Woordenboeken: hulp bij uw talenstudie

Bij een ieder die zich met de studie van talen bezighoudt, zal op een bepaald moment –en meestal vrij spoedig- de wens ontstaan, over een woordenboek of een aantal woordenboeken te beschikken. Ben je eenmaal tot het aanschaffen daarvan overgegaan, dan blijkt weldra dat dit hulpmiddel zijn geld waard was: het bevat een overvloed aan informatie, die geenszins aan belang inboet als je wat verder gevorderd raakt.

Woordenboeken: ze zijn er in soorten. Naar hun aard zijn ze direct al te verdelen in twee groepen, ééntalige en tweetalige. Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld Koenen en Van Dale, tot de tweede soort de reeksen Frans-Duits-Engels met wat minder spreekwoordelijk geworden namen, en verschenen bij een aantal  verschillende Nederlandse en Belgische uitgevers. Sommige firma’s hebben voorts nog woordenboeken voor Latijn en Grieks in hun fonds, die veelal gekenmerkt worden door ‘eenrichtingsverkeer’: uit de vreemde taal in het Nederlands. De andere talen hebben op praktische gronden meestal wel twee ‘ingangen’, soms in één band, soms in twee aparte delen uitgegeven.

Naar hun omvang is er nog een andere verdeling mogelijk. Ik doel hierbij op de categorie van zakwoordenboekjes, die weliswaar een nuttige functie kunnen vervullen, maar dan   ook niet het aantal woorden en nuances kunnen bieden dat de grotere woordenboeken bevatten. Ze zijn bruikbaar voor korte afstanden, zoals een fiets dat is in de binnenstad. Voor lange afstanden neme men de auto of de trein: het omvangrijker woordenboek.

Beperkingen

Proberen we nu, na deze bonte verscheidenheid, enkele gemeenschappelijke kenmerken van al deze woordenboeken te vinden, dan lijkt het raadzaam, uit te gaan van een aantal beperkingen die elke woordenboekmaker of –verzorger zich altijd voor ogen houdt. Anders gezegd: wat wil men dat het woordenboek niet is?

Het woordenboek is geen encyclopedie. Het is één van de stukken gereedschap die men voor het begrijpen en gebruiken van de taal nodig kan hebben; het is niet een werk dat een samenvatting geeft van de menselijke kennis op een bepaald ogenblik in de beschaving. Je zult er dus in principe bijvoorbeeld geen namen van aardrijkskundige plaatsen, met allerlei gegevens daarover, in vinden. Zo’n plaats wordt slechts dan in het woordenboek genoemd, als die plaats een functie in de taal heeft gekregen. Daarom staat de stad die niet met Aken op één dag werd gebouwd wél in een goed woordenboek van de Nederlandse taal – bovendien ook, omdat je kunt kijken of je het er hoort donderen: om taalkundige redenen dus, niet om ons aardrijkskundig nieuws te vertellen.

Het woordenboek is voor de meeste talenstudies geen gids op het gebied van taalvormen uit oudere perioden. Daarvoor bestaan andere, meer gespecialiseerde woordenboeken: Middelnederlandse, Oudfranse, enz. Ze bevatten al die woorden die, voorzover bekend, ooit hebben bestaan, maar hun vorm en/of betekenis voor de mens van nu geheel of gedeeltelijk verloren hebben. Wie studie van zo’n oudere periode wil maken heeft ze nodig. In de woordenboeken waarover wij in dit artikel spreken staat evenwel alleen datgene wat van belang kan zijn voor wie zich de taal van onze eigen tijd wil eigenmaken – en het is evident dat de praktische begrenzing daarvan nog moeilijk genoeg blijft.

Wanneer moet een oud woord uit het woordenboek worden verwijderd, wanneer moet een nieuw woord erin? ‘The nature of language is only to be understood if we take account of its functions in society’, zegt M.M.Lewis in Language and Society. Op grond van deze stelling mag het woordenboek worden geacht al die woorden te geven die, op welke manier dan ook, een functie in de samenleving van nu vervullen. Of trekken we ook daarmee de grenzen nog te ruim? In zekere zin wel, want:

Het gewone woordenboek biedt ons meestal niet veel meer dan de algemene taal. Alleen die namelijk bezit een zekere gebruiksfrequentie in het normale taalgebruik, al kan deze frequentie aanzienlijk variëren naar de leeftijd van de taalgebruiker, naar zijn/haar sociale positie en soms naar geografische herkomst. In het algemeen kunnen we echter stellen dat in het gewone woordenboek specialistische vakterminologie buiten beschouwing blijft. Ook daarvoor zijn speciale woordenboeken, bijvoorbeeld technische, die de specialist op een bepaald gebied zich naast de gewone woordenboeken wel zal aanschaffen, maar die buiten school en cursussen blijven.

Het woordenboek beperkt zich ook ten aanzien van de vraag waar het woord vandaan komt, hoe het is ontstaan. Daarmee is niet gezegd, dat het soms niet heel verrassend en leerzaam kan zijn om daarover meer te weten. Wie zich als doel heeft gesteld langs de kortste weg de taal-van-nu enigszins te beheersen, zal het aspect van de ontstaansgeschiedenis van de woorden voorlopig toch buiten beschouwing laten, tenzij het karakter van de acte waarvoor hij of zij studeert daarom uitdrukkelijk vraagt. Is dat het geval, dan zal men het zogenaamde etymologisch woordenboek ter hand moeten nemen, waarin de vraag naar de woordherkomst onderdak heeft gevonden.

Meer problemen

De woordenboekauteur heeft zich voorgenomen zich zoveel mogelijk aan deze vier beperkingen te houden. Is hij nu uit de problemen? Allerminst. Legio blijft het aantal puzzels waarvoor een oplossing moet worden gevonden. In de eerste plaats kondigt het ruimteprobleem zich aan: hoeveel woorden moeten opgenomen worden, hoe dik wordt het woordenboek daardoor en is het dan voor de beoogde doelgroep(en) nog tegen een redelijke prijs in de boekwinkels te krijgen? Het is duidelijk dat een woordenboek dat in hoofdzaak op scholen en bij cursussen wordt gebruikt, een zekere beperking niet kan ontberen. Maar beperking in hoeverre?

Een woordenboekauteurs moet in ieder geval telkens weloverwogen kiezen en zo precies mogelijk weten wat hij doet. We gaan er nu van uit dat hij besloten heeft een bepaald woord op te nemen. Laten we dan vervolgens eens de wijze nemen waarop een omschrijving van een woord gegeven dient te worden. Een allereerste voorwaarde waaraan zo’n omschrijving moet voldoen is, dat het te definiëren woord er zelf niet in voorkomt. Als woordenboekgebruiker ben je daarmee niet gebaat, omdat je er niets mee opschiet.

Evenmin heb je iets aan verwijzing van woord a naar woord b, en van woord b naar woord a, terwijl noch de betekenis van a noch die van b wordt gegeven. Hoe zal voorts de opbouw van een alinea zijn?  Stel dat een woord meer dan één betekenis heeft, zoals dikwijls voorkomt: bank, een meubel om op te zitten, en bank, een instelling voor geldzaken. Wat komt eerst, het concrete of het abstracte? Of moeten de woorden opgenomen worden in chronologische volgorde, dus het oudste vóór het jongste? Of naar de frequentie waarin de verschillende betekenissen voorkomen: de betekenis die het meest voorkomt voorop? Het laatste lijkt nog het meest praktisch. Maar hoe kom je aan de weet welke betekenis dan wel het meest voorkomt, en in hoeverre moeten de geschreven en de gesproken taal gelijkelijk meewegen? Na een kleine historische terugblik komen we op de vraag naar de frequentie straks terug.

Van gisteren naar morgen

De meeste wetenschappen hebben hun ‘vader’. Voor het woordenboekbedrijf, de lexicografie, staat Aristophanes als zodanig genoteerd. Hij leefde in de tweede eeuw vóór Christus en deed uit vaderlandslievende overwegingen lexicografisch werk. Inderdaad blijkt het ontstaan van een woordenboek niet zelden een belangrijk moment te zijn in de geschiedenis van een natie, als verzameling van mensen wier saamhorigheid is gegroeid en bevestigd in historische lotsverbondenheid. Gebrek daaraan en aan nationale eenheid en zelfstandigheid kan belemmerend werken op het totstandkomen van woordenboeken. Zo dateert het eerste Bulgaarse woordenboek pas van 1914.

Afgezien daarvan is er ook nog een duidelijk verband tussen de geschiedenis van de lexicografie en de vorderingen van de techniek. Pas toen de boekdrukkunst zich ver genoeg had ontwikkeld, konden de woordenboeken van Plantijn en Kiliaen ontstaan. Daarom is het niet overdreven te zeggen dat de boekdrukkunst een mijlpaal is geweest óók in de geschiedenis van de lexicografie. Een tweede mijlpaal zijn we intussen reeds gepasseerd: de automatisering ten dienst van de woordenboekmakerij.

Automatisering in de taalkunde

Ook voor de lexicografie betekent de computer een omwenteling die te vergelijken is met de uitvinding van de boekdrukkunst. Wat is er precies aan de gang?

Als voorbeeld van de mogelijkheden die de automatische verwerking van taalmateriaal opent, wordt hier in het kort beschreven waarmee men in Besançon  sedert een aantal jaren bezig is. Daar worden door sterke mechanisatie, die overigens arbeid door mensen niet geheel overbodig maakt, met onvoorstelbare nauwkeurigheid de resultaten van taalkundig onderzoek vastgelegd op 250 miljoen ponskaarten, die in zeer snel tempo door mechanische schifting op vele manieren kunnen worden gegroepeerd. Samen zullen ze een grootscheepse ‘trésor de la langue française’ gaan vormen. Men kan alle woorden die ooit in de Franse taal zijn gebruikt via klasseermachines rangschikken in alfabetische volgorde, in chronologische volgorde, naar woordsoorten, naar betekenisvelden, naar frequentie, kortom naar alle gegevens die in de kaart zijn geponst. Dat zijn er niet minder dan tachtig.

Het opzoeken van een bepaald woord uit een verzameling van een miljoen woorden kost slechts een duizendste seconde. Het staat wel vast dat de gebruikswaarde van zulk een woordenschat op ponskaart zeker in wetenschappelijk opzicht groter zal worden dan alle woordenboeken van een taal tesamen. De fiets die we in het begin van dit artikel noemden heeft hier de gedaante van een maanraket aangenomen. Hoe lang zal het nog duren eer wij ons interplanetair door het heelal van de talen kunnen voortbewegen?

Woordfrequentie

Intussen is het leerzaam, kennis te nemen van enkele resultaten van het onderzoek naar de woordfrequentie. Dat verschaft gegevens als de volgende:
  • de vijftien meest voorkomende woorden (lidwoorden, voorzetsels, voegwoorden: het ‘cement’ van de zinnen, deze laatste) maken een kwart uit van de totale woordenschat;
  • de honderd meest voorkomende woorden beslaan ongeveer zestig procent van welke tekst dan ook;
  • de meest frequent gebruikte woorden zijn tevens de kortste;
  • de meest gebruikte woorden zijn tevens de oudste.
Het ligt voor de hand dat de samenstellers van leerpakketten voor talenonderwijs zich de resultaten van dit soort uitkomsten in didactisch opzicht  zeer wel ten nutte kunnen maken, bijvoorbeeld door de meest gebruikte woorden het eerst te introduceren.

Van kwellingen en werkezels

De zestiende-eeuwse geleerde J.Scaliger heeft eens opgemerkt: ‘Heeft iemand het strengste vonnis verdiend, straf hem dan niet met dwangarbeid in het tuchthuis of in de mijnen; neen, laat hem woordenboeken schrijven, want alle mogelijke kwellingen zijn in dat ene werk begrepen’. Zal deze uitspraak ten slotte toch zijn actualiteit verliezen? Dan zou ook de curieuze karakterisering door de achttiende-eeuwse geleerde  Samuel Johnson, vermaard door zijn Dictionary of the English Language, nog minder serieus te worden opgevat. Vele jaren had hij met zes ‘klerken’ aan dit boek gewerkt, en dat bracht hem tot de typering van een lexicograaf als ‘a harmless drudge’ – hetgeen, zoals een bekend Engels woordenboek voor schoolgebruik ons leert, zoveel betekent als: ‘een onschadelijke werkezel’.

Automatisering of geen automatisering, ‘harmless drudges’ zullen wel niet gemist kunnen worden. Zij verdienen in hoge ere te worden gehouden. Zelf zullen zij wel zo wijs zijn –zoals een ieder behoort te wezen die bezig is met een grote taak, of die nu ligt binnen of buiten het gebied van de talenstudie- mét Mary Poppins de mening te delen dat

‘In every job that must be done,
There is an element of fun’.

Studium Generale. Informatief maandblad voor studie en beroepskeuze, september 1971

Bronnen

J.de Groot, Wolters’ woordenboeken (‘Ik Blijf Werken’, Personeelsorgaan van J.B.Wolters, Groningen, februari 1967)
L.Kukenheim, Van Glossarium tot Thesaurus (in: ‘Levende Talen’, 1960)
F.de Tollenaere, Automatisering in dienst van de taalkunde (in: ‘Taalonderzoek in deze tijd’, 1962)
L.Geschiere, Taalkunde en statistiek (in: ‘Het Franse Boek’, 1966)