Bij wijze van herdenking (Chris Scholtens)

In Contact van september 1954, bijna vijftig jaar geleden dus, kon je een ‘Open brief aan het Gewestbestuur’ aantreffen, met als titel ‘Duitse weekends en hun achtergrond’. Uit dat stuk van twee volle bladzijden A4-formaat bleek, dat er iemand moeite had met die weekends, een zekere ‘Jan’. Hij deed blijkbaar mee met de gewoonte alleen maar de voornaam te vermelden. En dat in een tijd dat ‘Jan’ bovenaan het lijstje stond van meest voorkomende jongensnamen. Maar wees gerust: deze keer zet hij wél z’n volledige naam onder dit artikeltje.

In ons maandblad van toen pleitte de schrijver voor meer verdieping van het contact met de SAJ-ers uit het naburige Oost-Friesland. Daar ontbrak het aan, vond hij. Bij een speels partijtje voetbal of zoiets zou dat er niet zoveel toe doen, maar als je de mond vol hebt van grote woorden als ‘Weltverständigung’ en kreten hanteert als ‘Jung Sozialisten befreien die Schwachen der Welt’, moet je wel weten waar je het over hebt, en wat je daar in de praktijk van kunt waarmaken. Wat wilde nu die ‘open-briefschrijver’? Hij betoogde dat aan beide kanten van de grens geestelijke voorbereiding aan de weekends vooraf zou moeten gaan, want anders zou het niet meer dan alleen maar een aardig uitstapje worden, over en weer. (Wat was er tegen een aardig uitstapje, vraag je je nu af, waar wilde die zwaartillende stukjesschrijver naar toe?). Wat Jan wilde: een serie bijeenkomsten organiseren, waar de problemen waarmee Duitsland na 1945 in het reine moest zien te komen, door deskundigen geanalyseerd zouden worden. En met die kennis gewapend zouden we dan beter in staat zijn met de SAJ-ers van gedachten te wisselen. Dat er ook nog taalbarrieres waren kwam kennelijk niet bij hem op. Nogal hoog gegrepen natuurlijk, dit idee, en veel is er dan ook niet van terechtgekomen. Voorzover ik mij kan herinneren is slechts een weekend in Gasselte te noemen, waar de socialist en oud-leraar Duits: H.Roelfsema, de vloer aanveegde met de anti-Adenauer-standpunten van de toenmalige Duitse socialisten, de SPD. Onze gasten waren niet blij met die inleiding, dat kon je wel aan de opponerende gezichten zien, maar discussie was er nauwelijks.

Ik denk niet dat ik nu nog zo gemakkelijk naar dit communicatiemiddel zou grijpen: een ‘open brief’. Wat had er meer voor de hand gelegen dan even naar Chris Scholtens toe te gaan en hem te vragen even te luisteren naar wat je op je hart had over die weekends, en je dan samen op een eventueel andere benadering te bezinnen. Is nooit gebeurd. Op het stuk in Contact is trouwens evenmin ooit een reactie gekomen, mondeling noch schriftelijk, terwijl het toch goed bedoeld was. Chris was in die tijd voorzitter van het gewest Groningen-Drente en in die functie de onvermoeibare, krachtige ‘promotor’ achter de Duitse weekends. Hij was er met hart en ziel bij betrokken, maar niet langs de weg van lange theoretische beschouwingen. Daarvoor stond hij te dicht op de praktijk van het alledaagse ‘gewone’ werk, waar de organisatie het toch wel in de eerste plaats van moest hebben en waar je plezier aan kon beleven.

Met Riet heb ik onlangs een middag gepraat over haar in 1973 overleden man, en daaruit bleek nog weer eens hoe weinig ik eigenlijk van hem wist. Niet dat dat zoveel minder was dan wat ánderen van hem wisten, want Chris was tegenover niemand een veelprater. En zeker niet als het om zijn eigen innerlijk leven ging, en evenmin als het betrekking had op datgene wat hij in de oorlogsjaren had meegemaakt. En dat was veel. Chris was van de jaargang 1923, en dat betekende dat hij in de jaren 1940-’45 in een kwetsbare leeftijd zat ten opzichte van de minder aangename kanten van de Duitse overheersing. Zelfs bij diegenen die emotioneel het dichtst bij hem stonden is er nooit een compleet helder beeld ontstaan als antwoord op de vraag hoe hij precies de oorlogsjaren is doorgekomen. Hij zweeg erover. Maar één ding is duidelijk: de Duitse vrijheidsberoving en daarmee samenhangende ontberingen zijn niet aan hem voorbijgegaan.

Riet toonde mij vele documenten, vaak niet meer dan losse, gehavende briefjes met van dat oude Duitse, moeilijk leesbare schrift en soms ook wél duidelijk herkenbare namen van gevangenissen en kampen: Zellengefängnis Berlin-Moabit, Gefangenenlager Rodgau-Dieburg in Hessen, Konzentrationslager Sachsenhausen. In 1944 wist Chris te ontsnappen uit een gevangenis in Aken. Er werd eindeloos met gevangenen gesleept, vooral in de laatste fase van de oorlog, en we weten maar al te goed dat er bij zeer vele slachtoffers niets meer te slepen viel, omdat de vijand al voor een snellere ‘oplossing’ had gekozen.
Zeer vermagerd wist Chris via Valkenburg uiteindelijk Groningen te bereiken, waar hij, ondergedoken en toch nog weer met benauwde momenten, ten slotte het einde van de oorlog kon beleven. Weldra vond hij de weg naar de AJC.

Dit alles vermeld ik, omdat eruit blijkt dat Chris alle reden had om de Duitsers, vanwege alles hem aangedaan, niet lief te hebben. Daarom is het des te opmerkelijker dat juist hij zich zo inspande om het vriendschappelijk contact met een stukje Duitsland te herstellen, contact dat al vanaf 1933 had opgehouden te bestaan. Wat kan hem daartoe bewogen hebben? Riet en ik praten erover. We komen tot de slotsom dat Chris veel meer idealist was dan hij zich in zijn nuchtere voorkomen en werkwijzen deed kennen. Zij noemt de naam van een oude Duitse vriend van hem, Heinrich Roger, die al in 1934 in een concentratiekamp zat, en die hem heeft geholpen om tot het inzicht te komen dat de Duitse jeugd niet voor alle ellende verantwoordelijk kon worden gehouden. Deze jongeren te isoleren zou fout zijn. Het zou geen uitzicht bieden op een gezamenlijke betere toekomst. Maar zelfs dit soort, toch niet al te verheven, woorden gebruikte Chris slechts zelden. Daarvoor was hij te zeer overtuigd van de waarde van een ongeforceerde, eenvoudige, hartelijke aanpak, waardoor ‘contact’ kansen zou kunnen krijgen om te groeien in de richting van meer verdieping, en begrip voor elkaars levenssituaties en politieke problemen, met behoud van vriendschap. En dat was een zienswijze waar de ‘open-briefschrijver’ van vijftig jaar geleden zich nu niet meer zo zwaarbeladen tegen zou willen verzetten.
 
Jan de Groot