft de neerlandicus Endepols - hij was achtereenvolgens leerling van, leraar aan en rector van het Maastrichts gymnasium - het Klassiek Handwoordenboekje van Koenen verzorgd en samen met Prof. Dr. J. van Ginneken schreef hij De regenboogkleuren van Nederlands taal (Nijmegen, 1917). Bij J.B.Wolters verzorgde hij in de serie Lyceum-Herdrukken een uitgave van het middelnederlandse allegorische spel Elckerlyc. Tot op hoge leeftijd actief, bracht hij met een sublieme rede nog hulde aan Marie Koenen toen zij zeventig jaar werd. Nadat hem de nieuwste druk was toegezonden sloot zijn laatste brief aan de firma Wolters in 1957 vele ordners met correspondentie af met de slotzin: 'Moge het Handwoordenboek nog lang een leidende rol spelen in de Nederlandse lexicologie'. Veertig jaar later mag wel worden vastgesteld dat deze wens in vervulling is gegaan. De herziening door Dr. K.H. Heeroma, Endepols' opvolger toen deze bijna 65 was, vond haar relatieve zwaartepunt in de 21e druk van 1947. De druk daarvóór was, zoals uit de correspondentie blijkt, tot stand gekomen in een wat geprikkelde, rivaliserende sfeer.

De nieuwe bewerker had te kennen gegeven er slecht tegen te kunnen dat zijn voorganger nog over z'n schouder meekeek. Toen de directie van J.B.Wolters in de persoon van Dr. A.M.H. Schepman (1890-1959) hem tactvol wees op de geringe importantie van zijn bewerking, reageerde Heeroma met het excuus dat hij met grotere ingrepen wilde wachten tot hij 'de handen vrij' had. Anderzijds droeg de 22e druk van 1949 nog wel zijn naam, maar reeds begin 1948 had Heeroma een hoogleraarschap in de taalkunde in Djakarta aanvaard, zodat hij voor 'Koenen' uit het zicht raakte. Bij het lezen van de brieven van uitgever en bewerker krijgt men sterk de indruk dat Heeroma niet veel voldoening aan het Handwoordenboek heeft beleefd. Dat is opmerkelijk, aangezien hij, als redacteur van het grote Woordenboek der Nederlandse Taal te Leiden gedurende twintig jaar, toch goede papieren had om zich in 'Koenen' thuis te kunnen voelen. Terug uit Indonesië, werd hij hoogleraar in de Nedersaksische taal- en letterkunde aan de universiteit van Groningen.

Endepols en Heeroma kregen voor de in Vlaanderen gangbare woorden steun van Dr. R.Verdeyen uit Luik, die door Endepols vrij frequent geraadpleegd maar door Heeroma nogal op een afstand werd gehouden. Daarvoor waren geldige redenen vanwege de overdrijving van het belang dat Verdeyens bijdragen voor 'Koenen' inhielden.

Vóór zijn vertrek naar Djakarta had Heeroma als opvolger Dr. H.L. Bezoen aanbevolen, die zonder succes in Leiden had gesolliciteerd, maar die toch 'aan alle eisen voldoet die aan een lexicograaf te stellen zijn', zoals Heeroma de directie van J.B.Wolters liet weten. Lichtvaardig beslissen deed Bezoen niet, maar nadat hij als verkennende bezigheid 'Koenen' had vergeleken met de toen nieuwe 'Van Dale' ging hij gretig en energiek aan de slag. Zijn aanpak, waarvan de neerslag in de zeer sterk verbeterde 23e druk van 1952 te vinden is, hield grote beloften in voor de toekomst. Zijn duidelijke handschrift in de intensief bewerkte kopij zie ik nog duidelijk voor mij. Helaas kwam Bezoen reeds een jaar later, jong nog, in zijn woonplaats Coevorden door een aanrijding met een trein om het leven.

J.B.Wolters meende in Dr. W. van den Ent, inspecteur van het middelbaar onderwijs en secretaris van de commissie voor de acte Nederlands m.o.-a, de juiste persoon te zien om het werk voort te zetten, wat een merkwaardige keuze was, onder meer gezien zijn geringe lexicografische ervaring. Vóór hij de kans kreeg goed en wel uit de startblokken te komen overleed ook hij plotseling. Zijn naam haalde de titelpagina dus niet. Dr. J. Naarding ontfermde zich vervolgens over Bezoens erfenis, maar verder dan slechts één alleen door hemzelf verzorgde druk, de 25e van 1960, kwam hij door zijn tamelijk jonge overlijden niet. Andermaal was het Heeroma geweest die de uitgever op een nieuwe kandidaat, nu op zijn vriend en wetenschappelijk medewerker aan zijn Instituut, opmerkzaam had gemaakt. Eerder al had Naarding de bekende Nederlandse Spraakkunst van E. Rijpma en F.G. Schuringa (J.B.Wolters, 1956) herzien. Zijn kracht lag in de beoefening van de wetenschap der Drentse dialectgeografie. Na Naardings dood benaderde de uitgeverij, bij monde van Mr.W.R.H. Koops, Dr. J.B. Drewes (1907-1994, woordenboekauteurs kunnen dus wel degelijk oud worden.). 'Koenen' was hem niet vreemd: Bezoen had hem in het voorbericht van de 23e druk al voor zijn bijdragen aan die editie bedankt.

In Drewes vloeide veel lexicografisch bloed, waarvoor hij ander werk - zijn specialisme was het zestiende-eeuws - goeddeels heeft laten schieten. Hij combineerde kwaliteit met een hoog werktempo, maar desondanks duurde het, na een partiële bewerking in 1966, toch nog acht jaar eer de 27e druk kon verschijnen. Het resultaat was er dan ook naar: 'Koenen' werd zeer ingrijpend vernieuwd en als 'bekroning' daarvan kwam er, voor het eerst na Endepols, weer een twee-eenheid van namen op de titelpagina te staan: Koenen-Drewes.

Terwijl Drewes de ruimte kreeg voor de zgn. Grote Koenen, verschenen in 1986, zag C.A. de Ru, redacteur bij Wolters-Noordhoff, nu bij Van Dale Lexicografie, kans nog geen half jaar later de 28e druk van het Handwoordenboek te laten verschijnen, van Drewes' magnum opus afgeleid, maar er tevens sterk van afwijkend. Een wel erg grote interval tussen twee drukken kreeg daarmee een gelukkig einde.

Met ingang van de 29e druk van 1992, in 1996 overgebracht in de nieuwste spelling, is de bewerking van 'M.J. Koenen J.B.Drewes, Wolters' Handwoordenboek Nederlands' in handen van Drs. W.Th. de Boer, als achtste in de rij, met twee medewerkers voor de alleen in België courante woorden.

Tot slot

Na 29 drukken in honderd jaar zou een nauwkeurige analyse moeten uitwijzen, of, waar en wanneer er als gevolg van al die verschillende bewerkershanden gebrek aan consistentie is ontstaan, bijv. in de aard en de lengte van woordverklaringen. Drewes stelde daaraan de eis dat deze, zonder enig vertoon van geleerdheid, toch precies en taalkundig juist dienen te zijn. Voldoen alle betekenisomschrijvingen daaraan, of moet misschien de vraag worden gesteld of 'Koenen' wel of niet te lijden heeft gehad en misschien nog lijdt aan 'les défauts de ses qualités': aan tekorten die het gevolg zijn van zijn goede hoedanigheden? Deze laatste staan in ieder geval buiten kijf, en - ik duidde er al eerder op - : een volmaakt woordenboek bestaat niet en zal nooit bestaan.

In de woorden van Dr. Bezoen in het voorbericht bij de 23e druk: 'Het zal wel nooit zo zijn, dat een woordenboekschrijver of -herziener zijn werk in volle tevredenheid uit handen geeft. Meer dan enige lezer beseft hij wat er te doen is overgebleven'. Geïnteresseerden wil ik tot slot graag opmerkzaam maken op een publicatie van Van Dale Lexicografie ter gelegenheid van het jubileum, die gelijktijdig met dit boekje verschijnt: Honderd jaar Koenen, geschreven door Jan Posthumus, Siemon Reker en Arie de Ru. In dit boek wordt, meer dan hier het geval kon zijn, onder meer ruime aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van 'Koenen', aan inhoudelijke kenmerken van en verschillen tussen de achtereenvolgende drukken en de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden waaruit de talrijke veranderingen in onze woordenschat in de afgelopen honderd jaar zijn voortgekomen.

Voorts wil ik belangstellenden verwijzen naar een interessante reeks artikelen van de huidige bewerker in Onze Taal, jaargang 1993, 1994 en 1995, waarin Theo de Boer vanuit de optiek van bewerker in de jaren negentig liet zien voor welke afwegingen je als woordenboekmaker zoal kunt komen te staan. Eén voorbeeld slechts van een krantenlezer in de ijswinter van januari 1997: moet je 'spruitjeskweker' wel of niet opnemen als zowel 'spruitjes' als 'kweker' er al in staat? En wat doe je met 'paddestoelenkweker', kan de overweging 'wel of niet opnemen' hier tot precies dezelfde uitkomst leiden als bij de spruitjes?

Zo is het aantal beoordelingen, vragen en afbakeningen eindeloos, ondanks de bijstand van de computer, die in de lexicografie in technische zin veel voor je kan doen, maar nog meer niet voor je oplost. Van dát apparaat zou M.J. Koenen, met de 1.360 bladzijden van de 29e druk van zijn belangrijkste schepping in de hand, al helemaal hebben opgekeken. Hij overleed, 'tijdig voorzien van de laatste H.H. Sacramenten', op 1 augustus 1920 in zijn woonplaats, en rust nu op de algemene begraafplaats aan de Tongerseweg te Maastricht. Naast hem zijn vrouw en zijn dochter Marie. 

Bronnen

Rudolf Geel, Niemand is meester geboren. Geschiedenis van het
Nederlandse schrijfvaardigheidsonderwijs in de negentiende en twintigste
eeuw. Muiderberg, 1989

D. Geeraerts en G. Janssens, Wegwijs in woordenboeken. Een kritisch
overzicht van de lexicografie van het Nederlands. Assen, 1982

J. de Groot en F.R.H. Smit, De uitgeverijen J.B.Wolters, P. Noordhoff
en Wolters-Noordhoff, in: P.H. Broekhuizen e.a., Van boerenerf tot
bibliotheek. Groningen, 1992

M.J. Koenen, A.J.M. Brogtrop en D. Horn (red.), School en studie.
Maandschrift voor Opvoeding en Onderwijs, vijftiende jaargang. Tiel,
1893

A. de Ru, Een hekel aan fantasie. Over J.B. Drewes (1907-1994), in:
Trefwoord, 10. Den Haag, 1995

P.G.J. van Sterkenburg, Van woordenlijst tot woordenboek. Inleiding
tot de geschiedenis van woordenboeken van het Nederlands. Leiden, 1984

Th.J. Thijssen, Taal en schoolmeester. Bussum, 1911

Gedenkboek Rijkskweekschool Maastricht 1880-1930. Maastricht, 1930

Informatie van Dr. A.M. ter Horst, Vierhouten, Drs. J. Posthumus,
Roden en G. Steijger, Den Haag

Archief Wolters-Noordhoff/Van Dale Lexicografie