‘Een zonderling leerboek van den heer Verdenius’

Deining over een Duitse literatuurgeschiedenis in de jaren dertig. In de jaren dertig maakte Gerth Schreiner, in 1933 uit Duitsland naar ons land gevlucht, en hier zowel literair als journalistiek actief, zich er boos over, dat de ‘Deutsche Akademie der Dichtung’ bloemlezingen had uitgegeven waarin geen joodse of ‘verjoodste’ schrijvers meer opgenomen waren.

Verwijzend naar een kort daarvoor bij Querido verschenen bloemlezing ‘Stimmen der Völker’, prees hij zich gelukkig dat ‘het andere Duitsland’ in Nederland daarentegen nog kon klinken…*1


‘Het andere Duitsland’ kón hier wel klinken – maar deed het dat bij ons ook overal waar het mogelijk was? Uit dit artikel zal blijken dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Ter Braak en Het Volk versus Hauptperioden
Het Nieuwsblad voor den Boekhandel, uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, kondigde in nummer 41 van de 104de jaargang op 13 oktober 1937 als ‘zojuist verschenen’ de vijfde druk aan van: B.E.Bouwman en Th.A.Verdenius, Hauptperioden der deutschen Literaturgeschichte nebst Lesebuch für höhere Lehranstalten, verschenen bij J.B.Wolters te Groningen/Batavia*2. 

De herdruk van deze bloemlezing, voor het eerst uitgegeven in 1930, zou het middelpunt worden van een strijdvraag over de wijze waarop de leerlingen van de hoogste klassen van de hogereburgerschool (hbs) en het gymnasium met de Duitse literatuur van de jaren dertig in aanraking zouden behoren te komen.

In Het Vaderland van 16 februari 1938 trok Menno ter Braak fel van leer in een, niet in de ‘Verzamelde Werken’ opgenomen*3, artikel ‘Nationaalsocialistische literatuurgeschiedenis. Een zonderling leerboek van den heer Verdenius’. Niet ten onrechte werd hier alleen de tweede van de beide auteurs op het karakter van het werk aangesproken: Bouwman was enkele jaren eerder overleden, en dat Verdenius hem node miste blijkt uit het ‘Vorwort zur fünften Auflage’, waar hij over zijn collega opmerkt: ‘Schmerzlich entbehre ich bei dieser Arbeit das gediegene und ausgedehnte Wissen meines Freundes, sein reifes und vorsichtiges Urteil und sein feines literarisches Verständnis. Vor allem für die endgültige Fassung eines notwendig gewordenen neuen Abschnitts, in welchem die Spiegelung der gegenwärtigen politischen und wirtschaftlichen Verhältnisse in der Literatur darzustellen versucht wird, wäre wegen des unvermeidlich subjektiven Elements in der Auffassung gerade dieser Periode eine gründliche Nachprüfung sehr erwünscht gewesen. Zwar habe ich mich ernstlich um eine möglichst grosse Objektivität bemüht, aber seinem Scharfblick und seinem unbestechlichen Rechtsgefühl würde eine gewisse Einseitigkeit, die ich trotz ernsten Strebens wohl nicht völlig habe vermeiden können, und die der einsichtige Beurteiler mir zugute halten mag, nicht entgangen sein.’

De zichzelf opgelegde kwetsbare houding die uit deze formulering spreekt duidt er al enigszins op, dat de kritiek waarvan Ter Braak zich tot tolk maakte voor Verdenius niet helemaal onverwacht kan zijn gekomen. Of hij het volgende oordeel heeft voorzien valt evenwel moeilijker aan te nemen: ‘(…) bij het bestudeeren van het materiaal’, aldus Ter Braak, ‘moest ik tot de conclusie komen, dat er hier inderdaad sprake is van een volkomen abdicatie van het critisch inzicht ten gunste van een propagandaverhaaltje, dat de heer Verdenius ons en der leergierige jeugd met een stalen gezicht opdischt als ware hij paedagoog bij het nationaal-socialistisch onderwijs,’ en voorts: ‘… dat de heer Verdenius een overzicht van de feiten geeft, dat van alle critisch vernuft gespeend is en zoo overgenomen schijnt uit een nazi-brochure.’ Dat laatste illustreert Ter Braak dan onder meer met een gedeelte uit ‘Wichtige Daten aus den letzten Jahrzehnten’, die ‘ter oriëntering’ aan de behandeling van de jongste Duitse literatuur voorafgaan. In het boek zag dat er als volgt uit:*4

‘1919   Die Antimarxistische Deutsche Arbeiterpartei wird gegründet. Mitglied No.7 ist Adolf Hitler, der einzige Programmpunkt die Rettung des deutschen Volkes.
1920    (20 Febr.) Die Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei wird in München gegründet.
1923    Die N.S.D.A.P. ist mit 4 Mann im Reichstag vertreten.
1930    Die N.S.D.A.P. ist mit 107 Mann im Reichstag vertreten.
1932    Die N.S.D.A.P. ist mit 230 Mann im Reichstag vertreten.
1933    (30 Jan.) Adolf Hitler wird Reichskanzler.
1934    Adolf Hitler wird auch Reichspräsident.
1935    Allgemeine Wehrpflicht.
1936    Besetzung des demilitärisierten Gebietes.
1933    Anzahl Arbeitslose in Deutschland 6 Millionen – 1936 1½ Millionen.’

Het blijkt dan al spoedig, zo ging Ter Braak verder, dat ‘de prulligste auteurs van een door de propaganda opgeblazen letterkunde ieder hun regeltjes toebedeeld krijgen’, met eenvoudige uitsluiting van de emigrantenliteratuur, ‘die “hier unbesprochen bleiben muss” (muss? Waarom muss? M.t.B.), “d.h. die späteren Werke derjenigen Autoren, die sich den neuen politischen und kulturellen Tendenzen nicht anzupassen vermochten und darum freiwillig oder gezwungen eine neue Heimat gesucht haben.” Met deze verbijsterende verklaring zet de heer Verdenius (niet minister Goebbels, wel te verstaan!) de emigrantenliteratuur buiten de deur, in plaats van (…) zich in dit precaire geval angstvallig te hoeden voor beoordeling en bloc, en zorgvuldig na te gaan, welke elementen in beide Duitse literatuurvoortbrengselen (binnen en buiten de grenzen) de moeite waard zijn om aan Nederlandsche pupillen te worden voorgelegd. Zoo wordt de heer Verdenius, ik hoop zijns ondanks, handlanger van een partijpolitieke literatuurbeoordeling, die met critische maatstaven niets meer te maken heeft: de propaganda dicteert hier de literaire waarde. “Die nationalsozialistische Umwälzung des Jahres 1933 ist der Durchbruch des Regenerationswillens”, verkondigt de heer Verdenius verder, het is de tijd “des tapferen und zuversichtlichen Aufbaus”. “Blut und Boden” worden geschilderd als “Wesensprinzip einer völkischen Gemeinschaft”; “der durch Blut und Boden verkitteten völkischen Gemeinschaft mit allen seinen Kräften zu dienen und zu nützen, ist eines jeden Staatsbürgers heilige Pflicht. (…). Die neue Kunst stellt sich positiv zu allem, was die Gemeinschaft stärken kann, zu Kraft und Heldentum, Tugend und Religion. Sie ist erfüllt von Liebe zur Natur, zum deutschen Wesen”. Over den Jodenhaat en de concentratiekampen bewaart de heer Verdenius, blijkbaar in de meening dat politiek op de school niet thuishoort, tenzij nazi-politiek, het diepste stilzwijgen, dat spreekt vanzelf; hij bewaart trouwens het stilzwijgen over alles, wat men tegen de Blubo-phraseologie kan inbrengen, zelfs zonder een kenner van de materie te zijn.’*5

Ter Braak concludeerde vanzelfsprekend dat het boek na deze herziening van 1937 ‘volkomen onbruikbaar is geworden voor het literatuuronderwijs in Nederland’, onder het uitspreken van de veronderstelling dat de heer Verdenius, ‘geen weg wetend in de stroomingen van de laatste jaren (…) eenvoudig op het verkeerde paard heeft gewed door de feiten over te nemen uit dubieuze bronnen, zonder zich persoonlijk op de hoogte te stellen.’ De vraag in hoeverre er grond voor deze veronderstelling bestond krijgt verderop de nodige aandacht.

Het kan nauwelijks verwondering wekken dat het juist Ter Braak was die de pretentie van ‘objectiviteit’, waarvan de heer Verdenius in zijn voorbericht had gerept, in alle scherpte aan de kaak stelde. Er kan wat dat betreft worden volstaan met een verwijzing naar twee van zijn publicaties uit hetzelfde jaar 1937 als waarin ook de vijfde druk van Hauptperioden het licht zag: Van oude en nieuwe Christenen en zijn onder auspiciën van het ‘Comité  van waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische intellectuelen’ verschenen brochure Het Nationaalsocialisme als Rancuneleer. ‘Wanneer men van de intellectueelen iets mag verwachten’, zo getuigde Ter Braak in dit laatste geschrift, ‘dan is het dit: dat zij zich geen oogenblik door de façade en de uitnoodigende turksche trom laten imponeeren, dat zij ieder oogenblik paraat zijn om vervalschingen te ontmaskeren en bulderende phrasen in “gewone” woorden te herhalen.’*6 Het was juist deze verwachting waaraan Verdenius’ Hauptperioden volstrekt niet beantwoordde.

Overigens: Menno ter Braak was niet de eerste die het herziene Duitse-literatuurboek onder vuur nam. Het mag evenmin toeval heten dat ook in Het Volk, met zijn zusterbladen en regionale edities, waaronder de te Den Haag verschijnende Vooruit, ernstige bedenkingen tegen Hauptperioden werden geuit, en wel reeds, enkele dagen eerder dan Ter Braak, in de edities van 11 februari 1938. Dit sociaal-democratische dagblad had zich al geruime tijd geen enkele illusie gemaakt over de verontrustende gebeurtenissen in Duitsland en over de gevaren die zich op grond daarvan aankondigden: ‘Dictatuur, uw naam is leugen’*7, zo had het blad bij voortduring betoogd in een reeks niet aflatende hoofdartikelen, commentaren, reportages.

Dr.H.B.Wiardi Beckman, historicus, leerling van de Leidse hoogleraar J. Huizinga, sinds 1932 assistent-hoofdredacteur van Het Volk, was in 1937 door het congres van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) benoemd tot algemeen politiek hoofdredacteur van zowel Het Volk als van de nevenedities. Ofschoon juist in die latere jaren ook enige terughoudendheid bij hem wordt gesignaleerd ten aanzien van al te radicale scherpte over de ontwikkelingen in Duitsland*8, toch mag stellig worden aangenomen dat Wiardi Beckman een zwaar stempel heeft gedrukt op de spreiding van de redactionele aandacht voor de onderscheiden nieuwsthema’s. Indicatief kan in dit opzicht het aantal door Van Vree onderzochte achtergrondartikelen over Duitsland zijn, dat bij Het Volk in 1938 circa vijftig procent hoger lag dan in 1937, waartoe natuurlijk tevens het groeiende aantal nieuwsfeiten zelf aanleiding kan hebben gegeven.

In haar voortdurende principiële bestrijding van het nationaal-socialisme vertoonde de krant in ieder geval een grote mate van consistentie*9. ‘Een nieuw gevaar voor middelbare scholen. Duits leerboek dat kennelijk nazi-propaganda bevat. Verbijsterend veel verzwegen!’ Zo luidde de groot opgemaakte ‘kop’ van het artikel. In een betoog dat in zijn afwijzende strekking niet bij dat van Ter Braak achterbleef, wordt afschuw uitgesproken over een geestesgesteldheid ‘die uitsluitend aandacht wenst te schenken “aan de karakteristieke vertegenwoordigers van de nieuwste literatuur – voornamelijk jongeren, wier werk van de nieuwe geest geheel vervuld is – en van de oudere schrijvers, die het nieuwe voorvoeld, voorbereid en bevorderd hebben en die door de jongeren als wegwijzers en voorbeelden vereerd worden”, maar die het aandurft géén gewag te maken van ‘machtsmisbruik, onderdrukking, wreedheid en geweld, noch van het verzet en de critiek op het nieuwe stelsel. (…). Dit is verbijsterend. Het is mogelijk dat politieke machthebbers grote geesten tot ballingen maken in den vreemde. Maar schrijven die groten daarom geen Duitse literatuur meer, waarvan de scholier (…) kennis moet nemen? Mag de Nederlandse scholier niet lezen wat Thomas Mann in het buitenland schrijft, doch wel een politiek rijmpje als het hier volgende (…):
                                            
Der Führer
Er warf den glühenden Pfeil in uns,
Der uns der langen Qual entriss.
Wir sind die Gläubigen seines Bunds.
Nun trotzen wir der Bitternis.*10

Waarlijk: men verwondert er zich over, dat in dit boek het Horst Wessellied ontbreekt! (…). Het past den tot objectiviteit verplichten Nederlandsen voorlichter van de Nederlandse jeugd niet, partij te kiezen in een nog niet afgesloten periode van politieke strijd en, door een eenzijdige verheerlijking van het nationaal-socialisme, met uitsluiting van de geestelijke tegenkrachten, die ook in de Duitse literatuur gestalte hebben gekregen, de Nederlandse scholieren dit onvolledige en verwrongen beeld voor te houden.’ En het artikel besloot met de mededeling dat ‘het lid van de Haagse gemeenteraad, W.Drees, de aandacht van den wethouder van Onderwijs op deze ernstige zaak heeft gevestigd.’*11

Door de inmenging van de sociaal-democratische fractie komt de kwestie dan terecht in het college van curatoren van de Haagse gemeentelijke lycea, waarop we aanstonds terugkomen. Ook de rechtvaardiging die de heer Verdenius zocht verdient aandacht te krijgen, evenals uiteraard de overwegingen die de houding van de uitgever bepaalden, geschrokken als die was van een nogal zeldzaam verschijnsel: krantenpublicaties over een schoolboek, van welk genre er bij J.B.Wolters elk jaar alleen al voor het voortgezet onderwijs honderden, waarvan voor het schoolvak Duits vele  tientallen, het licht zagen. Onder welke omstandigheden en op grond van welke opvattingen konden auteur en uitgever deze uitgave van Hauptperioden de weg naar de scholen laten vinden? Was het allemaal wel zo dramatisch als sommige critici meenden en kregen zij bijval of afkeuring uit kringen van de ‘markt’: het onderwijs? Op deze vragen zal hierna naar een antwoord worden gezocht.                             

Reacties uit onderwijs en wetenschap
Om te voorkomen dat Nederlandse scholieren dit ‘onvolledige en verwrongen beeld’ waartegen de bezwaren van Ter Braak en Het Volk zich richtten werd voorgehouden, zouden docenten-Duits, beschikkend over keuzevrijheid zonder bemoeienis van bovenaf, er zonder bezwaar van hebben kunnen afzien het boek aan hun leerlingen voor te schrijven. Blijkens de verkoopcijfers deden zij dat maar in beperkte mate. Nadere bespreking krijgt nu eerst de vraag welke uitwerking de protesten in de beide dagbladen hebben gehad op de onderwijstijdschriften. Ofschoon ernstig gehinderd door het  betreurenswaardige feit dat alle recensies en aanverwante publicaties inzake oudere edities, waaronder die van Hauptperioden, door de directie van J.B.Wolters in verband met ruimteproblemen en onderschatting van hun historische waarde omstreeks 1960 zijn vernietigd, kunnen we op grond van onze speurtocht naar ‘bronnen’ toch vaststellen dat over de respons weinig valt te pochen, laat staan over het initiërend aan de orde stellen. Zelfs Levende Talen, het vakblad van leraren werkzaam in het moderne-talenonderwijs, ging geheel aan de affaire voorbij.

In het Weekblad van de Algemene Vereniging van leraren in het Middelbaar Onderwijs (AVMO) nam Jan P.Heyligers, ‘oud-voorzitter der vakvergadering van leraren in de Duitse taal’, het voor Verdenius op. Hij kon daarvan pas blijk geven nadat de redactie heen was over haar aarzeling tot plaatsing, die zij koesterde in verband met haar gedragslijn ‘debatten over buitenlandse staatkunde in het Weekblad te vermijden’. Over het ‘beruchte tabelletje in de aanhef van het gewraakte laatste hoofdstuk’ merkte Heyligers op, dat zo’n overzicht tot de opzet van het boek behoort, onder verwijzing naar een eerder hoofdstuk, waar ook de namen van Lassalle en Marx te vinden zijn. ‘Men moet het laatste hoofdstuk dus niet afzonderlijk maar in verband met het voorgaande beschouwen. (…). ‘Zie ik het goed,’ vervolgde Heyligers, ‘dan heeft de heer Verdenius door zijn eenzijdige beperking een duidelijk beeld willen geven van de letterkunde in het Derde Rijk, maar daardoor de schijn op zich geladen, als verheerlijkt hij de tegenwoordige regeringswijs. Wie hem kent, weet beter.’ Voor een verbod van Hauptperioden, waarop door Het Volk werd aangedrongen, bestond volgens hem geen reden. ‘En trouwens’, zo besloot Heyligers, ‘men moet  niet verbieden, men moet overtuigen’*12 – een aanbeveling die  de heer Verdenius bij de behandeling van de Duitse literatuur van de jaren dertig in de context van de geestelijke terreur, en erger, van het nazi-regime goed van pas zou zijn gekomen…

Een pittige reactie bleef niet uit. Nog eenmaal streek de redactie met de hand over het hart door in het volgende nummer plaats in te ruimen voor G.van Liere. Deze vond dat het bewuste hoofdstuk in zijn lyrische beschrijving veel te ver ging en dat de auteur de indruk wekte de ‘sentimentele rhetoriek’ tot het instrument van zijn eigen opvattingen te hebben gemaakt. Het is daardoor een ‘hooggestemde idylle’ geworden, waarvan een zodanige suggestieve invloed uitgaat dat het boek voor onze scholen onbruikbaar is geworden. ‘De idylle, die de heer Verdenius beschrijft, heeft een keerzijde, ook in de literatuur. Die keerzijde is de hel, waarvan de emigrantenliteratuur getuigt.’*13 Deze reactie uit kringen van het onderwijs bleef helaas in haar afwijzende strekking een uitzondering.

In De Weegschaal. Maandblad voor de vrienden van het Duitsche boek, met prof.dr.J.van Dam als secretaris der redactie, werden in een met ‘v.D.’ ondertekende bespreking de emigranten niet gemist, en wat zoëven ‘rhetoriek’ en ‘idylle’ heette, wordt hier omschreven als de ‘volkomen zakelijke vorm’ waarin de hoofdtendenties en hoofdvertegenwoordigers der in Duitsland geproduceerde letterkunde worden genoemd. Over het geruchtmakende laatste hoofdstuk is, zo oordeelt ‘v.D.’,*14 ‘volkomen te onrecht een relletje ontstaan’. Deze opinie van de latere secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming en voorzitter van de ‘Commissie van voorlichting voor leerboeken’ tijdens de Duitse bezetting, springt achteraf bezien minder in het oog dan het feit dat niemand van de andere redactieleden en vaste medewerkers, onder wie prominente auteurs en wetenschapsmensen, zich in een van de volgende afleveringen van Van Dam’s oordeel heeft gedistantieerd.

Ten slotte kreeg de heer Verdenius nog de steun van dr.G.G.van den Andel, auteur van onder meer een bij P.Noordhoff te Groningen verschenen leermethode Duits met de titel Germania  (1933-1935). Deze uitte in een ingezonden bijdrage in Het Vaderland zijn grieven over het artikel van Ter Braak, inzoverre deze, zijns inziens ten onrechte, ‘een blaam heeft geworpen op het boek en op den schrijver, die te enenmale onverdiend is niet alleen, maar in een ernstige kritiek niet te pas komt.’ Met de onmiddellijk daarop aansluitende weerlegging van dit stuk bleek Ter Braak in een ijzersterk, uitvoerig ‘naschrift’ geen enkele moeite te hebben.*15

Verdenius en het college van curatoren   
Het lijkt na dit alles niet misplaatst na te gaan in hoeverre de heer Verdenius, rector van het gemeentelijk lyceum ‘Stokroosplein’ te Den Haag, zich tegen de gerezen kritiek verweerde dan wel geneigd was eraan toe te geven. De notulen van de vergadering van het college van curatoren der gemeentelijke lycea van 23 februari 1938 verschaffen daarin, naast de correspondentie met J.B.Wolters, enig inzicht. De uiteenzetting die Verdenius in dit college gaf werd voorafgegaan door een discussie onder de curatoren, waaruit blijkt dat vijf van de acht aanwezigen op dat moment niet wensten te besluiten tot het weren van het boek op de boekenlijsten van de gemeentelijke lycea. Tot de drie overigen behoorde ds.W.S.Wiardi Beckman, remonstrants predikante, de jongere zuster van de politiek hoofdredacteur van Het Volk. Deze laatste was, eveneens nog in 1937, tot lid van de Eerste Kamer gekozen, wat hun persoonlijk contact uiteraard vergemakkelijkte, en dit, gevoegd bij het feit dat Wiardi Beckman, blijkens de mededeling van een van zijn dochters, met zijn zuster Wil toch al een zeer hechte band onderhield*16, maakt het waarschijnlijk dat ds.Wiardi Beckman haar standpunt eerst kenbaar heeft gemaakt aan haar broer, die in samenspraak met haar tot zijn artikel in Het Volk zal zijn gekomen, haar in haar opvatting bevestigend.

Eveneens ervan overtuigd dat het boek niet in de school thuishoorde betoonde zich Z.Stokvis, die zelf in ons land en in Nederlands-Indië verschillende functies in het onderwijs had bekleed; onder andere was hij ginds directeur van een hbs, hier onder meer auteur van een brochure getiteld Het fascisme en de school, waarin de indoctrinatie van het Duitse onderwijs waarschuwend werd beschreven*17. Reeds enkele dagen voor de vergadering had hij in de onderwijscommissie van de Haagse gemeenteraad, waarin hij sedert 1931 voor de SDAP zitting had, de herdruk van Hauptperioden  ter sprake gebracht*18. Nu wees hij er opnieuw met klem op, dat het niet aanging wél de volledige zetelverlies- en winstrekening van de NSDAP tot de ‘wichtige Daten aus den letzten Jahrzehnten’ te rekenen, maar te zwijgen over de vervolgingen, de concentratiekampen, de boekenverbrandingen, het om zeep brengen van de vrijheid van meningsuiting, de gelijkschakeling van de pers. En zou het dus op z’n minst niet voor de hand liggen althans de verklaring te geven van het bestaan van een emigrantenliteratuur: waarom emigreerde er eigenlijk zoveel literaire kwaliteit naar het buitenland?

Mr.T.A.van Dijken, lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), stelde in de discussie weliswaar dat ‘men niet kan ontkennen, dat de schrijver van deze bladzijden waardeering heeft voor de tegenwoordige richting in Duitschland’, maar hij zei te vertrouwen op compensatie door de docent en achtte het boek daardoor niet onbruikbaar.

De heer Verdenius bleek niet onder de indruk van de tegen hem ingebrachte kritiek van enkele curatoren. Wat de ‘belangrijke data’ betreft verklaarde hij, slechts die jaartallen te hebben willen geven die hij voor elke periode van belang achtte, dat wil zeggen de meest karakteristieke. (!, JdG) Over het weglaten van de emigranten merkte hij op: ‘Deze schrijvers kunnen niet beschouwd worden als vertegenwoordigers van de specifiek Duitsche literatuur, te meer omdat zij allen in meerdere of mindere mate de invloed hebben ondergaan van de landen, waarheen zij zijn uitgeweken.’ De notulen vervolgen: ‘De heer Verdenius heeft veel contact met Duitschland en heeft z.i. de opvattingen, die tegenwoordig in Duitschland leven, vrij goed weergegeven. Als hij met te veel warmte over deze periode geschreven heeft, dan komt dat deels door een gevoel van rechtvaardigheid, deels ook, omdat hij sympathie gevoelt voor de leidende gedachte, dat iedereen zich deel van de gemeenschap moet voelen en daarvoor moet werken, een gedachte, die hij ook steeds op zijn school propageert. (…). Spreker is zich niet bewust iets gedaan te hebben, dat onwetenschappelijk is of politiek verkeerd. De “perscampagne” heeft hem zeer onaangenaam getroffen.’

Op grond van dit betoog, dat hier in essentie is weergegeven zoals het werd genotuleerd, werd, na voortgezette discussie in de eerstvolgende niet door Verdenius bijgewoonde vergadering van 3 maart, geconcludeerd, dat ‘het eenige, wat curatoren nu zouden kunnen doen is te adviseeren in den loopenden cursus het boek te verbieden en vervolgens onze goedkeuring aan de a.s. boekenlijst te weigeren, als het boek daar weer op voorkomt.’ Nadat mr.B.C.Slotemaker er nog op had aangedrongen ‘dat curatoren zullen trachten de goede naam van den Heer Verdenius, die door de perscampagne geleden heeft, te herstellen’, werd de vraag ‘nu adviseren te verbieden’ met zeven tegen twee stemmen ontkennend beantwoord, waarna met algemene stemmen werd besloten voor de cursus 1938-’39 opnieuw te beslissen.*19 B&W kregen een dienovereenkomstig advies.

Th.A.Verdenius   
Wie was nu de man die nog in 1938 zó onder de bekoring kon zijn van bepaalde kenmerken van het nationaal-socialisme, dat hij, met volstrekt voorbijgaan aan alle kwalijke ontwikkelingen in ons nabuurland zelfs nadat hem daarop nadrukkelijk gewezen was, nog dacht te moeten spreken van ‘gevoel van rechtvaardigheid’, met een verwijzing  naar zijn streven om van zijn school een ‘gemeenschap’ te maken?*20

Thomas Andreas Verdenius werd geboren te Drachten in 1874. Ook verschillende van zijn voorouders waren reeds in het onderwijs werkzaam geweest. Hij behaalde aan de Rijkskweekschool te Groningen de onderwijzersacte en volgde daarna de ‘lange weg’ van diverse L.O.-acten via M.O.-A Duits en M.O.-B Duits naar het doctoraal examen in de Germaanse letteren, dat hij in 1922 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht aflegde. Na aan verschillende scholen leraar te zijn geweest*21, werd hij in 1921 directeur van de vierde hbs met vijf-jarige cursus te Den Haag, en toen deze school enkele jaren later in een lyceum werd omgezet werd hij tot rector daarvan benoemd. Verdenius was een der oprichters en lange tijd voorzitter van de te Den Haag gevestigde Vereeniging ‘Moderne Talen’, waaruit in 1932 de stichting ‘School voor Taal- en Letterkunde’ is voortgekomen. Gedurende de jaren dertig was hij mede-bestuurder van de Annette von Droste Verein te Münster, ‘de dichteres die hem wel het liefste was’, zoals zijn oud-leerling J.H.Schouten na Verdenius’ overlijden in 1959 memoreerde.*22 Reeds in 1913 verscheen van hem en zijn vriend B.E.Bouwman bij J.B.Wolters Deutsche Literaturgeschichte, een omvangrijk werk, dat later in twee delen werd gesplitst. Hauptperioden is als een daarvan afgeleide vereenvoudigde versie te beschouwen. Samen met zijn vijf jaar jongere broer –men sprak van de ‘oude’ en de ‘jonge’ Verdenius- stelde hij bovendien onder meer een Duitse leercursus samen, eveneens bij J.B.Wolters uitgegeven. Sommige van deze uitgaven, Hauptperioden herzien door J.H.Schouten, zouden tot in de jaren zeventig leverbaar blijven.

In de artikelen in Het Vaderland bij zijn afscheid als rector aan het einde van het schooljaar 1938-’39 en in de correspondentie met J.B.Wolters’ Uitgeversmaatschappij N.V., in het bijzonder met haar directeur dr.A.M.H.Schepman, deed de heer Verdenius zich kennen als een man die -verstokte vrijgezel- geheel met ‘zijn’ school was vergroeid en die, als een waarneembaar teken van deze symbiose, lange dagen op het Stokroosplein placht door te brengen, met klaarblijkelijke voorliefde voor een geruisloos mechanisme al die zaken regelend die in een grote school goed kunnen gaan, maar ook verkeerd. Het moest alles áf zijn, en het wás af. ‘Zoo arbeidt slechts, wie in zijn werk de vervulling van zijn leven vindt.’ Geroemd werden zijn gestrengheid en ernst, gepaard als die gingen met grote toewijding en onbaatzuchtige belangenbehartiging van ‘alles en iedereen’ met betrekking tot de school. Die tot een waarachtige ‘gemeenschap’ te vormen, in een hechte band met leraren en leerlingen beide, was zijn streven, waarvoor alom waardering bestond door ‘den weldoenden, stalenden*23 invloed, die allen van den heer Verdenius hebben ondergaan’*24

De stap naar Bordewijks Bint is ongetwijfeld te groot, de vergelijking gaat maar ten dele op, maar men ontkomt toch niet geheel aan de indruk, dat de keerzijde van de zozeer geprezen absolute dienstbaarheid aan de school gelegen heeft in de constatering: ‘Verdenius maakte een model-inrichting van het eerste gemeentelijk lyceum.’ Het waren de zeker positief bedoelde maar ook minder positief te duiden woorden van de wethouder van Onderwijs*25, toen hij de scheidende rector de hoogste onderscheiding, de grote gouden gedenkpenning der gemeente, overhandigde.

Mogelijke verklaringen aan auteurszijde
Hoe was het nu mogelijk dat de heer Verdenius zo evident de ogen kon sluiten voor het inferieure karakter van de voor hem gemakkelijk te signaleren uitspraken van binnen het Duitse systeem dominerende auteurs als de overtuigde nationaal-socialisten Johst, Vesper, Blunck, Grimm, Kolbenheyer, en anderen?

Er zij herinnerd aan het vermoeden van Ter Braak dat Verdenius, ofschoon geen nationaal-socialist, maar politiek-naïef vóór alles behoefte hebbend aan ongecompliceerde catalogisering van de onvoldoende door hem beheerste materie, gemakshalve ‘feiten’ uit dubieuze bronnen had overgenomen. Vóór die veronderstelling pleitte ook, aldus Ter Braak, dat de heer Verdenius niet eens een poging had gewaagd de voor Nederlandse leerlingen vrij onbegrijpelijke nazi-termen te interpreteren. Onderzoek naar de mogelijke gegrondheid van de hypothese, dat Verdenius vanuit dit uitgangspunt de ‘dupe’ was geworden van zijn bron(nen) en niet in staat of niet bereid was geweest zich van meer dan één kant te documenteren, levert inderdaad enkele indicaties op die daaraan steun kunnen geven.

Vergelijkt men de stijl van het hoofdstuk over de ‘jüngste Entwicklung der deutschen Literatur’ met de soortgelijke, tot de teksten inleidende, beschouwingen van vroegere literaire perioden, dan is er een direct in het oog springend verschil te zien. De eerdere: geschreven in brede, evenwichtige, beheerste toonzetting, verwant aan de waardigheid in Verdenius’ brieven aan J.B.Wolters; het recentelijk toegevoegde daarentegen: vol met driftige staccato-zinnetjes, geëxalteerde aanprijzingen van ‘Blut und Boden’, ‘völkische Gemeinschaft’, enzovoort, niet door een eigen houding van de schrijver gerelativeerd in de stijl waarmee hij zich eerder had doen kennen. Verder viel mij de afwijkende typografie op, zoals het veel royalere gebruik van, mogelijk uit de ‘bron’ afkomstig, cursief, dat -bij de in die dagen geringe harmoniserende bureauredactionele capaciteit ter uitgeverij- de kans kreeg het op zichzelf staande afwijkende karakter van het laatste hoofdstuk nog eens te onderstrepen. De acceptatie daarvan bij J.B.Wolters kan overigens ook te maken hebben gehad met de eis tot spoed, die ook in de briefwisseling tussen auteur en uitgever al had doorgeklonken.

Deze ‘uiterlijke’ discrepanties worden evenwel in bewijskracht overtroffen door het feit dat in de tekst passages voorkomen die, in Deutsche Literatur enkele keren mét, maar in Hauptperioden geheel zónder bronvermelding*28, blijken te zijn ontleend aan Albert Soergel, Dichtung und Dichter der Zeit (Leipzig, 1934)*29, een van de in de jaren dertig toonaangevende werken, opgedragen als het is aan S.S.Gruppenführer ‘Hanns Johst dem Deutschen’, ‘diesem so aus innerster Seele an Deutschland Gläubigen’ en waarvan het ‘Vorwort’ gedateerd is: ‘(…) in der zweiten Novemberwoche 1933, da unser Führer alle Deutschen zur Sammlung rief.’*30 Zo kondigde zich op de eerste bladzijden reeds aan wat men van dit boek te verwachten had, en inderdaad te lezen kreeg. Behalve deels ontleend aan is het gehele laatste hoofdstuk van Hauptperioden ‘dem Geiste nach’ doortrokken van Soergel. Ter Braak had het bij het rechte eind toen hij een dubieuze bron veronderstelde.

Dit te constateren is uiteraard niet hetzelfde als het te verontschuldigen. Het moet voor de heer Verdenius immers alleen al wegens zijn geregelde bezoeken aan Münster als bestuurslid van de Annette von Droste Verein, en de daarmee gepaard gaande contacten, geen grote opgave zijn geweest de eenzijdigheid van zijn bron te doorzien, temeer omdat de nazi’s zich inmiddels ook reeds van deze dichteres meester hadden gemaakt. Men vraagt zich in gemoede af hoe het hem kan zijn ontgaan dat ‘die Kulturstellen der NSDAP sich neuerdings die Aufgabe gestellt haben, die Droste in weiteren Volksschichten bekannt zu machen (…) als Dichterin des Volkes, als Dichterin von Blut und Boden’*31. Dat lot viel overigens niet alleen ‘die Droste’ ten deel, de ‘Kulturstellen’ annexeerden, opportunistisch-selectief, ook andere schrijvers uit het literaire verleden, hen alsnog als ‘nationaal-socialistisch’ etiketterend voorzover ze achteraf in termen van nazi-ideologie herwaardeerbaar bleken te zijn.  

Een tweede veronderstelling ten aanzien van de tekst zelf is gericht op een dichterbij huis gelegen lokatie. Aan het gemeentelijk lyceum ‘Stokroosplein’ was als leraar Duits dr.D.G.Noordijk verbonden*32, tevens docent aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde. Noordijk, onder de bekoring van het nationaal-socialisme gekomen -dat hij ‘toegepast christendom’ noemde- was sympathiserend lid van de NSB, waarvan zijn oudste zoon, doctorandus in het Duits en ambtenaar op het  departement van Volksvoorlichting en Kunsten, een fanatiek aanhanger was. In 1941 werd Noordijk senior als ‘inspecteur voor het onderwijs in algemene dienst’ verbonden aan het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, waarvan de Amsterdamse hoogleraar dr.J.van Dam, die hij als vakgenoot goed kende, zoals eerder gezegd secretaris-generaal was, en in die kwaliteit onder meer voorzitter van de commissie die als taak had gekregen de schoolboeken te laten ‘saneren’, dus te ontdoen van de Duitsers niet welgevallige zaken en personen.*33 We gaan hier voorbij aan de vraag wat deze commissie-Van Dam voor Hauptperioden heeft betekend*34, om terug te keren tot de persoon van de heer Noordijk. Hoewel minder tot schipperen geneigd dan Van Dam in hun bemoeienissen met benoeming en ontslag van docenten en onderwijsinspecteurs, werd hij, behalve een voortreffelijk leraar, naar mededelingen van zijn collega-proximus aan de School voor Taal-en Letterkunde, J.H.Schouten, een vriendelijk en goedhartig man genoemd*36. Het is niet uit te sluiten dat Verdenius, in tijdnood geraakt, op een van zijn docenten een ‘collegiaal’ beroep heeft gedaan bij de voorbereiding van de vijfde druk, al kan men zich een gelukkiger keus voorstellen. Deze reconstructie hoeft misschien niet al te speculatief te heten als daarbij de derde druk van Hauptperioden wordt betrokken, waaraan dr.Noordijk blijkens het voorbericht van 1932 reeds had meegewerkt. Over de vraag welke omvang zijn eventuele medewerking aan de vijfde druk kan hebben aangenomen kan men slechts blijven gissen, evenals over de niet uit te sluiten bemoeienis van de doctorandus/ambtenaar. In alle gevallen tast het de verantwoordelijkheid van de heer Verdenius uiteraard niet aan.

Mogelijke verklaringen aan uitgeverszijde

De rol van de uitgeverij is in dit relaas tot nu toe nog slechts weinig aan de orde geweest. Toch kan en mag ook de betrokkenheid van J.B.Wolters in dezen niet over het hoofd worden gezien, waar dr.Schepman Verdenius’ contactpersoon was als het beleidsaangelegenheden ten aanzien van diens boeken betrof.

Anthony Marius Hendrik Schepman werd in 1890 te Rhoon bij Rotterdam geboren, waar hij het Erasmiaans Gymnasium doorliep. Van 1909-1912 studeerde hij te Amsterdam en te Utrecht, het antwoord op de vraag waarin houdt de lezer nog even tegoed. Schepman –omdat ik acht jaar onder deze respectabele zwaargewicht gewerkt heb, en niet tot mijn nadeel, kost het mij zowaar nú nog moeite hem niet met meneer Schepman aan te duiden- Schepman dus werd in 1917 tot directeur van J.B.Wolters benoemd en promoveerde cum laude in 1918. Het is niet overdreven te zeggen, dat hij tussen de beide wereldoorlogen, en overigens ook nog in de jaren veertig en vijftig, in een gelukkige combinatie van koopmanschap en eruditie in belangrijke mate het gezicht van deze, mij nog steeds dierbare, Groningse uitgeverij heeft bepaald. Weliswaar vond over algemene beleidsbeslissingen, en ook nog wel over zaken die we nu van lagere orde zouden noemen, nauw overleg plaats met mr.F.R.ter Horst, zoon van J.B.Wolters’ zwager E.B.ter Horst sr., als commissaris sedert 1909 sterk bij de uitgeverij betrokken, en sinds 1915 kantoor houdende in Den Haag.*37 De fondsopbouw en de met dat beleid verband houdende contacten met de auteurs waren echter goeddeels over de hele breedte dr.Schepman’s werk. Daarnaast vervulde hij vele andere functies, onder meer die van voorzitter van de Nederlandsche Uitgeversbond van 1938 tot 1948. In het Groningse muziekleven speelde hij lange tijd in figuurlijke zin de eerste viool. Zó breed gespreid waren zijn diepgaande kennis van en inzicht in wetenschappelijke, culturele en maatschappelijke ontwikkelingen, dat een auteur/historicus, zijn mening baserend op correspondentie en gesprekken, jarenlang in de vaste overtuiging had verkeerd met een vakgenoot te maken te hebben. Twijfel daaraan werd gewekt toen een bekend auteur op geografisch terrein en een befaamd neerlandicus hem elk voor zich tot hún vakgroep dachten te kunnen rekenen – totdat na determinatie aan het licht kwam dat dr.Schepman bij de biologen diende te worden ingedeeld*38.

Het feit van dit ‘zeldzaam wijd weten’*39 van deze mercator sapiens  -zonder twijfel de grootste onder de directeuren van J.B.Wolters én Wolters-Noordhoff in de twintigste eeuw- is voor ons onderzoekje in zoverre van belang, dat op grond daarvan mag worden aangenomen dat de eenzijdigheid van Verdenius’ handelwijze hem niet kan zijn ontgaan. Anders dan tegenwoordig het geval zou zijn geweest, nu de directie als gevolg van een steeds verder voortgeschreden functiedifferentiatie niet tot nauwelijks nog enige band met auteurs onderhoudt  –tot schade van hun voor adequaat functioneren noodzakelijke geïnvolveerdheid- heeft de herdrukkopij van Hauptperioden gedurende de route die dit materiaal in uitgeverij en drukkerij placht af te leggen -gegeven de interne verhoudingen en bevoegdheden- welhaast zeker het bureau van de directeur gepasseerd. Speculerend over de vraag waarom dr.Schepman de vijfde druk in deze versie dan niet heeft geblokkeerd, dienen we in het oog te houden dat de schoolboekauteurs een veel autonomere positie werd gelaten, althans dat zij aanzienlijk minder door de uitgeverij als inhoudelijke ‘mede-speler’ werden begeleid dan thans het geval pleegt te zijn. Bovendien had men haast: het nieuwe schooljaar stond voor de deur en de vierde druk, door de eerdere drie met onderlinge afstand van slechts één jaar voorafgegaan, was al eens ongewijzigd bijgedrukt. Zou nóg eens als vierde druk bijdrukken commercieel niet onverstandig zijn? ‘Maar laten passeren’ zou door niet-onwelwillenden geplaatst kunnen worden in de aloude traditie, dat er in het fonds van J.B.Wolters plaats moest zijn voor auteurs met opvattingen van uiteenlopende aard. Was niet zowel Ph.Kohnstamm’s brochure uit 1934, Democratie, dictatuur en opvoeding als J.H.Gunning’s publicatie Paedagogische spanningen in dezen tijd (1935), voorbeelden uit een lange reeks, bij J.B.Wolters verschenen? Beiden wezen het nationaal-socialisme zeer principieel en met grote beslistheid af. Zelfs niet-wetenschappelijke en niet-schooluitgaven als de twee forse delen met, hier niet inhoudelijk te kwalificeren, levensherinneringen van de Groninger J.H.Schaper, mede-oprichter van de SDAP, konden in de jaren dertig bij Wolters verschijnen. Bekrompen kon men het uitgeefbeleid dus zeker niet noemen.

Wanneer we ons verder in de situatie trachten te verplaatsen, lijkt een andere overweging de moeite van het beschouwen waard. Reeds aan de negende druk van Deutsche Literaturgeschichte, zweiter Band, van 1935, had de heer Verdenius, direct na het overlijden van zijn mede-auteur, een ‘Anhang’ over de literatuur in het Derde Rijk toegevoegd. Alle kritiek die later tegen Hauptperioden zou worden ingebracht zou al ten aanzien van déze ‘Anhang’ mogelijk zijn geweest: het hoofdstuk bevat lyrische beschouwingen over ‘geschlossene völkische Gemeinschaft, die vor nunmehr zweieinhalb Jahren von der Mehrzahl des deutschen Volkes mit Begeisterung begrüsst wurde, u.E. keineswegs zu betrachten als ein bloss mit politischen und demagogischen Künsten erschwindelter Erfolg einer politischen Partei (…).’*40 Ook het door Het Volk geciteerde gedicht ‘Der Führer’ is hier al te vinden, temidden van ander werk van weinig verheffende aard, dat de gehele ‘Anhang’ vult, aangezien ‘wir uns auf diejenigen literarischen Erzeugnisse beschränken wollen, die im Dritten Reich gedruckt und verbreitet werden dürfen.’ Geen woord over het ‘waarom’ van deze beperking en van dit verbod, - ook toen al niet.*41

Wanneer dan de Nieuwe Rotterdamsche Courant niet verder komt dan de kale constatering: ‘Een Anhang, 35 bladzijden druks, behandelt de nieuwe stroomingen in de Duitsche letteren der laatste vijftien jaar, met brokken lectuur ter verduidelijking,’*42 terwijl dit dagblad in de jaren dertig bepaald niet achteraan liep in de afwijzing van het nationaal-socialisme*43; wanneer voorts in het lerarenvakblad Levende Talen over deze eerdere ‘Anhang’ onweersproken wordt opgemerkt: ‘Voor leeraren en belangstellende leerlingen zeer zeker een waardevolle uitbreiding van het boek. Ik zou den heeren Bouwman en Verdenius dankbaar zijn, wanneer ze ook hun Hauptperioden een dergelijken Anhang toevoegden’*44 – dan valt bij dit soort complimenten en ‘aanbevelingen’ moeilijk te loochenen dat de dreiging van het naderende gevaar, twee jaar na de ‘Machtsübernahme’ in Duitsland, nog niet tot brede lagen van de Nederlandse samenleving was doorgedrongen. Zelfs enkele jaren later meende de directie van J.B.Wolters dat het met de kritiek op Hauptperioden niet zo’n vaart zou lopen. En zonder de kritiek van Ter Braak en Wiardi Beckman zou men daar warempel nog gelijk in hebben gekregen ook…

Het zal voor dr.Schepman, ten slotte, ook niet onopgemerkt zijn gebleven dat in Geschichte der deutschen Literatur, het bekende handboek van prof.dr.Th.C.van Stockum en prof.dr.J.van Dam, ja, dezelfde, (Groningen, J.B.Wolters, 1935) eveneens over ‘Die Dichtung des Dritten Reiches’ zowel op opmerkelijk tendentieuze wijze, zij het met minder ‘tastbare geestdrift’*45 dan bij Verdenius, over de ‘Blut-und-Boden’-literatuur was geschreven als over de emigrantenliteratuur nagenoeg gezwegen*46. Bij zijn verdediging in de vergadering van het college van curatoren had de heer Verdenius dan ook niet nagelaten zich tactisch mede met behulp van dit gezaghebbende werk te rechtvaardigen.

Wellicht door dit alles heeft ook dr.Schepman niet voorzien, dat ‘de firma’ door de gedragslijn van Verdenius zo in opspraak zou geraken als weldra het geval zou zijn. Een principiëler houding zou de uitgever gesierd hebben.   

De voorlopige en de echte oplossing
Zowel J.B.Wolters als de heer Verdenius zag uiteraard in, dat er een oplossing voor het gerezen probleem moest komen. In een meer pragmatische dan fundamentele poging alle belangen te ontzien besluit men, op initiatief van de heer Verdenius, aan de bezwaren tegemoet te komen door het laatste hoofdstuk van het overige werk te scheiden en beide delen ook afzonderlijk verkrijgbaar te stellen: het boek à f 3,90 ingenaaid, f 4,40 gebonden, de ‘Anhang’ à f 0,40. Leerlingen die al een complete vijfde druk in hun bezit hadden, werden in de gelegenheid gesteld deze zonder kosten hunnerzijds te ruilen tegen een exemplaar van de toch weer bijgedrukte vierde druk. In de circulaire aan de scholen lezen we verder: ‘Voor de gebruikers stellen we gaarne op aanvraag een present-exemplaar, met of zonder Anhang, (…) ter beschikking.’ Het is de enige zin uit het schrijven die niet uit de pen van Verdenius is gekomen. Hem komt het voor dat de oplossing van de splitsing ‘zakelijk bevredigend’ is, en, zo laat de heer Verdenius -onthutsend genoeg- weten, ‘mij toch niet dwingt, mijn artikel te verloochenen.’

Opnieuw zijn het dan Het Vaderland en Het Volk die in het geweer komen. Ter Braak oordeelt: ‘Hoewel men slechts met genoegen kan vernemen dat de uitgever gemeend heeft in dezen iets te moeten ondernemen, (…) lijkt mij de manier waarop zeer onbevredigend. Het gebaar van de firma Wolters bewijst, dat zij de gegrondheid der geoefende critiek erkent. (…). Anderzijds echter handhaaft zij het geïncrimineerde hoofdstuk, door het weliswaar niet per flesch, maar toch per glas te blijven verkoopen.’ Áls men dan maatregelen neemt, moeten die ook hout snijden, en dat doet deze ‘oplossing’ niet, want de vraag blíjft: ‘Moet het literatuuronderwijs in Nederland worden beïnvloed in puur nationaal-socialistische geest, of zal de humanistische geest worden gehandhaafd, die zich niet naar Adolf Hitler, maar naar de waarde van het literaire voortbrengsel richt?’*47 Het Volk sluit zich hierbij een dag later aan en noemt het middel erger dan de kwaal: ‘Er is slechts één aanvaardbare oplossing: het laatste hoofdstuk worde geschrapt zonder meer.’*48 Van dezelfde opvatting geeft dr.E.Dijk blijk in een brief aan J.B.Wolters (‘Maart 1938’): ‘Na wat de pers U te dezen geraden heeft, verbaast het mij, dat U het desbetreffende gedeelte van het boek niet kortweg vernietigd heeft. Maar een betreurenswaardige klein-hollandsche handelaarskoppigheid maakt de circulatie van dit werk, los of niet-los van het oorspronkelijke boek, nog steeds mogelijk. Ik hoop, ook uit naam van vele mijner collega’s, dat U de vernietiging van het desbetreffende gedeelte alsnog doet plaats hebben.*49

En dat is vervolgens waarvoor de heer Verdenius in een brief aan mr.F.R.ter Horst van 17 maart 1938 noodgedwongen kiest. ‘De politieke gebeurtenissen der laatste dagen hebben de zaak,’ zo schrijft hij, kennelijk doelend op de ‘Anschluss’ van Oostenrijk, ‘belangrijk verergerd en een kleine bijdrage tot kalmering kan ik nu misschien toch geven.’ Klinkt er een begin van twijfel door? Hij verzoekt de heer Ter Horst ‘Groningen de nodige instructies te geven’ en enkele dagen later verzendt ‘Groningen’, zich voegend naar de wens van de auteur, deze circulaire:

‘De heer Th.A.Verdenius zond ons een schrijven van de volgende inhoud:
“Omtrent inhoud en bedoeling van het laatste hoofdstuk der Hauptperioden der deutschen Literaturgeschichte 5de druk (Anhang) blijven onverminderd meningen voortbestaan, die er toe leiden mij voortdurend een politieke mening toe te dichten, die de mijne niet is. Op dezen grond gevoel ik mij genoopt, U te verzoeken den Anhang niet meer verkrijgbaar te stellen.”
In overeenstemming met dit verzoek delen wij U mede, dat wij de Anhang der Hauptperioden uit de handel nemen.’

Tot slot

Daarmee is het kortstondige leven van deze losse ‘Anhang’ ten einde. ‘Het spreekt vanzelf,’ schrijft de heer Verdenius afrondend aan zijn uitgever, ‘dat ik mij volkomen aansprakelijk gevoel voor de financiële schade, die de Firma Wolters door een en ander lijdt.’ Evenzeer spreekt het voor J.B.Wolters vanzelf, dat de firma van dit aanbod de kosten van deze affaire te dragen geen gebruik wenst te  maken.

Blijft de vraag hoe groot deze ’schade’ wel geweest kan zijn. Bezien we de omzetontwikkeling in verkochte aantallen van de vierde en de vijfde druk (met en zonder ‘Anhang’) die samen de jaren 1935 tot en met 1940 beslaan, dan valt op dat het debiet in deze gehele periode een constante lijn van circa 1200 exemplaren per jaar vertoont. Alleen in 1939 is er teruggang, maar in 1940 is het oude niveau al bijna weer bereikt. Het bleek in de bedrijfsgegevens van J.B.Wolters niet na te gaan  in hoeverre de losse ‘Anhang’  en het boek met ‘Anhang’ aftrek hebben gevonden; zichtbaar is slechts dat in 1938, 1939 en 1940 respectievelijk 433, 139 en 206 exemplaren van de bijgedrukte vierde druk zijn verkocht en dat de niet minder dan 553 in 1938 verzonden present-exemplaren van de vijfde druk niet tot een groter marktaandeel hebben geleid, exemplaren die er waarschijnlijk vooral toe hebben gediend de nieuwsgierigheid van de niet-gebruikers te bevredigen. Wat dat betreft was er gelukkig geen winst, maar evenmin grote schade, althans niet in financieel opzicht.

Moeilijker weegbaar, maar voor de reputatie van de uitgeverij niet van minder belang, zal het immateriële gezichtsverlies zijn geweest – maar in hoeverre en voor hoelang? Ook als het antwoord op deze vraag zou kunnen worden gevonden, zou een algemenere vraagstelling toch nog niet zonder betekenis hoeven te zijn: ging het hier slechts om een op zichzelf staand incident, of zou het de moeite lonen om vanuit een grotere historische en sociologische gezichtshoek na te gaan, hoe in de jaren dertig de voorkeuren van schoolboekauteurs, schoolboekuitgeverijen en docenten als schoolboekgebruikers eruit hebben gezien, waarop deze voorkeuren berustten en onder welke omstandigheden en voor hoelang sommigen in deze drie categorieën betrokkenen zich tot bepaalde aspecten van het nationaal-socialisme wellicht aangetrokken hebben gevoeld. Bij deze vraagstelling zouden idealiter alle toonaangevende uitgeverijen die zich in die jaren met schoolboeken bezighielden, met hun auteurs, betrokken moeten worden. Te beweren dat het onnodig is daarbij ook andere vakken dan het schoolvak Duits te betrekken, bijvoorbeeld geschiedenis, lijkt op voorhand niet verstandig.

De moraal van ‘Een zonderling leerboek van den heer Verdenius’  kan samengevat niet anders dan luiden: Als uitgeven méér is dan een handelsactiviteit die het ter wille van haar continuïteit nu eenmaal niet zonder winst kan stellen, maar daarenboven voldoende plaats dient in te ruimen voor de waarden die men wil vertegenwoordigen*50, dan laat de onderzochte en beschreven gang van zaken ten aanzien van Hauptperioden der deutschen Literaturgeschichte  de conclusie toe, dat dit criterium bij de eminente uitgeverij, die J.B.Wolters van 1836 tot 1968 onmiskenbaar is geweest, in dit geval zwaarder had kunnen en moeten meewegen.

Een eerdere versie van dit essay werd opgenomen in Bibliotheek, wetenschap en cultuur. Opstellen aangeboden aan mr.W.R.H.Koops bij zijn afscheid als bibliothecaris der Rijksuniversiteit te Groningen. Groningen, Universiteitsbibliotheek, 1990.

 

NOTEN
Voor de hulp die ik ondervond van de heren G.Steijger te Den Haag en dr.D.F.Koldijk te Brucht alsmede van Wolters-Noordhoff ben ik zeer erkentelijk.

  1. Geertje Marianne Naarden, Onze jeugd behoort de morgen. De geschiedenis van de AJC in oorlogstijd. Amsterdam, IISG, 1989, p.74.
  2. B.E.Bouwman und Th.A.Verdenius, Hauptperioden der deutschen Literaturgeschichte nebst Lesebuch. Fünfte Auflage. Groningen/Batavia, Wolters, 1937.
  3. Wel opgenomen in F.Bulhof (red.), Menno ter Braak, de artikelen over emigrantenliteratuur 1933-1940.’s-Gravenhage, Bzztôh, 1980, p.219.
  4. B.E.Bouwman und Th.A.Verdenius, Hauptperioden, p.393.
  5. ‘Es gibt eine mehr oder weniger begrenzte Menge von Wörtern, Redeweisen, Sinnkonzepten und Sprachlichen Bildern, die als typisch für die Nazi-Ideologie und die konkreten Auswirkungen des Nationalsozialismus gelten. Zu diesem Vokabular zählen etwa das Wort ‘Führer’, die Wendung ‘Blut und Boden’, das antisemitisch benutzte Adjektiv ‘völkisch’, aber auch Begriffe wie ‘Heimat’, VolksgemeinSchaft’ oder ‘Abendland’. Christoph Sauer, Deutschunterricht und NS-Besatzung. Bemerkungen zu Einem sprachlich-landeskundlichen Problem, am Beispiel der Niederlande. Voordracht op ‘Tagung Institut für Schulbuchforschung, Gummersbach, 21-23 oktober 1988.
  6. Menno ter Braak, Het Nationaal-socialisme als Rancuneleer. Assen, Van Gorcum, 1937, p.28.
  7. F.van Vree, De Nederlandse Pers en Duitsland 1930-1939. Groningen, Historische Uitgeverij, 1989, p.326.
  8. J.S.Wijne, Stuuf Wiardi Beckman. Amsterdam/Brussel, Rap, 1987, p.130-131.
  9. F.van Vree, De Nederlandse Pers en Duitsland 1930-1939.
  10. Gedicht van Ernst Egermann (Das Innere Reich) in Hauptperioden, p.446.
  11. Vooruit, het Haagse zusterblad van Het Volk, 11 februari 1938.
  12. J.P.Heyligers, ‘Het laatste hoofdstuk uit Hauptperioden der deutschen Literaturgeschichte van Th.A.Verdenius’, in: Weekblad van de AVMO, 1938, p.813-814.
  13. G.van Liere, ‘Hauptperioden’, in: Weekblad van de AVMO, 1938, p.838-839.
  14. J.van Dam, ‘Herdrukken van schoolboeken’, in: De Weegschaal, 5 (1938), p.37.
  15. G.G.van den Andel/ M.ter Braak, ‘Het boek van den heer Verdenius en het misverstand’, in: Het Vaderland, 14 maart 1938.
  16. J.S.Wijne, Stuuf Wiardi Beckman, p.9.
  17. Z.Stokvis, Het fascisme en de school. Amsterdam, Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), 1935.
  18. Notulen van de ‘vergadering der Commissie voor het onderwijs, gehouden op Maandag 21 Februari 1938,’ agendapunt 5c.
  19. In de notulen van de vergaderingen tot aan de aanvang van dat studiejaar is echter niets meer over deze kwestie te vinden.
  20. Mede met behulp van gegevens uit H.P.van den Aardweg (red.), Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, 1938, p.1513.
  21. Zeer vele jaren later getuigde de schrijver A.den Doolaard als oud-leerling van één van deze scholen: ‘Het was vooral de leraar Duits, die mij in literaire richting aanmoedigde. Hij heette Dr.Verdenius en gaf zeer degelijk literatuuronderwijs. Aan hem heb ik het te danken dat ik de complete Goethe en Schiller gelezen heb. (…). Voor Duits had ik op mijn eindexamen een tien. (…). Dr.Verdenius noemde ik al. Hij was een grote, zware, bierdrinkende man.’ In: Hans van de Waarsenburg, A.den Doolaard. Portret  van een kunstenaar. Amsterdam, Meulenhoff/Uniepers, 1982, p.13.
  22. J.H.Schouten, ‘Openingstoespraak bij het begin van het 45ste studiejaar van de School voor Taal- en Letterkunde te ’s-Gravenhage’, in: J.A.Huisman, Alliteratie in onze tijd. Groningen, Noordhoff, 1959, p.25.
  23. ‘De leerlingen op “Stokroos” noemden hem onderling wel Stalen Jezus of Verdommenis, een bewijs voor het gezag dat van hem uitging!’ (A.W.J.Meijer, ‘De Willem de Zwijgerlaan 60plus’, in: Jaarboek 1990. Geschiedkundige Vereniging ‘Die Haghe’ (niet in de handel). Kende de in noot 24 genoemde spreker deze eerstgenoemde bijnaam…?
  24. D.H.Prins, ‘Bij het heengaan van rector Verdenius’, in:Het Vaderland, 7 juli 1939 en ‘Rede op de Afscheidsbijeenkomst Th.A.Verdenius’, in: Het Vaderland, 16 juli 1939.
  25. C.L.van der Bilt, ‘Rede bij de huldiging van rector Th.A.Verdenius’, in: Het Vaderland, 15 juli 1939.
  26. J.Wulf, Literatur und Dichtung im Dritten Reich. Eine Dokumentation. Frankfurt am Main/Berlin, Ullstein, 1983.
  27. Bij het meervoudig onderwerp in deze zin zou men ‘eingehen’ verwachten. Aangezien ik alleen het werk van J.Wulf (met ‘eingeht’) tot mijn beschikking heb, kan ik niet nagaan wie deze fout gemaakt heeft.
  28. In Hauptperioden wordt slechts het bijschrift bij de foto van Friedrich Schnack op p.416 van de bron van herkomst voorzien: ‘Eine ganz seltene Kraft geht von diesen stillen Büchern aus: sie machen gläubig, gläubig an unsere Zeit, gläubig an unser Volk’ (Soergel).
  29. D.F.Koldijk, Het literatuurboek Duits voor scholen van het V.H. en M.O., HAVO en VWO in de periode van 1920 tot 1975. Geschiedenis, ontwikkeling en canonvorming. Diss. Universiteit van Amsterdam,‘ 1990, p.121.
  30. A.Soergel, Dichtung und Dichter der Zeit. Leipzig, Voigtländer, 1934, p.7.
  31. M.J.Hartsen, ‘Droste-Renaissance’, in: De Weegschaal 5 (1938), p.65-66.
  32. A.Bartels e.a. (red.), Jaarboekje van het Genootschap van Leraren aan Nederlandse Gymnasiën en van de Algemene Vereniging van Leraren bij het Middelbaar Onderwijs. Zwolle, Tjeenk Willink, 1937, p.143.
  33. Zie hierover uitvoerig in: Jan de Groot, Schoolboeken in bezettingstijd, een terugblik. Groningen, uitgave in eigen beheer, 1995.
  34. In het verlengde van dit essay over de vijfde druk van 1937 liggen de ‘faits et gestes’ van auteur en uitgever met betrekking tot Hauptperioden gedurende de Duitse bezetting. De documentatie betreffende de zesde druk van 1942 en de zevende van 1943 bood mij vooralsnog geen aanknopingspunten voor een overtuigend eerherstel van de geïnvolveerde personen. Het onderzoek en de beschrijving van deze episode in de geschiedenis van het boek maken een afzonderlijke verhandeling nodig.
  35. Over D.G.Noordijk zie: J.C.H.de Pater, Het schoolverzet 1940-1945. ‘-Gravenhage, Nijhoff, 1969, p.80 tot en met 91
  36. J.C.H.de Pater, Het schoolverzet 1940-1945, p.81.
  37. F.R.H.Smit, Boekjaar. Wolters-Noordhoff 1836-1986. Groningen, Wolters-Noordhoff, 1986, p.37, p.43.
  38. Bij het afscheid van dr.A.M.H.Schepman, Groningen, Wolters, 1958, p.8. Onder sommige personeelsleden heerste in hun relatie met hem een weinig ontspannen sfeer. In dit verband prof.dr.E.Visser: ‘Toch vindt hij de tijd om de belangen van de GOV en de Muziekvereniging te behartigen met een geduld, dat hem niet van nature eigen is.’
  39. Dr.J.Naarding, bij dezelfde gelegenheid.
  40. B.E.Bouwman und Th.A.Verdenius, Deutsche Literaturgeschichte nebst Lesebuch. Zweiter Band, neunte Auflage. Groningen/Batavia, Wolters, 1935, p.252 en p.293.
  41. Als de eerdere veronderstelling betreffende de eventuele medewerking van dr.D.G.Noordijk juist was, zou die gissing met deze druk van Deutsche Literaturgeschichte uitgebreid moeten worden.
  42. Ongedateerd citaat in: J.B.Wolters, Fondscatalogus. Mei 1938, p.59.
  43. F.van Vree, De Nederlandse Pers en Duitsland 1930-1939, p.346-347.
  44. J.Valeton in: Levende Talen, 1936, p.370.
  45. ‘En nog eens: eenzijdige voorlichting in een studieboek voor Duits’. (Over Van Stockum & Van Dam), in: Vooruit, 17 februari 1938.
  46. Th.C.van Stockum & J.van Dam, Geschichte der deutschen Literatur. Zweiter Band. Groningen, Wolters, 1935, p.301-306. Vgl. ook ‘Literaturangaben’ p.336, waar o.m. Soergel wordt vermeld.
  47. M.ter Braak, ‘Het boek van den heer Verdenius’, in: Het Vaderland, 1 maart 1938.
  48. ‘Het boek van Bouwman en Verdenius. Middel erger dan de kwaal?’, in: Het Volksblad (de Groningse editie van Het Volk), 2 maart 1938.
  49. Deze brief is vermoedelijk een mystificatie. In geen enkel Jaarboekje van leraren bij het voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs uit deze periode bleek een dr.E.Dijk te vinden, evenmin in oude telefoonboeken van Den Haag en omliggende gemeenten. Ook de heer Verdenius uitte in een brief aan J.B.Wolters al zijn twijfel: ‘… den zich noemenden Heer Dr.E.Dijk.’ Enkele andere, wat overspannen, zinnen uit de brief dragen overigens aan deze verdenking bij: ‘Men zou (…) bijna uit boosaardigheid willen wenschen, dat Groningen de eerste Nederlandsche provincie van het Derde Rijk werd, en de firma Wolters de staatsuitgeverij van het nationaal-socialisme.’ En als níet tot radicaal uit de handel nemen van ‘het desbetreffende gedeelte’ zou worden overgegaan: ‘…dan zal ik met mijn collega’s uit overwegingen van een oerhollandsche zindelijkheid een campagne beginnen voor uitroeiing van het schrijfsel,’ zo eindigt de brief, waarin enkele trefwoorden driftig zijn onderstreept. Was ‘dr.E.Dijk’ niemand minder dan Ter Braak zelf?
  50. J.de Groot, Schoolboeken tussen uitgeverij, onderwijs en overheid. Doctoraal-scriptie, Vakgroep Sociologie Rijksuniversiteit Groningen. Groningen, 1988, p.16-17, citaat S.Unseld, directeur Suhrkamp  Verlag, Frankfurt am Main.


{mospagebreak}
Wat Verdenius had kunnen en moeten weten: een vergelijking

HANNS JOHST, een van de ‘erfolgreichsten unter den Neuern. Auch ihm ist es besonders um sittliche Werte zu tun.’ (Hauptperioden, p.420).

HANNS JOHST, Präsident der Reichsschrifttumskammer und der Deutschen Akademie der Dichtung.
SS-Gruppenführer. Uit een brief aan Himmler, 9 november 1938: ‘Meine Religion heisst Deutschland, meine Konfession Ihre SS!’(J.Wulf, Literatur und Dichtung im Dritten Reich. Eine Dokumentation, p.15 en 174).*26

‘Näher an das Volkslied, an Mörike und Eichendorff erinnernd, schliesst sich WILL VESPER in seinen anspruchslosen Gedichten an.’ (Hauptperioden, p.422).
.
‘Am eifrigsten war WILL VESPER, der in der von ihm redigierten Zeitschrift Die Neue Literatur fast in jeder Nummer Verleger beschimpfte oder denunzierte. Er tat es beinah so oft, wie er eigene Gedichte auf Hitler ver-
öffentlichte, in deren Überschrift stets das Wort “Führer” enthalten war.’ (J.Wulf, Literatur im Dritten Reich. Eine Dokumentation, p.275).

‘Im Jahre 1931 wurde die Zeitschrift ‘Schöne Literatur’ –das war das lange von WILL VESPER redigierte völkisch orientierte Blatt des Avenarius-Verlages- in die sogenannte ‘Neue Literatur’ umgewandelt (…). Heft für Heft wurde hier arteigene Dichtung mit artfremder Literatur, völkisches Gedankengut mit den Thesen der Groszstadtjournale kontrastiert und immer wieder auf den Urheber der Misere, den Juden, hingewiesen.’ Walter Jens, ‘Literatur und Politik am Vorabend des Dritten Reiches’, in: Duitse Kroniek, XX, 3, p.90, september 1968.
 
WILL VESPER zelf: ‘Wenn ein deutsches Mädchen ein Verhältnis mit einem Juden hat, so werden beide wegen Rassenschande mit Recht verurteilt. Wenn ein deutscher Schriftsteller und ein deutscher Buchhändler ein Verhältnis mit jüdischen Verlegern eingeht*27 – ist das nicht eine weit schlimmere und gefährlichere Rassenschande?’. (Die Neue Literatur, Februar 1937, p.103-104). In: J.Wulf, Literatur und Dichtung im Dritten Reich. Eine Dokumentation, p.278.

VERDENIUS in Deutsche Literatur, zweiter Band, p.253: ‘Es liegt im deutschen Wesen, alles Geschehen ergründen und deuten zu wollen und dabei vor äussersten Konsequenzen nicht zurückzuschrecken.’

HEINRICH HEINE, Almansor, 1823: ‘Das war ein Vorspiel nur, dort wo man Bücher Verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen’.