Oorlogskinderen

Met het oog op zestig jaar geleden heeft het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie vorig jaar een tentoonstelling ingericht met als onderwerp: ‘Oorlogskind’. Daarin wordt het verhaal van twaalf kinderen in beeld gebracht. Dat wil zeggen: terugblikkend vertellen even zo vele volwassenen over hun persoonlijke ervaringen en belevenissen tijdens de Duitse bezetting.

Deze expositie, die in elk van de twaalf provincies te zien was of nog zal zijn, loopt al vanaf maart 2005. Dit jaar zullen achtereenvolgens Drenthe (tot 13 februari), Overijssel, Groningen, Utrecht en Zuid-Holland nog aan de beurt komen. (Zie ook de website www.oorlogskind.nl).

Wat kinderen in de Tweede Wereldoorlog meegemaakt hebben wordt natuurlijk door uiteenlopende omstandigheden bepaald. De opvattingen van hun ouders waren in veel gevallen richtinggevend. Ook denk je al gauw aan de vele joodse kinderen die in het geheel niet meer aan ‘zich herinneren’ toegekomen zijn. Anderen hadden te lijden onder de barre voedseltoestanden in de ‘hongerwinter’. Woonde je als kind in een gebied waarin zich gevechtshandelingen afspeelden, dan wordt het denken aan toen daardoor sterk beïnvloed. Ik noem maar enkele voorbeelden van situaties die op de tentoonstelling aandacht krijgen.

Bij die twaalf verhalen is er, mijns inziens terecht, ook één gewijd aan kinderen van wie de ouders lid waren van de NSB, dus ‘fout’ waren. Waren de kinderen van deze ouders daardoor eveneens fout? Nee, want zij waren geen ‘daders’ maar ‘slachtoffers’, in die positie terechtgekomen door het toeval, of noem het: noodlot. Niemand bepaalt nu eenmaal zélf wie zijn of haar ouders zullen worden, en over plaats en tijd van je geboorte heb je ook niet veel te vertellen. Is ons eigen lidmaatschap van de AJC voor velen van ons niet eenvoudigweg het gevolg geweest van de politieke gezindheid van onze ouders, met wie we, hoewel praktisch nog ‘ongevormd’, als een bijna-vanzelfsprekendheid solidair waren? Aan helemaal zelfstandig een politiek getinte keus maken zijn de meeste twaalfjarigen niet toe, - nu niet en toen niet.

Zo kon het, droevig genoeg, gebeuren dat kinderen van NSB-ers in emotionele verbondenheid met hun ouders wérkelijk geloofden dat vader en moeder, of één van hen beiden, zich inzetten voor een betere wereld. Er werd hun voorgehouden dat ze wegbereiders waren van een andere, komende cultuur en dat ze de opdracht hadden om fakkeldragers te zijn in het licht van een Nieuwe Tijd, - een formulering die ons qua sfeer en woordkeus niet onbekend in de oren kan klinken.

De schokkende ontdekking van de historische werkelijkheid en de bittere ontgoocheling kwamen pas later. Maar de mentale belasting van de gevoelens van ‘schuld’ en van ‘schaamte’ voor iets waarvoor zij, als kind, geen eigen verantwoordelijkheid hadden gedragen, heeft in de levens van vele van deze NSB-kinderen diepe sporen achtergelaten. Jeugdherinneringen werken, zoals iedere oudere weet, soms heel lang door. Het valt meestal niet mee om er een deksel op te doen. Daar komt in dit geval nog bij dat de aanhoudend vernederende bejegening door sommige mensen uit hun sociale omgeving (buurt, school, werk) in latere jaren geen bijdrage inhield tot hun maatschappelijke integratie. Je zou haast geloven dat de onbillijke afwijzende houding van deze ‘betere’ Nederlanders af en toe berustte op hun valse verwachting: ‘hoe meer wij hen zwart maken, des te meer gaat ons eigen grijs op wit lijken’.

Dat echte daders gestraft moesten worden is een uitgemaakte zaak, en dat is te weinig gebeurd, vooral in Duitsland. Maar: de vele duizenden kinderen die bij het bombardement op Dresden in februari 1945 gedood werden, waren dat ‘daders’? De twee miljoen ‘Heimatvertriebenen’ die door het verleggen van de Oost-Europese grenzen na de oorlog het leven verloren, waren dát dan ‘daders’? Die zullen zich tussen de massa’s mensen zeker opgehouden hebben, maar wat valt de kinderen onder hen te verwijten?

Direct na de oorlog zijn er circa 150.000 NSB-ers opgepakt: meelopers, verdwaasde idealisten, of gefrustreerden die je altijd en overal vindt. Maar ook anderen, met daadwerkelijk en actief misdadig gedrag op hun geweten, voorzover aanwezig. Voor hen allen werden er, naast de gevangenissen, zo’n honderd opvangkampen en tehuizen ingericht, en daarin vonden ongeveer achtduizend kinderen een tijdelijk onderdak. Dat waren kinderen van wie beide ouders vastzaten, terwijl er geen ooms en tantes, grootouders, buren of vrienden bereid of in staat waren hen als pleegkind op te vangen.
                                                    *
Eén van deze opvangkampen bevond zich in Marum, een plaats op zo’n vijftien kilometer westelijk van de stad Groningen. Niet lang na de oorlog hebben de Rode Wachten van de afdeling Groningen voor de jonge ‘bewoners’ van dat kamp een ‘bonte avond’ verzorgd. Er verbleven trouwens ook wel volwassenen: zo zat onder anderen de secretaris-generaal van het departement van onderwijs in de jaren ’40-’45, professor J.van Dam, daar een deel van zijn straf uit. Ons ging het natuurlijk om de jeugd. ‘Waarom zouden wij onverzoenlijk en beschuldigend moeten zijn tegenover kinderen die niets anders hadden ‘misdaan’ dan aanhankelijkheid betonen aan hun ouders?’ Dat zal de achtergrond zijn geweest van onze goedbedoelde handreiking.

Wat we daar die avond zoal hebben laten horen en zien weet ik niet meer precies, maar aan zang en dans zal het wel niet ontbroken hebben. Ook niet aan samenzang waarschijnlijk. Dat laatste had in ieder geval gemakkelijk gekund, want sommige van ‘onze’ liederen, nogal eens uit het Duits vertaald, waren ook bij de jeugd in de zaal niet onbekend, - af en toe met een ándere tekst, zo neem ik aan. Wat ik overigens wél zeker meen te weten is, dat Annie Posthumus een gedicht voordroeg en dat ze daarbij een rode jurk aan had! Behalve dit detail herinner ik me niets, en dat werpt nog weer eens een merkwaardig licht op het verschijnsel ‘geheugen’. Even heb ik er zelfs aan getwijfeld of die hele tocht naar Marum niet alleen maar in mijn verbeelding had plaatsgevonden: niemand van het Groningse groepje oud-leden kon mij er iets over meedelen. Had ik mij dan zó vergist? Totdat Kees van der Woude mij wist te vertellen dat hij na  ons optreden nog gecorrespondeerd had met iemand uit het publiek van de bewuste avond. Die bevestiging van Kees was wel een geruststelling voor me …
 
Wat er van een aantal van jongeren in deze situatie geworden is valt te lezen in een boek van Bas Kromhout, waar je bepaald niet vrolijk van wordt: ‘Fout geboren. Het verhaal van kinderen van foute ouders’ (2004). Over het lang niet volmaakte ‘politieke beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders 1945-1955’ kun je lezen in ‘Snel, streng en rechtvaardig’ door Peter Romijn (1989).

Naschrift
Nadat een eerdere versie van dit stukje verschenen was in ‘Contact’, het periodiekje van de Groningse groep oud-AJC-leden, achtste jaargang nr 1, januari 2006, kreeg ik verrassenderwijs twee reacties. De ene behelsde het vermoeden dat het initiatief van dit bezoek aan Marum niet bij onze afdeling zelf had gelegen, maar dat het plaatsvond op aanwijzing of voorstel van het hoofdbestuur. Onmogelijk is dit natuurlijk niet, maar er zijn geen bewijzen voor.

Een andere vriend diepte uit z’n geheugen de waarschijnlijkheid op, dat het helemaal niet zulke onschuldige lieverdjes waren voor wie wij ons beste beentje hadden voorgezet. Sommigen zaten daar gevangen omdat ze  dienst genomen zouden hebben bij de SS! Als dit inderdaad zo geweest is, moet ik vrezen dat het de bedoeling van dit artikeltje wel enigszins zou hebben beïnvloed. Aan de strekking daarvan heb ik toch maar niets veranderd.

Jan de Groot