Piet Cossee (1917-2007)

‘Waarom bij het ene overleden oud-AJC-lid volstaan met een vermelding in de vaste rubriek achterin ons contactorgaan, en waarom krijgt een ander nog extra aandacht?’ Deze vraag dient zich bij de redactie wel eens aan. Waar moeten we de grens leggen? Principieel bestáát er natuurlijk helemaal geen grens.

In onze rijen gaat achter élk beëindigd leven een levensverhaal schuil waarin voor de AJC een hoofdstuk ingeruimd verdient te worden. Verschil maken tussen ‘belangrijke’ en ‘onbelangrijke’ (oud-)leden is in onze traditie immers niet aan de orde, behoort dat in ieder geval ook niet te zijn.

Is er dus in principe geen plaats voor uitzonderingen, er zit ook een meer praktische kant aan. Als je, helaas in elk nummer van ons bescheiden blad opnieuw, de altijd weer te lange opsomming van namen van overleden oud-leden onder ogen krijgt, ontkom je om ruimtelijke redenen niet aan een keus. En die berust dan meestal op de overweging dat hij of zij die ons heeft verlaten voor velen een zekere bekendheid heeft gehad: landelijk, regionaal of beide, en daardoor ‘publicitair’ wat ruimer bedeeld wordt. Het kan ook gebeuren dat iemand pas ná zijn/haar AJC-tijd is gaan opvallen, en in dat geval door opmerkelijke activiteiten in het politieke, sociale of culturele leven van ons land. Ook daar staan we dan even bij stil.

200710JanCossee2Piet Cossee is 21 juni op 89-jarige leeftijd overleden. Geboren in 1917, heeft hij dus behoord tot de generatie van degenen die in de jaren-dertig AJC-er zijn geweest.  Zestien jaar was Pieter Casper Cossee toen hij in 1933 zijn typografische loopbaan begon bij drukkerij Mouton in Den Haag. Daar kwam hij in contact met de uit Duitsland gevluchte Henri Friedlaender, die op zijn beroepsmatige vorming grote invloed heeft gehad. En dat niet alleen in de onmisbare grafisch-technische zin van gedegen vakmanschap dat berust op principiële verbondenheid met de klassieke waarden van de typografie.

Daarbovenuit is Piet, aanvankelijk in het voetspoor van zijn grote leermeester, altijd trouw gebleven aan de opvatting dat typografie geen particuliere liefhebberij van de vormgever om zichzelfs wille moet zijn. Want in de eerste plaats, zo vond hij, is de typograaf een ‘meespelend’ onderdeel in een groter geheel. Hij wilde ‘intermediair’ zijn tussen schrijver en lezer, afzender en ontvanger, en de ontmoeting tussen die twee bevorderen in dienende ondersteuning. Daar gebruikte hij alle grafische middelen voor, in een optimale presentatie van leesbaarheid. Artistiek hoogstaand, ontwikkelde hij zodoende een eigen stijl.

Na de oorlog –Piet was actief in het verzet- kwamen zijn kwaliteiten ten goede aan zijn vaste relatie met de PTT, waar hij meewerkte aan jaarverslagen en aan postzegels. Menige jonge ontwerper werd door hem begeleid. Een hechte band ontstond ook met het Amsterdamse tijdschrift ‘Castrum Peregrini’, dat inhoudelijk vooral steunde op de (vrij elitaire) leer van de Duitse dichter Stefan George en zijn kring. En van de talrijke door hem vormgegeven boeken van verschillende uitgeverijen werden er in de loop van de jaren heel wat uitverkozen tot ‘de beste van het jaar’.

Door dit alles werd Piet Cossee onbetwist één van de grondleggers van de naoorlogse typografie in ons land. Hij combineerde soberheid met idealisme, met oog voor het detail en drang naar perfectie, enthousiast en met een tomeloze energie, vasthoudend tot en met: geen ‘gemakkelijke’ man dus! Zo wordt hij ook beschreven in een vriendenboekje uit 1987, toen hij vijftig jaar typograaf was. Eén van de auteurs noemde hem vanwege zijn superieure vakmanschap ‘een Bach van de boekvorm’. Geen gering compliment!{mosimage}

200710JanCosseeHoe zouden we hem nu, op grond van deze karaktereigenschappen, zichtbaar in zijn werk, kunnen typeren als AJC-er uit de jaren-dertig? Het is mij tot mijn spijt niet gelukt iemand te vinden die daarover uit de eerste hand iets zou kunnen vertellen. Ook in de biografische schets van Piet’s vrouw Ri Cossee-Bommeljé gaat het alleen over zijn typografische loopbaan. Een Amsterdamse oud-AJC-er, die eveneens zijn sporen in de grafische wereld meer dan verdiend heeft, en net als Piet viool speelde: Dick Dooyes, noemt in zijn bijdrage aan het boek evenmin de AJC. Maar ook zonder informatie van buiten zijn vak kun je je voorstellen dat Piet Cossee in de AJC zeker de kans gehad zal hebben zich te ontplooien en zich verdienstelijk te maken. Iemand schreef: ‘Met zijn brede maatschappelijke belangstelling fulmineerde hij hevig tegen het onrecht in de samenleving.’ En een Duitse collega-vormgever herinnerde zich: ‘Cossee gehörte der gleichen Gruppe der sozialistische Jugendbewegung an wie u.a. Koos Vorrink. Es war ihr Ziel, mit einem vorbildlichen Leben für die Arbeiterjugend ein Beispiel zu sein’.

‘Ein Beispiel’: dat was Piet Cossee voor velen die zich, ná hem, bezig hielden en houden met de vormgeving van velerlei soorten drukwerk. Een voorbeeld dus: was hij dat ook in de AJC? Kent iemand hem nog? Het zou prettig zijn als er onder onze lezers iemand zou zijn te vinden die mijn onvolledige bijdrage op dit punt nog wat completer zou kunnen maken.

Jan de Groot