Halbo Chr. Kool (1907-1968)

kool003 p01Het is een vloek voor kinderen om als ‘wonderkind’ door het leven te moeten gaan. Dat loopt vaak verkeerd af. Halbo Kool gold in zijn jonge jaren als zo’n ‘wonderkind’. Zijn eerste gedichtenbundel werd meteen de hemel ingeprezen, maar het bleef bij een ‘belofte voor de toekomst’, die niet waargemaakt werd.


Zijn bekendheid in onze kring ontleende hij aan enkele massa- en lekespelen: een vertaling van ‘De burgers van Calais’, ‘Rond het Eeuwige Vuur’ en ‘De Vogel Phoenix’, waarover zo dadelijk meer.

kool003 p02Halbo Chr.Kool werd 25 januari 1907 geboren in de stad Groningen, waar zijn ouders in de Stoeldraaiersstraat een dameshoedenwinkel hadden: ‘Maison Kool’. Nauwelijks twintig jaar, liet hij al z’n eerste gedichtenbundel verschijnen, ‘Toverformule’, de tweede, kort daarna, werd al minder goed ontvangen. Wel werd een gedicht van hem opgenomen in ‘Het Pierement’, in 1930 gedrukt bij niemand minder dan de drukker-kunstenaar H.N.Werkman. Na het gymnasium had Kool zich laten inschrijven aan de Groningse universiteit voor de studie Frans, die hij niet afmaakte.

Wel komt zijn naam nog enkele jaren voor in de Almanak van de studentenvereniging ‘Vindicat atque Polit’, maar intussen was hij in 1931 al naar Amsterdam verhuisd: Jozef Israëlskade 51A, later Vijzelstraat 85bv. Hij werkte er als kunstredacteur bij ‘Het Volk’ en bij de ‘Wereldomroep’. In die periode ontstond het spel ‘Rond het Eeuwige Vuur’ (1938), na de oorlog vermeerderd met ‘De Vogel Phoenix’(1948). Tijdens de oorlogsjaren verzorgde Halbo Kool samen met Jan H.de Groot en Han G. Hoekstra de samenstelling van het illegale ‘Vrij Nederlandsch Liedboek’ (1944, De Bezige Bij, bij de oprichting waarvan hij betrokken was).

Over Halbo Kool’s werkzaamheid voor de AJC worden we door Jan Meilof in zijn boek over het culturele werk goed geïnformeerd, zie de blz.424 en volgende, en op blz.436-437 over ‘De Vogel Phoenix’. Begonnen in Vierhouten, voert dit spel ons direct al naar het oude Egypte, en naar diepe gedachten over christendom, jodendom en humanisme, maar hoe alles nu precies in elkaar zat bleef voor velen toch wel wat raadselachtig. De dans van Arie Dooyes als vogel Phoenix maakte nog de meeste indruk, maar als je je alleen die dans herinnert is dat eigenlijk niet genoeg om Halbo’s creatie ten volle te waarderen.

De afdeling Groningen gebruikte als basis Halbo Kool’s vertaling uit de jaren dertig van ‘De burgers van Calais’ door Georg Kaiser. De eerste uitvoering vond plaats in december 1949 bij het dertigjarig bestaan van onze plaatselijke afdeling: zie de foto in Meilof blz. 433. De geheel bezette grote zaal van de oude ‘Harmonie’ (nu afgebroken) gevuld met de verzamelde Groningse ‘rode familie’: 1500 personen, een groot succes! Maar nog méér verguld waren we met de uitvoering in Hilversum, kort daarna, op het ‘Gildefeest’. Onder regie van Reint Woudstra kregen we daar een langdurig spontaan applaus (!) van de andere lekespelers. De indrukwekkende muziek van César Franck, ‘Le chasseur maudit’, had aan dat zo geslaagde optreden een extra lading meegegeven. Een onvergetelijke herinnering.

En dan natuurlijk nog het spel ‘Rond het Eeuwige Vuur’ van 1938, waarvoor Wim van Halm Halbo Kool’s opdrachtgever was, en waar wel geen nadere toelichting voor nodig zal zijn. ‘Prikkebeen’ gaat een verbond aan met ‘Waterdrager’, maar de vijanden van het vuur slagen er uiteraard niet in om het vuur te doven: ‘Het vuur dat niet wordt uitgebluscht’, zoals Koos Vorrink het vier jaar eerder al aan zijn gehoor had voorgehouden bij zijn afscheid. Knap werk van Halbo Kool dat hij het voor elkaar kreeg álle twaalf artikelen van de Rode Valken-/Trekvogelwet in het spel een zinvolle plaats te geven…

Maar het werd een tragisch einde. Op 30 mei 1968 vond men zijn ontzielde lichaam op een landweggetje bij Kortenhoef.

Wij gedenken Halbo Kool als een toegewijde kameraad, die aan ons AJC-leven veel moois en goeds heeft bijgedragen.

Jan de Groot

 


 

 

Lennaert Nijgh schreef 'Een wonderkind van 50' over Halbo Kool

 
Toen ie in de jaren dertig debuteerde
Een bleek titaantje in z'n veel te wije broek
Wiens tere poëzie de crisistijd trotseerde
Naar hoger idealen en menselijkheid op zoek
 
Toen werd z'n werk geroemd van alle kanten
Op zo'n talent had men al jarenlang gewacht
Hij zag z'n naam opeens gedrukt in alle kranten
Ze vonden hem nog beter dan ie zelf ooit had gedacht
 
De mandarijnen maakten ruzie in hun blaadjes
En iedereen had hem het eerst ontdekt
Hij werd het middelpunt van culturele praatjes
En al was ie pas begonnen, de verwachting was gewekt
 
Want een wonderkind van twintig
Is altijd een goed begin
Ja, die jongen kan wat worden
Ja, daar zit nog heel veel in
 
Maar van de kunst alleen kan niemand leven
Dus het werd een baantje bij een grote krant
En wat ie verder in z'n leven heeft geschreven
Hield met z'n idealen geen verband
 
't Was de bezetting die het vuur weer deed ontwaken
Hij wou de ondergrondse in als held
Hij zou de vijand wel eens goed weten te raken
Met de bezieling van z'n literair geweld
 
Het concentratiekamp kwam hij nog net te boven
Maar idealen had ie toen allang niet meer
En alles waar ie ooit in kon geloven
Was verpletterd met de kolf van een geweer
 
En een wonderkind van veertig
Dat is een naar geval
Die zo veel had kunnen worden
Maar die niks meer worden zal
 
Ach, hij deed nog wel een keertje een vertaling of ziets
Waar geen eer mee kon behalen
Maar zijn debuut was niet meer vatbaar voor herhaling
En naar z'n nieuwe werk werd door geen mens getaald
 
Hij heeft nog jaren eenzaam drinkend zitten wachten
In een hoekje van de kunstenaarssociëteit
Waar de jongens nauwelijks om z'n grappen lachten
Maar een pilsje of een borrel kon ie altijd aan ze kwijt
 
Ze hebben hem op z'n kamertje gevonden
Met een briefje aan z'n kinderen in z'n hand
En toen pas schreven ze dat ze 'm waarderen konden
En hij kreeg een stukje in Vrij Nederland
 
Want een wonderkind van vijftig
Voldoet niet aan z'n plicht
Hij had niet ouder mogen worden
Hij heeft de wereld opgelicht, ja
 
Want een wonderkind van vijftig
Voldoet niet aan z'n plicht
Hij had niet ouder mogen worden
Hij heeft de wereld opgelicht
 
Ach, een wonderkind van vijftig
Dat is immers geen gezicht
Dus om consequent te blijven
Deed ie zelf het boek maar dicht